Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-11-21
ECLI:NL:RBNHO:2024:13994
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,916 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-072297-22 (P)
Uitspraakdatum: 21 november 2024
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 november 2024 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M.A. Hobbelink, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.C. Boucher, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 23 augustus 2021 te Velsen-Noord, gemeente Velsen alsverkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmederijdende over de weg, A 22 zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld tewijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk,onvoorzichtig en/of onoplettend,- niet te stoppen bij geel licht en/of rood licht, maar de kruising op te rijden en op tebotsen tegen een van links bij groen licht de kruising oprijdende motorfiets,waardoor aan de bestuurder van die motorfiets (genaamd [slachtoffer] )zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken nekwervel, een verbrijzeld been eneen afgestroopt stuk huid, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, datdaaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normalebezigheden is ontstaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 23 augustus 2021 te Velsen-Noord, gemeente Velsen alsbestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A 22,niet is gestopt voor geel en/of rood licht, door welke gedraging(en) van verdachtegevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of hetverkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
2Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd van de zaak kennis te nemen, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich in het verkeer aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen, waardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij aan een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken, aangezien enkel sprake was van het eenmalig negeren van een rood verkeerslicht. Dit kan niet worden gekwalificeerd als verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid en daarmee wordt de ondergrens van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) niet gehaald. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.2.
Bewijsmotivering
Juridisch kader
Om tot een bewezenverklaring van artikel 6 WVW te kunnen komen, moet worden vastgesteld dat een verdachte zich in het verkeer zo heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor iemand is gedood of – kort gezegd – zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bij beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van dit artikel komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bezien moet worden of de verdachte “minder nadacht, wist, beleidvol was dan de mensch in het algemeen”, dus of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid (Hoge Raad 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1457). Dit toetsingskader brengt mee dat niet in zijn algemeenheid kan worden aangegeven of een enkele verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Verder moet worden opgemerkt dat niet slechts uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld.
Uit de rechtspraak volgt verder dat niet als algemene regel kan worden gesteld dat schuld in de zin van artikel 6 WVW in geen geval bewezenverklaard kan worden als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.
Feiten
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 23 augustus 2021 reed de verdachte als bestuurder van een personenauto over de afslag Beverwijk/Velsen/IJmuiden van de A22 in de richting van de Velsertraverse. Het slachtoffer reed als bestuurder van een motorfiets over de Velsertraverse in de richting van Velsen-Noord/Wijk aan Zee. Ter plaatse werd het verkeer geregeld met een in werking zijnde verkeersregelinstallatie (VRI). Het slachtoffer reed, toen het voor hem geldende verkeerslicht groen uitstraalde, de kruising op. De verdachte vervolgde zijn weg over het kruispunt, terwijl uit de data van de VRI is gebleken dat het voor hem geldende verkeerslicht al gedurende drie seconden geel en daarna minimaal twee seconden rood licht uitstraalde toen hij de stopstreep passeerde. De verdachte is vervolgens tegen het slachtoffer aangereden toen hij halverwege het kruispunt reed. Het slachtoffer heeft hierbij een gebroken nekwervel en een verbrijzeld onderbeen opgelopen. Ook mistte het onderbeen een stuk weefsel.
De verklaring van de verdachte
De verdachte heeft verklaard dat hij zag dat het verkeerslicht groen licht uitstraalde en dat het verkeerslicht naar geel licht verkleurde toen hij bij de stopstreep was aangekomen. Toen hij het verkeerslicht was gepasseerd, zag hij plotseling het slachtoffer en kon hij niet meer op tijd remmen. Volgens de verdachte reed hij op de afrit 100 kilometer per uur, verminderde hij richting het stoplicht vaart tot ongeveer 40 kilometer per uur en is hij remmend de kruising opgereden. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij niet was afgeleid, dat hij goed zicht had op de verkeerslichten en dat hij bekend was met de kruising en die op dat moment goed kon overzien.
Beoordeling
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de verdachte heeft gezien dat het verkeerslicht op geel sprong, dat de verdachte niet gestopt is en dat hij vervolgens een rood verkeerslicht heeft gepasseerd. Van een gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat wordt gestopt bij een geel verkeerslicht (tenzij dit op een veilige wijze niet meer mogelijk is) en bij een rood verkeerslicht. Er waren geen belemmeringen in het zicht en het verkeer voor de verdachte om te stoppen voor het verkeerslicht toen dat drie seconden geel licht uitstraalde. Dat het verkeerslicht pas geel licht uitstraalde, op het moment dat de verdachte bij de stopstreep reed, zoals door de verdachte is verklaard, is in strijd met de objectieve bevindingen uit het onderzoek en kan daarom niet juist zijn. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat de verdachte had kunnen en moeten stoppen voor het gele verkeerslicht. Vervolgens heeft het verkeerslicht onder dezelfde niet belemmerende omstandigheden nog minimaal twee seconden rood licht uitgestraald en ook toen is de verdachte niet gestopt waar hij dit kon en moest doen. Dit is een ernstige verkeersfout. Dat geldt te meer bij een grote gevaarlijke kruising als waar verdachte en het slachtoffer reden en de verdachte het slachtoffer voorrang had moeten verlenen.
