Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-12-11
ECLI:NL:RBNHO:2024:14192
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
3,028 tokens
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11358278 \ VV EXPL 24-89
Vonnis in kort geding van 11 december 2024
in de zaak van
[eiser]
,
feitelijk verblijvend in de gemeente Zaandam,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: F. van de Bilt
tegen
DE GEMEENTE ZAANDAM,
te Zaandam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
gemachtigde: mr. C.J. Loggen-ten Hoopen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de producties van de gemeente
- de producties van [eiser]- de mondelinge behandeling van 27 november 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eiser]- de pleitnota van de gemeente.
Feiten
2.1.
[eiser] huurde van de Stichting Parteon (hierna: Parteon) de woning aan het adres [adres] in Westzaan. Parteon heeft een vonnis verkregen tot ontruiming van de woning.
2.2.
Op 2 oktober 2023 heeft Parteon de gemeente laten weten dat [eiser] een aanzegging tot ontruiming heeft gekregen tegen 23 oktober 2023. De ontruiming heeft op 23 oktober 2023 plaatsgevonden waarbij de deurwaarder de woning heeft ontruimd.
2.3.
De gemeente heeft aan Nimax B.V. (hierna: Nimax) bij ambtelijk besluit toestemming verleend om in volmacht inboedels bij woningontruimingen in de gemeente Zaanstad te taxereen, af te voeren en op te slaan.
2.4.
De gemeente heeft aan Nimax opdracht gegeven zorg te dragen voor de taxatie, de afvoer en de opslag van de inboedel van [eiser] . Nimax heeft deze opdracht uitgevoerd.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat en na wijziging ter zitting – dat de kantonrechter de gemeente:
veroordeelt tot betaling van € 22.500,00 aan schadevergoeding inclusief verlies van eigendommen, inkomensverlies en vergoeding van immateriële schade;
verplicht om zorg te dragen voor een nieuwe huisvesting, volledig ingericht, op kosten van de gemeente binnen twee weken;
beveelt om binnen redelijke termijn van 3 dagen op alle eerdere verzoeken van [eiser] te reageren;
veroordeelt tot betaling van de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan vordering ten grondslag dat de gemeente zijn woning zonder rechtmatige grondslag en zonder het volgen van de juiste wettelijke procedures heeft ontruimd. De gemeente is daarom aansprakelijk voor de door [eiser] geleden aanzienlijke materiële en immateriële schade. De gemeente heeft geen actie ondernomen tegen de meldingen van onveiligheid door de buurtbewoners. Ondanks meerdere verzoeken heeft de gemeente geen documenten overgelegd waaruit de bevoegdheid tot ontruiming zou blijken. [eiser] is sinds 23 oktober 2023 feitelijk dakloos. [eiser] heeft pas na negen maanden informatie ontvangen over de locatie van zijn opgeslagen eigendommen. Bij aankomst op de opslaglocatie bleek 55% van zijn eigendommen vermist; cliëntendossiers, foto’s, pakken, schoenen, parfums, twee ijskasten en twee vriezers zijn spoorloos. Dit heeft geleid tot groot persoonlijk en financieel verlies. Het recht op eigendom en het recht op bescherming tegen willekeurige inbreuken door de overheid is geschonden.
3.3.
De gemeente voert verweer. Zij betwist dat [eiser] een spoedeisend belang heeft. De ontruiming heeft al langer dan een jaar geleden plaatsgevonden en de opgeslagen inboedel is al in juni 2024 aan [eiser] geretourneerd; nergens volgt uit dat de situatie nu onhoudbaar is. Verder voert de gemeente aan dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld. Parteon en niet de gemeente heeft opdracht gegeven de woning te ontruimen. Nimax heeft namens de gemeente het vervoeren en opslaan van de inboedel afgehandeld. Als de gemeente al onrechtmatig zou hebben gehandeld, dan heeft [eiser] zijn schade niet onderbouwd. De vordering tot het verschaffen van nieuwe huisvesting heeft [eiser] ook niet onderbouwd en een grondslag ontbreekt.
Beoordeling
4.1.
Uitgangspunt is allereerst dat een vordering in kort geding alleen kan worden toegewezen als [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De gemeente betwist dat daarvan sprake is. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft. De vorderingen van [eiser] vloeien voort uit de ontruiming van zijn woning op 23 oktober 2023. Gebleken is dat de opgeslagen eigendommen al in juni 2024 aan [eiser] zijn geretourneerd. Zonder nadere toelichting en onderbouwing valt niet in te zien waarom [eiser] op dit moment, ruim een jaar na de ontruiming, nog een spoedeisend belang zou hebben en zijn situatie nu opeens onhoudbaar is.
