Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-09-23
ECLI:NL:RBNHO:2024:14204
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,423 tokens
Inleiding
23 RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/6149
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de bewaarder van het kadaster en de openbare registers, de bewaarder.
Inleiding
1.1.
De bewaarder heeft het verzoek van eiser om herstel in de basisregistratie kadaster met het besluit van 19 mei 2023 afgewezen.
1.2.
Met het bestreden besluit van 15 augustus 2023 op het bezwaar van eiser is de bewaarder bij de afwijzing gebleven.
1.3.
De bewaarder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn partner, [naam 1] , en de bewaarder, [naam 2] .
Totstandkoming van het besluit / wat vooraf ging
1. Eiser en zijn partner zijn eigenaren en bewoners van [adres] (deel van het voormalig kaaspakhuis) te [plaats] . Zij hebben op 24 januari 2006 een koopovereenkomst gesloten met ZOM voor de aankoop van (delen van) percelen. De levering heeft op 23 maart 2006 plaatsgevonden. Op 26 april 2006 is vonnis gewezen in een civiele procedure tussen de buren van eiser en zijn partner (de eigenaren/bewoners van nummer [huisnummer] ) en ZOM. De rechtbank heeft de buren grotendeels in het gelijk gesteld en voor recht verklaard dat de voormalige betonnen schutting de erfgrens vormt tussen het woonhuis van de buren en het kaaspakhuis van ZOM. Op 11 juli 2006 is dat vonnis ingeschreven in het register onroerende zaken.
2. Op 5 oktober 2006 heeft naar aanleiding van het vonnis een aanwijsprocedure plaatsgevonden, waar volgens het relaas van bevindingen eiser en zijn partner bij aanwezig waren. De aanwijzing is volgens het relaas eensluidend. Het resultaat van de aanwijsprocedure is verwerkt in de basisregistratie kadaster.
3. Eiser heeft op 4 april 2023 een verzoek tot herstel bij de bewaarder ingediend. De bewaarder heeft het verzoek afgewezen, omdat er volgens hem geen fout is gemaakt bij de administratieve verwerking. In het bestreden besluit heeft de bewaarder zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een kennelijke misslag.
Beoordeling
Standpunt eiser
4. Eiser voert aan dat hij en zijn partner in strijd met artikel 57 Kadasterwet (Kw) niet zijn uitgenodigd voor de aanwijsprocedure op 5 oktober 2006 en – dus – ook niet aanwezig zijn geweest. De aanwijs kan dan ook niet eensluidend zijn geweest. De landmeter heeft volgens eiser voorts in afwijking van het vonnis van de rechter van 26 april 2006, de nieuwe erfgrens vastgelegd op 60 cm van de oude erfgrens in plaats van op 40 cm (zoals volgt uit het vonnis). De tekening die door de buren bij de notaris is ingediend is niet in overeenstemming met het vonnis. Eiser stelt dat sprake is van strafrechtelijke wetsovertredingen door de buren. Eiser verzoekt om schadevergoeding, voor het gemis aan gebruik van eigendom.
Standpunt bewaarder
5. De bewaarder stelt zich hierover op het standpunt dat een verzoek tot herstel alleen mogelijk is als er sprake is van een kennelijke misslag. Dit houdt in dat er sprake moet zijn van een verschil tussen het brondocument en de basisregistratie kadaster. Het kan zich alleen richten tegen het feit dat de bijwerking (van de kadastrale registratie) niet juist is. Het verzoek tot herstel kan niet worden gebruikt, indien men het niet eens is met het resultaat van de bijwerking. Daartegen is immers bezwaar mogelijk. Er is niet gebleken dat er een rechtsmiddel is aangewend tegen de bijwerking. De bewaarder stelt dat het besluit waarmee de grenzen in 2006 zijn vastgesteld daardoor in rechte vaststaat. De bewaarder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een misslag. De taak van de landmeter is beperkt tot de door partijen in het terrein aan te wijzen juridische grens, die daarmee een vastgestelde kadastrale grens wordt. Er is niet gebleken van een verschil tussen brondocument en de basisregistratie. De bewaarder heeft navraag gedaan bij landmeetkundig specialist grensreconstructie [naam specialist] of de gegevens zoals opgenomen in het betrokken relaas correct zijn verwerkt. Gebleken is dat de aangewezen grenzen zoals vastgelegd met meetgegevens / meetcijfers op het betrokken terrein op juiste wijze zijn verwerkt in de basisregistratie, nadat deze gegevens zijn ingepast op het lokale door de bewaarder gehanteerde meetstelsel.
