Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-11-14
ECLI:NL:RBNHO:2024:14101
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,086 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/357336 / JU RK 24-1416
Datum uitspraak: 14 november 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[begeleider] , begeleider van de ouders van Maatwerk in Zorg;
de pleegouders.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 september 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, telefonisch bijgestaan door mr. P.J. van de Pol;
- de moeder;
[vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] als vertegenwoordigers van de GI;
[begeleider] .
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.2.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven in een perspectiefbiedend pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] bij beschikking van 27 november 2020 onder
toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling steeds is verlengd en nu nog voortduurt tot 27
november 2024. [de minderjarige 2] is bij beschikking van 21 november 2023 onder toezicht gesteld tot 21
november 2024.
2.4.
Bij beschikking van 17 mei 2021 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging
verleend om [de minderjarige 1] met ingang van 15 mei 2021 uit huis te plaatsen in een voorziening
voor pleegzorg. Deze machtiging is vervolgens steeds verlengd en heeft geduurd tot 27 mei
2023.
2.5.
Bij beschikking van 13 februari 2024 heeft de kinderrechter wederom een
spoedmachtiging verleend om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een voorziening voor
pleegzorg voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 11 april 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 21 november 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de termijn van de verlengingen voor beide kinderen gelijk te laten lopen. Ook verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een pleeggezin met ingang van 21 november 2024 voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De kinderen verblijven sinds 13 februari 2024 in een perspectiefbiedend pleeggezin en door Kenter pleegzorg en de GI wordt gezien dat de kinderen zich daar goed ontwikkelen en een hechte band hebben opgebouwd met de pleegouders.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zien hun ouders sinds de uithuisplaatsing één keer per maand een uur. Dit is vier keer begeleid door de GI en wordt nu begeleid door Jij & Co. De eerste keren werd gezien dat [de minderjarige 1] onrustig terug kwam van de omgang. Zij was dan erg huilerig en niet meer zindelijk, terwijl dit al maanden goed ging. Ook op de opvang, waar de kinderen twee keer per week naartoe gaan, werd ander gedrag gezien bij [de minderjarige 1] wanneer zij contact had gehad met haar ouders. Sinds de omgang niet meer plaatsvindt op het kantoor van de GI maar op een kinderboerderij lijkt dit beter te gaan. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] laten nu na de omgang met de ouders geen veranderingen in gedrag zien en met name [de minderjarige 1] lijkt te genieten van het contact, maar heeft ook elke keer weer zin om terug te gaan naar haar pleegouders.
De GI merkt dat er nog steeds veel boosheid vanuit ouders richting pleegouders is. In het verleden heeft dit al eens voor een overplaatsing van [de minderjarige 1] naar een ander pleeggezin gezorgd. De GI wil dit ten alle tijden voorkomen en heeft er daarom voor gekozen dat de plaatsing van beide kinderen voorlopig een geheime plaatsing zal zijn. Er is dan ook geen contact tussen ouders en pleegouders.De GI heeft sinds de uithuisplaatsing slechter contact met de ouders. De ouders en dan met name vader zijn regelmatig erg agressief richting de GI en Kenter pleegzorg. Dit zorgt ervoor dat er moeilijk tot geen constructieve afspraken te maken zijn met de ouders. Alle fysieke gesprekken met ouders worden vanwege de onvoorspelbaarheid/onveiligheid vanuit de vader vanaf mei 2024 enkel gevoerd in aanwezigheid van de begeleider(s) vanuit Maatwerk in zorg. De ouders geven in april 2024 de paspoorten van de kinderen niet af, voor een vakantie naar het buitenland, omdat zij hier niet achter staan. Uiteindelijk is dit na een schriftelijke aanwijzing en bemiddeling vanuit de advocaat van de ouders wel gelukt. Verder geven ouders geen toestemming voor een bezoek van [de minderjarige 1] bij de kinderarts (in verband met vermoedens van FAS). Na meerdere gesprekken en in samenspraak met de advocaat van ouders is dit uiteindelijk toch gelukt.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) doet momenteel onderzoek naar de vraag of een gezagsbeëindigende maatregel nodig is. Totdat hier meer duidelijk over is dient een gedwongen kader van kracht te blijven om de plaatsing bij de pleegouders te borgen. Bij de ouders is geen probleembesef, ze werken niet mee met de hulpverlening en ze staan niet achter de plaatsing.