4.2.
Voor toewijzing van de vordering in dit kort geding is vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. Verder geldt dat met betrekking tot een geldvordering in kort geding terughoudendheid op zijn plaats is.
4.3.
[eiser] stelt dat de gemeente een onrechtmatige daad heeft gepleegd en dat zij de door hem als gevolg daarvan geleden schade van € 22.500,00 moet vergoeden. De gemeente betwist de vordering van [eiser] . De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gemeente een onrechtmatige daad heeft gepleegd dan wel onrechtmatig heeft gehandeld. De gemeente is dan ook niet aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade en is geen schadevergoeding aan [eiser] verschuldigd. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.4.
Vast staat dat niet de gemeente maar Parteon de deurwaarder opdracht heeft gegeven de woning van [eiser] te ontruimen. De gemeente heeft de ontruiming niet uit laten voeren, zodat zij uit dien hoofde geen onrechtmatige daad kan hebben gepleegd en zij niet op die grond aansprakelijk kan zijn voor de door [eiser] gestelde geleden schade.
4.5.
Voor zover [eiser] heeft willen betogen dat de gemeente een onrechtmatige daad heeft gepleegd door Nimax namens haar de inboedel af te laten voeren en op te slaan en/of dat Nimax dit onrechtmatig heeft gedaan, volgt de kantonrechter [eiser] evenmin. Het is een taak van het college van burgemeesters en wethouders om zorg te dragen voor het meevoeren en opslaan van roerende zaken die zich in de woning van [eiser] bevonden. De gemeente heeft voor een uitvoering van die taak aan Nimax een volmacht gegeven en Nimax heeft die taak uitgevoerd. De gemeente heeft de door haar verleende volmacht in het geding gebracht. Niet is gebleken dat het geven van de volmacht aan Nimax onrechtmatig was of dat Nimax haar taak onrechtmatig heeft verricht. [eiser] heeft onvoldoende toegelicht en onderbouwd dat dit wel het geval is geweest. Het enkel stellen dat onrechtmatig is gehandeld zonder bewijs daarvan over te leggen is onvoldoende.
4.6.
Hetzelfde geldt voor het geval dat [eiser] heeft willen aanvoeren dat de gemeente een onrechtmatige daad heeft gepleegd door geen actie te ondernemen naar aanleiding van meldingen van buurtbewoners over een overlastgevende buurtbewoner. Ook deze stelling is onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft weliswaar verklaringen overgelegd van buurtbewoners die verklaren over de veroorzaakte overlast maar uit deze verklaringen volgt niet dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld. Verder is niet gebleken dat het recht op eigendom en het recht op bescherming tegen willekeurige inbreuken door de overheid is geschonden.
4.7.
Voor zover de gemeente aansprakelijk zou zijn, wat naar het oordeel van de kantonrechter dus niet het geval is, geldt dat [eiser] een schadevergoeding heeft gevorderd en geen voorschot daarop. In kort geding kan alleen een voorschot op een schadevergoeding worden toegewezen. Een gewone procedure waarin een geschil definitief wordt beslist (een bodemprocedure) is nodig om te bepalen of echt recht bestaat op schadevergoeding. [eiser] heeft de omvang van zijn schade verder onvoldoende onderbouwd. Hij heeft ter onderbouwing van zijn schade foto’s en screenshots overgelegd van goederen die vermist zijn, maar dat is onvoldoende om de omvang van de door hem gestelde schade te kunnen bepalen. Hetzelfde geldt voor de verklaring over de op zolder opgeslagen de etenswaren. Ook om die redenen is de vordering van [eiser] tot het betalen van € 22.500,00 aan schadevergoeding niet toewijsbaar.
4.8.
[eiser] vordert verder dat de gemeente wordt veroordeeld zorg te dragen voor nieuwe huisvesting. Deze vordering wordt eveneens afgewezen. [eiser] heeft zijn vordering onvoldoende onderbouwd en er bestaat geen wettelijke grondslag voor toewijzing van een dergelijke vordering.
4.9.
Tot slot heeft [eiser] gevorderd dat de kantonrechter de gemeente beveelt om binnen redelijke termijn van 3 dagen op alle eerdere verzoeken van [eiser] te reageren. Ook dit deel van de vordering wordt afgewezen. [eiser] heeft zijn vordering onvoldoende concreet gemaakt. Onduidelijk is op welke eerdere verzoeken [eiser] precies doelt en welk gerechtvaardigd belang hij daarbij heeft.
4.10.
De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
4.11.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
678,00
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Flipse en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2024.