Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-12-11
ECLI:NL:RBNHO:2024:14252
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
7,856 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/358331 / KG ZA 24-625
Vonnis in kort geding van 11 december 2024
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
eiseres,
advocaat mr. M.E. Groot te Heerhugowaard,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. J.J.M. Kleiweg te Amsterdam.
Partijen zullen hierna de moeder en de vader genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 30 oktober 2024, met bijlagen;
de conclusie van antwoord van 12 november 2024, met bijlagen;
de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 22 november 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling van het kort geding heeft plaatsgevonden op 27 november 2024. Aanwezig waren partijen en hun advocaten.
De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.
Feiten
2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn geboren de minderjarigen:
[de minderjarige 1] , op [geboortedatum] te [plaats] ;
[de minderjarige 2] , op [geboortedatum] te [plaats] .
Op 9 september 2022 is door de moeder een verzoek tot echtscheiding ingediend.
2.2.
De vader heeft van 22 juli 2022 tot 8 december 2022 in voorlopige hechtenis gezeten. Bij de schorsing van de voorlopige hechtenis is als schorsingsvoorwaarde opgelegd dat de vader op geen wijze -direct of indirect- contact zal hebben of zoeken met zijn kinderen en zich niet binnen een straal van 50 meter rondom zijn huisadres in [plaats] zal bevinden.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 4 april 2023 is het verzoek van de vader om een zorgregeling vast te stellen afgewezen. De rechtbank heeft een voorlopige kinderbijdrage vastgesteld en een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) gelast.
2.4.
De vader is bij vonnis van deze rechtbank van 7 november 2023 veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren, wegens het bezit en vervaardigen van kinderporno, waaronder pornografisch materiaal van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , terwijl van deze misdrijven een gewoonte werd gemaakt, en het plegen van ontucht met [de minderjarige 2] . Ook is aan de vader, naast de bijzondere voorwaarden van reclasseringscontact en behandeling door De Waag, een contactverbod opgelegd met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en een locatieverbod met betrekking tot hun school voor de duur van één jaar, met bevel dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
2.5.
De Raad heeft bij zijn rapport van 14 december 2023 geadviseerd om de vader te verbieden contact te hebben met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] omdat omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de minderjarigen, de vader kennelijk ongeschikt moet worden geacht tot omgang en omgang anderszins in strijd met zwaarwegende belangen van de kinderen is.
Geschil
3.1.
De moeder vordert, na herstel van een kennelijke verschrijving in het onder I. gevorderde, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen
I. dat het de vader verboden is om gedurende een periode van 2 jaar (direct of indirect) contact te hebben of te zoeken met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] alsmede met de moeder op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor iedere overtreding van dit verbod met een maximum van € 250.000;
II. dat het de vader verboden is om zich gedurende een periode van 2 jaar te begeven op de openbare weg, grenzend aan het adres, alsmede op en aan het erf van [adres] op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor iedere overtreding van dit verbod met een maximum van € 250.000.
3.2.