4De standpunten
4.1.
De moeder staat niet achter de verzoeken. De moeder maakt zich zorgen over de [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de pleegouders. De moeder krijgt elke twee weken foto’s van de kinderen en daarop zien de kinderen er onverzorgd uit.
4.2.
Door en namens de vader is het volgende naar voren gebracht. De vader drinkt niet meer, blowt af en toe en de moeder gaat naar Brijder en krijgt medicatie. De scheiding tussen de ouders is bijna rond en volgende week krijgt de moeder een eigen woning. De vader is agressief geweest tegen de hulpverlening omdat de situatie hem veel verdriet doet, maar van agressie is nu geen sprake meer. De vader praat in straattaal en dat kan worden opgevat als agressief. De vader wil nog een kans krijgen om te laten zien dat hij een goede vader voor de kinderen kan zijn. De vader maakt zich zorgen over de plaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in het pleeggezin, omdat hij niks van de pleegouders weet. De vader wil graag weten of de kinderen halal eten en of er rekening gehouden wordt met zijn geloof. De vader geeft steeds boodschappen en kleding mee maar ziet nooit dat de kleding door de kinderen gedragen worden. Wel ziet de vader dat de pleegouders een stabiele factor zijn voor de kinderen. De vader zou graag kennis maken met de pleegouders en wil op goede voet met hen verder. De vader verzoekt de verzoeken toe te wijzen voor de duur van zes maanden. Naar verwachting zal het onderzoek naar de gezagsbeëindigende maatregel afgerond zijn in het eerste kwartaal van 2025. Als het gezag wordt beëindigd is de machtiging tot uithuisplaatsing niet meer nodig.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] groeien nog steeds zodanig op dat zij in hun ontwikkeling worden bedreigd. Niet is gebleken dat de eerder door de rechtbank bij de ouders geconstateerde problemen zijn afgenomen. Zo is bij beide ouders sprake (geweest) van verslaving en bij vader van agressieproblematiek. Jarenlange intensieve hulpverlening heeft niet tot verbetering geleid. Het is duidelijk dat de ouders veel van de kinderen houden en het beste met ze voor hebben, maar zij kunnen door hun persoonlijke problematiek niet zorgen voor een veilige thuissituatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
5.2.
Ook blijkt dat de zorg die voor het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is in
dit geval niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Langdurige hulpverlening heeft niet geleid tot verbetering van de situatie. Het ontbreekt ouders aan probleembesef en het contact met de GI is sinds de uithuisplaatsing alleen maar verslechterd.
5.3.
Nu het onderzoek naar gezagsbeeïndiging nog niet is afgerond, moet er in het kader van deze procedure van uit worden gegaan dat de ouders, die het gezag uitoefenen, binnen een gelet op de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aanvaardbaar te achten termijn, in staat zullen zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen.
5.4.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] verlengen tot 21 november 2025.
5.5.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). Het is belangrijk dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de pleegouders blijven wonen. Het opvoedperspectief van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is al bepaald bij de pleegouders en -bij beschikking van 11 april 2024- getoetst door de rechtbank. Op dit moment wordt door de Raad onderzocht of een gezagsbeëindigende maatregel nodig is. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ontwikkelen zich goed in het pleeggezin en de GI deelt de zorgen van de ouders over het pleeggezin niet. De moeder staat niet achter de plaatsing in het pleeggezin en de vader staat hier wisselend tegenover. Een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing is daarom nodig om de plaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in het pleeggezin te borgen. Dat is nodig voor de duur van een jaar omdat het naar verwachting langer dan een half jaar duurt voordat het onderzoek door de Raad is afgerond en behandeld. Het zou onnodig veel spanning opleveren voor alle betrokkenen als er in de tussentijd nogmaals moet worden beslist over een verlenging van de maatregelen. In alle gevallen wordt het in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] geacht dat de ouders blijven werken aan hun drank- en middelengebruik en agressie. Dat komt hun samenwerking met de hulpverlening en het contact met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ten goede.
5.6.