Oordeel rechtbank
6. Artikel 7t, eerste lid, van de Kw luidt: ‘Indien een belanghebbende gerede twijfel heeft omtrent de juistheid van een in de basisregistratie kadaster opgenomen gegeven dat krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt, […], kan die belanghebbende onder opgaaf van redenen aan de Dienst een verzoek tot herstel van dat gegeven in de basisregistratie kadaster doen. […]’
7. Op grond van artikel 7t, eerste lid, van de Kw is de bewaarder bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een in de basisregistratie kadaster genoemd gegeven te herstellen. Dat doet de bewaarder op basis van brondocumenten. Met deze bepaling is beoogd een regeling te bieden voor het op verzoek herstellen van misslagen in de basisregistratie kadaster. Een verzoek tot herstel kan gericht zijn tegen het feit dat de bijwerking zelf onjuist of onvolledig is gebeurd omdat de bijwerking niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig het resultaat. Gelet hierop staat in dit geval alleen ter beoordeling of de in de basisregistratie kadaster vermelde gegevens berusten op een misslag. Als er tussen de bijwerking van de basisregistratie kadaster en de daaraan ten grondslag liggende brondocumenten geen verschil is, maar een belanghebbende het niet eens is met het resultaat van de bijwerking, kan een verzoek om herstel niet worden ingewilligd.
8. De vraag die de rechtbank in deze procedure moet beantwoorden is dus of er verschil bestaat tussen de bijwerking en de daaraan ten grondslag liggende brondocument, in dit geval het relaas van bevindingen van 5 oktober 2006. De rechtbank stelt vast dat door eiser niet is bestreden dat wat in de basisregistratie kadaster is opgenomen overeenkomt met het relaas van bevindingen van 5 oktober 2006. Eiser bestrijdt echter de juistheid van dat relaas van bevindingen. Zoals de bewaarder ter zitting heeft toegelicht is het uitgangspunt dat moet worden uitgegaan van de juistheid van een relaas van bevindingen dat is opgemaakt door een ambtenaar in functie, zoals hier het geval is. De bewaarder heeft daarbij benadrukt dat hij daarmee geen oordeel heeft over wat eiser stelt, maar dat hij moet kunnen uitgaan van het relaas van bevindingen voor de beoordeling of de registratie correct heeft plaatsgevonden.
9. Hoe onrechtvaardig dat voor eiser ook voelt, ook de rechtbank moet uitgaan van de juistheid van het opgestelde relaas van bevindingen van 5 oktober 2006. Dat relaas is namelijk opgesteld door een ambtenaar in functie, die in beginsel als ter zake kundig moet worden aangemerkt. Het juridisch toetsingskader zoals hiervoor uiteengezet, maakt dat de juistheid van het relaas van bevindingen thans niet meer aan de orde kan komen. De rechtbank merkt hierbij nog op dat de wetgever voor een dergelijk uitgangspunt heeft gekozen omwille van de rechtszekerheid. Zonder een dergelijk uitgangspunt zou een aanwijsprocedure niet tot definitieve vastlegging van kadastrale grenzen leiden, maar zouden die grenzen steeds opnieuw ter discussie kunnen komen te staan.
10. De rechtbank merkt tot slot nog op dat eiser zich kan wenden tot de burgerlijke rechter als hij het niet eens is met het resultaat van de bijwerking.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2022:3610
Zie bijv. ECLI:NL:RVS:2022:1062 en ECLI:NL:RVS:2023:827
ECLI:NL:RVS:2012:BY6715