De moeder legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. Op 7 november 2024 is het contact- en straatverbod verstreken. De moeder weet niet of de vader vanaf 7 november 2024 in contact met haar en/of de kinderen of in contact met de hulpverleners en/of andere deskundigen zal treden. Nu de vader nog altijd met het ouderlijk gezag is belast, bestaat bij de moeder de angst dat de vader dan allerlei informatie over de kinderen zal opvragen of zal proberen te achterhalen. Het enkele feit dat de vader deze mogelijkheid heeft, baart de moeder grote zorgen. De moeder krijgt van deze onzekerheid heel veel stress. De moeder doet er alles aan deze spanningen voor de kinderen verborgen te houden, maar kan niet uitsluiten dat de kinderen iets van deze spanningen merken. De moeder voert nog steeds gesprekken met deskundigen om de gebeurtenissen te verwerken. Door de ernst van de feiten kan haar dit niet worden verweten. De moeder is door toedoen van de vader alles kwijtgeraakt en de vader heeft de kinderen getraumatiseerd. Het gaat momenteel goed met de kinderen. De moeder onderneemt veel activiteiten met de kinderen en is zelf aanzienlijk zelfstandiger geworden. De moeder heeft nu een parttimebaan, volgt een opleiding en de thuissituatie is stabiel. Voor het welzijn van de kinderen is het van groot belang dat deze stabiliteit behouden blijft. De moeder meent dat iedere inmenging van de vader dient te worden voorkomen, zolang de rechter in de echtscheidingsprocedure geen beslissing heeft genomen over de wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag en het ontzeggen van omgang/contact. Verder bestaat bij de moeder de angst dat de vader zich gaat ophouden bij de school van de kinderen. Nu de moeder op een geheim adres woont, is de school de enige mogelijkheid voor de vader om een glimp van de kinderen en de moeder op te vangen. De school moet voor de kinderen een veilige plek zijn. Ofschoon met het opleggen van een locatieverbod terughoudend moet worden omgegaan, dient het belang van de moeder en de kinderen in deze zwaarder te wegen. De vader heeft namelijk in de omgeving van de school niets te zoeken. De Raad adviseert de rechtbank om de vader een tijdelijk verbod op te leggen contact te hebben met de kinderen omdat hij volgens de Raad aan de gronden voor ontzegging van omgang zoals geformuleerd in artikel 1:377a BW voldoet. Het is voor de moeder en de kinderen belangrijk dat er een nieuwe periode van rust wordt gecreëerd en dat zij niet bang hoeven te zijn dat zij direct of indirect in contact met de vader komen of hem bij school zullen zien.
3.3.
De vader voert daartegen als verweer dat er geen reden is om aan hem (opnieuw) een contact- en locatieverbod op te leggen. De vader heeft zowel aan de sociaal werker van de moeder als aan zijn reclasseringsmedewerker aangegeven geen contact met de moeder of de kinderen te zullen zoeken. De vader heeft het strafrechtelijke verbod nimmer overtreden en is niet op de hoogte van het adres van de moeder. De vader weet waar de kinderen op school zitten, maar is daar nooit naartoe gedaan en zal dat ook niet doen. De vader is onterecht veroordeeld en heeft veel verdriet van het feit dat hij zijn kinderen al heel lang niet meer heeft kunnen zien. Het is frustrerend dat de procedure in hoger beroep al lang loopt. De vader had altijd een goede band met de kinderen. Uiteraard zou de vader graag tot contactherstel met de moeder en de kinderen willen komen, maar de vader begrijpt dat dit in de echtscheidingsprocedure aan de orde zal komen en niet in deze procedure. De vader zou graag contact met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] willen hebben onder begeleiding van een professionele instantie. De vader betreurt het advies van de Raad. Het rapport is al van een jaar geleden en de vader heeft al geruime tijd begeleiding vanuit de reclassering en staat onder behandeling van De Waag. De Preventieve Jeugdbescherming heeft in een rapport zorgen geuit over signalen bij de moeder die wijzen op ouderverstoting. De vader hoopt dat de moeder inziet dat het voor de kinderen van belang is om (op termijn) contact te hebben met de vader. De vader verzoekt primair de vorderingen van de moeder af te wijzen en subsidiair bij toewijzing deze te beperken tot de duur van zes maanden en te bepalen dat het contactverbod niet in de weg mag staan aan contactherstel tussen de vader en de kinderen, mocht dit aan de orde zijn, onder compensatie van de kosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het opleggen van een straat- en contactverbod eerst dan gerechtvaardigd is als vaststaat dat (tenminste) een reële dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen bestaat. Die eis ligt besloten in de omstandigheid dat een zodanig verbod een inbreuk maakt op het grondrecht van vrijheid van beweging. Bij het opleggen van een dergelijk verbod dient daarom een zekere mate van terughoudendheid te worden betracht.
4.2.