De kinderrechter zal daarom de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengen tot 21 november 2025.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] tot 21 november 2025;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 21 november 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2024 door mr. C.E. Voskens, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.E.J. van Schie als griffier, en op schrift gesteld op 3 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/357336 / JU RK 24-1416
Datum uitspraak: 14 november 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[begeleider] , begeleider van de ouders van Maatwerk in Zorg;
de pleegouders.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 september 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, telefonisch bijgestaan door mr. P.J. van de Pol;
- de moeder;
[vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] als vertegenwoordigers van de GI;
[begeleider] .
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.2.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven in een perspectiefbiedend pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] bij beschikking van 27 november 2020 onder
toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling steeds is verlengd en nu nog voortduurt tot 27
november 2024. [de minderjarige 2] is bij beschikking van 21 november 2023 onder toezicht gesteld tot 21
november 2024.
2.4.
Bij beschikking van 17 mei 2021 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging
verleend om [de minderjarige 1] met ingang van 15 mei 2021 uit huis te plaatsen in een voorziening
voor pleegzorg. Deze machtiging is vervolgens steeds verlengd en heeft geduurd tot 27 mei
2023.
2.5.
Bij beschikking van 13 februari 2024 heeft de kinderrechter wederom een
spoedmachtiging verleend om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een voorziening voor
pleegzorg voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 11 april 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 21 november 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de termijn van de verlengingen voor beide kinderen gelijk te laten lopen. Ook verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een pleeggezin met ingang van 21 november 2024 voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De kinderen verblijven sinds 13 februari 2024 in een perspectiefbiedend pleeggezin en door Kenter pleegzorg en de GI wordt gezien dat de kinderen zich daar goed ontwikkelen en een hechte band hebben opgebouwd met de pleegouders.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zien hun ouders sinds de uithuisplaatsing één keer per maand een uur. Dit is vier keer begeleid door de GI en wordt nu begeleid door Jij & Co. De eerste keren werd gezien dat [de minderjarige 1] onrustig terug kwam van de omgang. Zij was dan erg huilerig en niet meer zindelijk, terwijl dit al maanden goed ging. Ook op de opvang, waar de kinderen twee keer per week naartoe gaan, werd ander gedrag gezien bij [de minderjarige 1] wanneer zij contact had gehad met haar ouders. Sinds de omgang niet meer plaatsvindt op het kantoor van de GI maar op een kinderboerderij lijkt dit beter te gaan. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] laten nu na de omgang met de ouders geen veranderingen in gedrag zien en met name [de minderjarige 1] lijkt te genieten van het contact, maar heeft ook elke keer weer zin om terug te gaan naar haar pleegouders.
De GI merkt dat er nog steeds veel boosheid vanuit ouders richting pleegouders is. In het verleden heeft dit al eens voor een overplaatsing van [de minderjarige 1] naar een ander pleeggezin gezorgd. De GI wil dit ten alle tijden voorkomen en heeft er daarom voor gekozen dat de plaatsing van beide kinderen voorlopig een geheime plaatsing zal zijn. Er is dan ook geen contact tussen ouders en pleegouders.De GI heeft sinds de uithuisplaatsing slechter contact met de ouders. De ouders en dan met name vader zijn regelmatig erg agressief richting de GI en Kenter pleegzorg. Dit zorgt ervoor dat er moeilijk tot geen constructieve afspraken te maken zijn met de ouders. Alle fysieke gesprekken met ouders worden vanwege de onvoorspelbaarheid/onveiligheid vanuit de vader vanaf mei 2024 enkel gevoerd in aanwezigheid van de begeleider(s) vanuit Maatwerk in zorg. De ouders geven in april 2024 de paspoorten van de kinderen niet af, voor een vakantie naar het buitenland, omdat zij hier niet achter staan. Uiteindelijk is dit na een schriftelijke aanwijzing en bemiddeling vanuit de advocaat van de ouders wel gelukt. Verder geven ouders geen toestemming voor een bezoek van [de minderjarige 1] bij de kinderarts (in verband met vermoedens van FAS). Na meerdere gesprekken en in samenspraak met de advocaat van ouders is dit uiteindelijk toch gelukt.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) doet momenteel onderzoek naar de vraag of een gezagsbeëindigende maatregel nodig is. Totdat hier meer duidelijk over is dient een gedwongen kader van kracht te blijven om de plaatsing bij de pleegouders te borgen. Bij de ouders is geen probleembesef, ze werken niet mee met de hulpverlening en ze staan niet achter de plaatsing.