Voor zover de raadsvrouw heeft aangevoerd dat enkel sprake is geweest van een kort moment van onoplettendheid en geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, stelt de rechtbank vast dat de verdachte niet verklaard heeft dat hij enig moment niet heeft opgelet. Integendeel, de verdachte heeft verklaard dat hij telkens zijn blik op de verkeerslichten had en niet was afgeleid. De bevindingen in het dossier geven ook geen aanleiding om aan te nemen dat de verdachte onoplettend is geweest. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte het voor hem gele en vervolgens rode verkeerslicht heeft genegeerd en vervolgens het slachtoffer, dat het kruispunt overstak nadat het voor hem geldende verkeerslicht groen uitstraalde, niet tijdig heeft opgemerkt als gevolg waarvan het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag. Schuld in de zin van artikel 6 WVW is daarmee bewezen.
Uit de medische stukken in het dossier blijkt dat het slachtoffer een gebroken nekwervel, een verbrijzeld been en een afgestroopt stuk huid heeft opgelopen. Gelet op de operaties die moesten worden uitgevoerd en de hoeveelheid letsels is er, zowel gelet op de aard van het medisch ingrijpen als naar algemeen spraakgebruik, zonder meer sprake van zwaar lichamelijk letsel.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 23 augustus 2021 te Velsen-Noord, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, A22, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig,- niet te stoppen bij geel licht en rood licht, maar de kruising op te rijden en op te botsen tegen een van links bij groen licht de kruising oprijdende motorfiets, waardoor aan de bestuurder van die motorfiets (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken nekwervel, een verbrijzeld been en een afgestroopt stuk huid werd toegebracht.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis. Verder heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met een proeftijd van twee jaren, en een geldboete van 250 euro. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (hierna: ‘EVRM’). Verder heeft de raadsvrouw de rechtbank, in verband met de door haar bepleite vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit, verzocht een geldboete op te leggen. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en hem geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen op te leggen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij hij aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. Hij heeft immers op een kruispunt een geel en vervolgens rood licht genegeerd, waardoor hij in botsing kwam met een motorrijder. Met zijn onvoorzichtige rijgedrag heeft de verdachte onaanvaardbare risico’s voor de verkeersveiligheid genomen en heeft hij zijn verantwoordelijkheid als weggebruiker veronachtzaamd. Het slachtoffer heeft bij het ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen en moest als gevolg van de verwondingen meerdere operaties ondergaan. Uit de verklaring van het slachtoffer in het dossier is duidelijk geworden dat het ongeval een grote impact op zijn leven heeft en dat hij, ruim drie jaar later, nog altijd last heeft van de gevolgen daarvan.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 1 oktober 2024. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder voor strafbare feiten in het verkeer is veroordeeld. De rechtbank weegt deze omstandigheid in het nadeel van de verdachte mee.
Ook neemt de rechtbank in aanmerking wat de verdachte naar voren heeft gebracht over zijn persoonlijke omstandigheden. Hij vindt het verschrikkelijk dat hij het ongeval heeft veroorzaakt en dat het verregaande gevolgen heeft gehad voor het slachtoffer. Hij heeft diverse malen zijn spijt betuigd, waarbij hij een oprechte indruk op de rechtbank maakte. Daarnaast is gebleken dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en de zorg voor zijn ouders.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank constateert dat het recht van elke verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden. De rechtbank stelt vast dat de verdachte voor het eerst als verdachte is gehoord op 13 december 2021. In dit verhoor is de verdachte geconfronteerd met de bevindingen uit het onderzoek die erop wezen dat de verdachte door rood is gereden. De rechtbank neemt deze datum daarom als startdatum voor de beoordeling van de redelijke termijn. Het uitgangspunt is dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt. De uitspraak wordt gedaan op 21 november 2024. Een en ander maakt dat op de datum van de uitspraak de redelijke termijn met bijna elf maanden is overschreden. Deze vertraging is niet aan de verdachte te wijten en de zaak had eerder behandeld moeten worden. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is geschonden en is van oordeel dat deze overschrijding moet worden gecompenseerd in de straftoemeting.