De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk geworden dat contact van de vader met de kinderen en hun moeder voor laatstgenoemden ernstig nadeel oplevert, zoals door de moeder is betoogd. De voorzieningenrechter verwijst daarvoor naar het ter onderbouwing van haar stellingen door de moeder overgelegde strafvonnis van deze rechtbank van 7 november 2023 en het eveneens overgelegde rapport van de Raad van 14 december 2023. De Raad heeft in dit rapport geadviseerd de vader te verbieden contact te hebben met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] “omdat omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de minderjarigen, vader kennelijk ongeschikt moet worden geacht tot omgang en omgang anderszins in strijd met zwaarwegende belangen van de kinderen is”.
4.3.
De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is of er een reële dreiging is dat de vader toch contact opneemt. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend. De vader heeft gezegd dat hij zijn kinderen erg mist en dat hij nog altijd hoopt op contactherstel. Hij heeft zich daarover ter zitting zeer emotioneel betoond. Daarnaast is in het strafvonnis geoordeeld dat “er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat betrokkene opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam”. Dit was voor de rechtbank reden om te bevelen dat de aan de veroordeling gekoppelde bijzondere voorwaarden, zoals reclasseringscontact, behandeling door De Waag en het (inmiddels verlopen) contact- en locatieverbod, dadelijk uitvoerbaar waren. Dat de vader, zoals hij onweersproken heeft gesteld, dit strafrechtelijk contact- en locatieverbod nooit heeft overtreden, is onvoldoende om de dreiging weg te nemen; daarmee is immers niet gezegd dat de vader zich ook zonder justitieel kader van contact zal onthouden. Daar komt bij dat de vader, die stelt ten onrechte veroordeeld te zijn, er nog altijd geen blijk van geeft het laakbare van zijn handelen in te zien. De moeder heeft er verder op gewezen dat de vader nog steeds mede ouderlijk gezag heeft. Zij heeft de vrees uitgesproken dat hij dit bijvoorbeeld zal gebruiken om aan informatie over de kinderen te komen. Met de moeder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het feit dat de vader tegenover derden nog altijd als gezaghebbend ouder geldt, een extra reden vormt voor een contactverbod. Wat betreft de noodzaak van het locatieverbod rond de school overweegt de voorzieningenrechter dat de vader dichtbij de school van de kinderen woont en dat het nadrukkelijk niet de bedoeling is dat de vader de kinderen daar tegenkomt of hen van daaruit volgt naar het voor de vader nu nog onbekende nieuwe adres van de moeder en de kinderen. De vader heeft weliswaar benadrukt dat hij zelf geen contact zal zoeken, maar gelet op de hierboven geschetste zwaarwegende belangen aan de zijde van de kinderen en de moeder, is die enkele toezegging onvoldoende om af te zien van een contact- en locatieverbod.
4.4.
Wat betreft de duur van de verboden overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het ouderlijk gezag en de omgang tussen de vader en de kinderen zullen ook aan de orde komen in de aanhangige echtscheidingsprocedure. In het licht hiervan en in verband met de eis van proportionaliteit zullen de verboden worden opgelegd totdat in de echtscheidingsprocedure onherroepelijk is beslist over het gezag en de omgang, met dien verstande dat de verboden in elk geval niet langer zullen duren dan twee jaar.
4.5.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een dwangsom op te leggen, zodat deze vordering wordt afgewezen.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
verbiedt de vader -direct of indirect- contact te hebben of te zoeken met zijn kinderen:
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
alsmede met de moeder,
totdat in de echtscheidingsprocedure onherroepelijk is beslist over het gezag en de omgang, echter maximaal voor de duur van twee jaar;
5.2.
verbiedt de vader zich te begeven of bevinden op de openbare weg, grenzend aan het adres, alsmede op en aan het erf van [adres] ,
totdat in de echtscheidingsprocedure onherroepelijk is beslist over het gezag en de omgang, echter maximaal voor de duur van twee jaar;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Warmerdam en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.E.J. van Schie op 11 december 2024.