4De standpunten
4.1.
De moeder staat niet achter de verzoeken. De moeder maakt zich zorgen over de [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de pleegouders. De moeder krijgt elke twee weken foto’s van de kinderen en daarop zien de kinderen er onverzorgd uit.
4.2.
Door en namens de vader is het volgende naar voren gebracht. De vader drinkt niet meer, blowt af en toe en de moeder gaat naar Brijder en krijgt medicatie. De scheiding tussen de ouders is bijna rond en volgende week krijgt de moeder een eigen woning. De vader is agressief geweest tegen de hulpverlening omdat de situatie hem veel verdriet doet, maar van agressie is nu geen sprake meer. De vader praat in straattaal en dat kan worden opgevat als agressief. De vader wil nog een kans krijgen om te laten zien dat hij een goede vader voor de kinderen kan zijn. De vader maakt zich zorgen over de plaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in het pleeggezin, omdat hij niks van de pleegouders weet. De vader wil graag weten of de kinderen halal eten en of er rekening gehouden wordt met zijn geloof. De vader geeft steeds boodschappen en kleding mee maar ziet nooit dat de kleding door de kinderen gedragen worden. Wel ziet de vader dat de pleegouders een stabiele factor zijn voor de kinderen. De vader zou graag kennis maken met de pleegouders en wil op goede voet met hen verder. De vader verzoekt de verzoeken toe te wijzen voor de duur van zes maanden. Naar verwachting zal het onderzoek naar de gezagsbeëindigende maatregel afgerond zijn in het eerste kwartaal van 2025. Als het gezag wordt beëindigd is de machtiging tot uithuisplaatsing niet meer nodig.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] groeien nog steeds zodanig op dat zij in hun ontwikkeling worden bedreigd. Niet is gebleken dat de eerder door de rechtbank bij de ouders geconstateerde problemen zijn afgenomen. Zo is bij beide ouders sprake (geweest) van verslaving en bij vader van agressieproblematiek. Jarenlange intensieve hulpverlening heeft niet tot verbetering geleid. Het is duidelijk dat de ouders veel van de kinderen houden en het beste met ze voor hebben, maar zij kunnen door hun persoonlijke problematiek niet zorgen voor een veilige thuissituatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
5.2.
Ook blijkt dat de zorg die voor het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is in
dit geval niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Langdurige hulpverlening heeft niet geleid tot verbetering van de situatie. Het ontbreekt ouders aan probleembesef en het contact met de GI is sinds de uithuisplaatsing alleen maar verslechterd.
5.3.
Nu het onderzoek naar gezagsbeeïndiging nog niet is afgerond, moet er in het kader van deze procedure van uit worden gegaan dat de ouders, die het gezag uitoefenen, binnen een gelet op de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aanvaardbaar te achten termijn, in staat zullen zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen.
5.4.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] verlengen tot 21 november 2025.
5.5.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). Het is belangrijk dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de pleegouders blijven wonen. Het opvoedperspectief van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is al bepaald bij de pleegouders en -bij beschikking van 11 april 2024- getoetst door de rechtbank. Op dit moment wordt door de Raad onderzocht of een gezagsbeëindigende maatregel nodig is. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ontwikkelen zich goed in het pleeggezin en de GI deelt de zorgen van de ouders over het pleeggezin niet. De moeder staat niet achter de plaatsing in het pleeggezin en de vader staat hier wisselend tegenover. Een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing is daarom nodig om de plaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in het pleeggezin te borgen. Dat is nodig voor de duur van een jaar omdat het naar verwachting langer dan een half jaar duurt voordat het onderzoek door de Raad is afgerond en behandeld. Het zou onnodig veel spanning opleveren voor alle betrokkenen als er in de tussentijd nogmaals moet worden beslist over een verlenging van de maatregelen. In alle gevallen wordt het in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] geacht dat de ouders blijven werken aan hun drank- en middelengebruik en agressie. Dat komt hun samenwerking met de hulpverlening en het contact met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ten goede.
5.6.
De kinderrechter zal daarom de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengen tot 21 november 2025.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] tot 21 november 2025;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 21 november 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2024 door mr. C.E. Voskens, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.E.J. van Schie als griffier, en op schrift gesteld op 3 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.