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat. Omdat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/358331 / KG ZA 24-625
Vonnis in kort geding van 11 december 2024
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
eiseres,
advocaat mr. M.E. Groot te Heerhugowaard,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. J.J.M. Kleiweg te Amsterdam.
Partijen zullen hierna de moeder en de vader genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 30 oktober 2024, met bijlagen;
de conclusie van antwoord van 12 november 2024, met bijlagen;
de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 22 november 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling van het kort geding heeft plaatsgevonden op 27 november 2024. Aanwezig waren partijen en hun advocaten.
De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.
Feiten
2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn geboren de minderjarigen:
[de minderjarige 1] , op [geboortedatum] te [plaats] ;
[de minderjarige 2] , op [geboortedatum] te [plaats] .
Op 9 september 2022 is door de moeder een verzoek tot echtscheiding ingediend.
2.2.
De vader heeft van 22 juli 2022 tot 8 december 2022 in voorlopige hechtenis gezeten. Bij de schorsing van de voorlopige hechtenis is als schorsingsvoorwaarde opgelegd dat de vader op geen wijze -direct of indirect- contact zal hebben of zoeken met zijn kinderen en zich niet binnen een straal van 50 meter rondom zijn huisadres in [plaats] zal bevinden.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 4 april 2023 is het verzoek van de vader om een zorgregeling vast te stellen afgewezen. De rechtbank heeft een voorlopige kinderbijdrage vastgesteld en een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) gelast.
2.4.
De vader is bij vonnis van deze rechtbank van 7 november 2023 veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren, wegens het bezit en vervaardigen van kinderporno, waaronder pornografisch materiaal van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , terwijl van deze misdrijven een gewoonte werd gemaakt, en het plegen van ontucht met [de minderjarige 2] . Ook is aan de vader, naast de bijzondere voorwaarden van reclasseringscontact en behandeling door De Waag, een contactverbod opgelegd met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en een locatieverbod met betrekking tot hun school voor de duur van één jaar, met bevel dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
2.5.
De Raad heeft bij zijn rapport van 14 december 2023 geadviseerd om de vader te verbieden contact te hebben met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] omdat omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de minderjarigen, de vader kennelijk ongeschikt moet worden geacht tot omgang en omgang anderszins in strijd met zwaarwegende belangen van de kinderen is.
Geschil
3.1.
De moeder vordert, na herstel van een kennelijke verschrijving in het onder I. gevorderde, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen
I. dat het de vader verboden is om gedurende een periode van 2 jaar (direct of indirect) contact te hebben of te zoeken met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] alsmede met de moeder op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor iedere overtreding van dit verbod met een maximum van € 250.000;
II. dat het de vader verboden is om zich gedurende een periode van 2 jaar te begeven op de openbare weg, grenzend aan het adres, alsmede op en aan het erf van [adres] op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor iedere overtreding van dit verbod met een maximum van € 250.000.
3.2.
De moeder legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. Op 7 november 2024 is het contact- en straatverbod verstreken. De moeder weet niet of de vader vanaf 7 november 2024 in contact met haar en/of de kinderen of in contact met de hulpverleners en/of andere deskundigen zal treden. Nu de vader nog altijd met het ouderlijk gezag is belast, bestaat bij de moeder de angst dat de vader dan allerlei informatie over de kinderen zal opvragen of zal proberen te achterhalen. Het enkele feit dat de vader deze mogelijkheid heeft, baart de moeder grote zorgen. De moeder krijgt van deze onzekerheid heel veel stress. De moeder doet er alles aan deze spanningen voor de kinderen verborgen te houden, maar kan niet uitsluiten dat de kinderen iets van deze spanningen merken. De moeder voert nog steeds gesprekken met deskundigen om de gebeurtenissen te verwerken. Door de ernst van de feiten kan haar dit niet worden verweten. De moeder is door toedoen van de vader alles kwijtgeraakt en de vader heeft de kinderen getraumatiseerd. Het gaat momenteel goed met de kinderen. De moeder onderneemt veel activiteiten met de kinderen en is zelf aanzienlijk zelfstandiger geworden. De moeder heeft nu een parttimebaan, volgt een opleiding en de thuissituatie is stabiel. Voor het welzijn van de kinderen is het van groot belang dat deze stabiliteit behouden blijft. De moeder meent dat iedere inmenging van de vader dient te worden voorkomen, zolang de rechter in de echtscheidingsprocedure geen beslissing heeft genomen over de wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag en het ontzeggen van omgang/contact. Verder bestaat bij de moeder de angst dat de vader zich gaat ophouden bij de school van de kinderen. Nu de moeder op een geheim adres woont, is de school de enige mogelijkheid voor de vader om een glimp van de kinderen en de moeder op te vangen. De school moet voor de kinderen een veilige plek zijn. Ofschoon met het opleggen van een locatieverbod terughoudend moet worden omgegaan, dient het belang van de moeder en de kinderen in deze zwaarder te wegen. De vader heeft namelijk in de omgeving van de school niets te zoeken. De Raad adviseert de rechtbank om de vader een tijdelijk verbod op te leggen contact te hebben met de kinderen omdat hij volgens de Raad aan de gronden voor ontzegging van omgang zoals geformuleerd in artikel 1:377a BW voldoet. Het is voor de moeder en de kinderen belangrijk dat er een nieuwe periode van rust wordt gecreëerd en dat zij niet bang hoeven te zijn dat zij direct of indirect in contact met de vader komen of hem bij school zullen zien.
3.3.
De vader voert daartegen als verweer dat er geen reden is om aan hem (opnieuw) een contact- en locatieverbod op te leggen. De vader heeft zowel aan de sociaal werker van de moeder als aan zijn reclasseringsmedewerker aangegeven geen contact met de moeder of de kinderen te zullen zoeken. De vader heeft het strafrechtelijke verbod nimmer overtreden en is niet op de hoogte van het adres van de moeder. De vader weet waar de kinderen op school zitten, maar is daar nooit naartoe gedaan en zal dat ook niet doen. De vader is onterecht veroordeeld en heeft veel verdriet van het feit dat hij zijn kinderen al heel lang niet meer heeft kunnen zien. Het is frustrerend dat de procedure in hoger beroep al lang loopt. De vader had altijd een goede band met de kinderen. Uiteraard zou de vader graag tot contactherstel met de moeder en de kinderen willen komen, maar de vader begrijpt dat dit in de echtscheidingsprocedure aan de orde zal komen en niet in deze procedure. De vader zou graag contact met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] willen hebben onder begeleiding van een professionele instantie. De vader betreurt het advies van de Raad. Het rapport is al van een jaar geleden en de vader heeft al geruime tijd begeleiding vanuit de reclassering en staat onder behandeling van De Waag. De Preventieve Jeugdbescherming heeft in een rapport zorgen geuit over signalen bij de moeder die wijzen op ouderverstoting. De vader hoopt dat de moeder inziet dat het voor de kinderen van belang is om (op termijn) contact te hebben met de vader. De vader verzoekt primair de vorderingen van de moeder af te wijzen en subsidiair bij toewijzing deze te beperken tot de duur van zes maanden en te bepalen dat het contactverbod niet in de weg mag staan aan contactherstel tussen de vader en de kinderen, mocht dit aan de orde zijn, onder compensatie van de kosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het opleggen van een straat- en contactverbod eerst dan gerechtvaardigd is als vaststaat dat (tenminste) een reële dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen bestaat. Die eis ligt besloten in de omstandigheid dat een zodanig verbod een inbreuk maakt op het grondrecht van vrijheid van beweging. Bij het opleggen van een dergelijk verbod dient daarom een zekere mate van terughoudendheid te worden betracht.
4.2.
De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk geworden dat contact van de vader met de kinderen en hun moeder voor laatstgenoemden ernstig nadeel oplevert, zoals door de moeder is betoogd. De voorzieningenrechter verwijst daarvoor naar het ter onderbouwing van haar stellingen door de moeder overgelegde strafvonnis van deze rechtbank van 7 november 2023 en het eveneens overgelegde rapport van de Raad van 14 december 2023. De Raad heeft in dit rapport geadviseerd de vader te verbieden contact te hebben met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] “omdat omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de minderjarigen, vader kennelijk ongeschikt moet worden geacht tot omgang en omgang anderszins in strijd met zwaarwegende belangen van de kinderen is”.
4.3.
De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is of er een reële dreiging is dat de vader toch contact opneemt. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend. De vader heeft gezegd dat hij zijn kinderen erg mist en dat hij nog altijd hoopt op contactherstel. Hij heeft zich daarover ter zitting zeer emotioneel betoond. Daarnaast is in het strafvonnis geoordeeld dat “er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat betrokkene opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam”. Dit was voor de rechtbank reden om te bevelen dat de aan de veroordeling gekoppelde bijzondere voorwaarden, zoals reclasseringscontact, behandeling door De Waag en het (inmiddels verlopen) contact- en locatieverbod, dadelijk uitvoerbaar waren. Dat de vader, zoals hij onweersproken heeft gesteld, dit strafrechtelijk contact- en locatieverbod nooit heeft overtreden, is onvoldoende om de dreiging weg te nemen; daarmee is immers niet gezegd dat de vader zich ook zonder justitieel kader van contact zal onthouden. Daar komt bij dat de vader, die stelt ten onrechte veroordeeld te zijn, er nog altijd geen blijk van geeft het laakbare van zijn handelen in te zien. De moeder heeft er verder op gewezen dat de vader nog steeds mede ouderlijk gezag heeft. Zij heeft de vrees uitgesproken dat hij dit bijvoorbeeld zal gebruiken om aan informatie over de kinderen te komen. Met de moeder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het feit dat de vader tegenover derden nog altijd als gezaghebbend ouder geldt, een extra reden vormt voor een contactverbod. Wat betreft de noodzaak van het locatieverbod rond de school overweegt de voorzieningenrechter dat de vader dichtbij de school van de kinderen woont en dat het nadrukkelijk niet de bedoeling is dat de vader de kinderen daar tegenkomt of hen van daaruit volgt naar het voor de vader nu nog onbekende nieuwe adres van de moeder en de kinderen. De vader heeft weliswaar benadrukt dat hij zelf geen contact zal zoeken, maar gelet op de hierboven geschetste zwaarwegende belangen aan de zijde van de kinderen en de moeder, is die enkele toezegging onvoldoende om af te zien van een contact- en locatieverbod.
4.4.
Wat betreft de duur van de verboden overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het ouderlijk gezag en de omgang tussen de vader en de kinderen zullen ook aan de orde komen in de aanhangige echtscheidingsprocedure. In het licht hiervan en in verband met de eis van proportionaliteit zullen de verboden worden opgelegd totdat in de echtscheidingsprocedure onherroepelijk is beslist over het gezag en de omgang, met dien verstande dat de verboden in elk geval niet langer zullen duren dan twee jaar.
4.5.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een dwangsom op te leggen, zodat deze vordering wordt afgewezen.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
verbiedt de vader -direct of indirect- contact te hebben of te zoeken met zijn kinderen:
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
alsmede met de moeder,
totdat in de echtscheidingsprocedure onherroepelijk is beslist over het gezag en de omgang, echter maximaal voor de duur van twee jaar;
5.2.
verbiedt de vader zich te begeven of bevinden op de openbare weg, grenzend aan het adres, alsmede op en aan het erf van [adres] ,
totdat in de echtscheidingsprocedure onherroepelijk is beslist over het gezag en de omgang, echter maximaal voor de duur van twee jaar;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Warmerdam en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.E.J. van Schie op 11 december 2024.
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat. Omdat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.