De op te leggen straf
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Op basis van die oriëntatiepunten wordt in de regel voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en waarbij bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, een taakstraf voor de duur van 120 uren opgelegd en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.
De rechtbank heeft geconstateerd dat het taakstrafverbod zoals neergelegd in artikel 22b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is. De verdachte is namelijk in 2018, dus binnen de periode van vijf jaar voorafgaand aan het gepleegde feit van 23 augustus 2021, door de politierechter veroordeeld voor een soortgelijk feit (artikel 9 lid 2 WVW, het rijden zonder geldig rijbewijs), waarbij hem onder andere een taakstraf is opgelegd. Deze taakstraf heeft de verdachte verricht. Volgens het bepaalde in artikel 22b lid 3 Sr zou dan alleen een taakstraf mogen worden opgelegd als daarnaast een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd. De rechtbank acht het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, mede vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, echter niet passend. De rechtbank zal aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van drie weken, met een proeftijd van twee jaren. Met deze straf beoogt de rechtbank enerzijds recht te doen aan de ernst van het feit en anderzijds de verdachte ervan te doordringen dat hij zich aan alle verkeersregels dient te houden. De verdachte is daarmee een gewaarschuwd mens. Daarnaast legt de rechtbank de verdachte een taakstraf op voor de duur van 80 uren, die vervangen zal worden door 40 dagen hechtenis, indien hij deze straf niet of niet naar behoren verricht.
7Bijkomende straffen
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen dient te worden ontzegd voor de duur van zes maanden. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat verdachte er voor het einde van die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het primair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) weken, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee (2) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van tachtig (80) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door veertig (40) dagen hechtenis.
Veroordeelt de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes (6) maanden. Beveelt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee (2) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. S. Mac Donald, voorzitter,
mr. E.M. van Poecke en mr. M. Ramondt, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. S.D.C. Schoenmaker,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 november 2024.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-072297-22 (P)
Uitspraakdatum: 21 november 2024
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 november 2024 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M.A. Hobbelink, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.C. Boucher, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 23 augustus 2021 te Velsen-Noord, gemeente Velsen alsverkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmederijdende over de weg, A 22 zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld tewijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk,onvoorzichtig en/of onoplettend,- niet te stoppen bij geel licht en/of rood licht, maar de kruising op te rijden en op tebotsen tegen een van links bij groen licht de kruising oprijdende motorfiets,waardoor aan de bestuurder van die motorfiets (genaamd [slachtoffer] )zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken nekwervel, een verbrijzeld been eneen afgestroopt stuk huid, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, datdaaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normalebezigheden is ontstaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 23 augustus 2021 te Velsen-Noord, gemeente Velsen alsbestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A 22,niet is gestopt voor geel en/of rood licht, door welke gedraging(en) van verdachtegevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of hetverkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
2Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd van de zaak kennis te nemen, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich in het verkeer aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen, waardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij aan een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken, aangezien enkel sprake was van het eenmalig negeren van een rood verkeerslicht. Dit kan niet worden gekwalificeerd als verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid en daarmee wordt de ondergrens van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) niet gehaald. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.2.
Bewijsmotivering
Juridisch kader
Om tot een bewezenverklaring van artikel 6 WVW te kunnen komen, moet worden vastgesteld dat een verdachte zich in het verkeer zo heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor iemand is gedood of – kort gezegd – zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bij beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van dit artikel komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bezien moet worden of de verdachte “minder nadacht, wist, beleidvol was dan de mensch in het algemeen”, dus of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid (Hoge Raad 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1457). Dit toetsingskader brengt mee dat niet in zijn algemeenheid kan worden aangegeven of een enkele verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Verder moet worden opgemerkt dat niet slechts uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld.
Uit de rechtspraak volgt verder dat niet als algemene regel kan worden gesteld dat schuld in de zin van artikel 6 WVW in geen geval bewezenverklaard kan worden als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.
Feiten
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 23 augustus 2021 reed de verdachte als bestuurder van een personenauto over de afslag Beverwijk/Velsen/IJmuiden van de A22 in de richting van de Velsertraverse. Het slachtoffer reed als bestuurder van een motorfiets over de Velsertraverse in de richting van Velsen-Noord/Wijk aan Zee. Ter plaatse werd het verkeer geregeld met een in werking zijnde verkeersregelinstallatie (VRI). Het slachtoffer reed, toen het voor hem geldende verkeerslicht groen uitstraalde, de kruising op. De verdachte vervolgde zijn weg over het kruispunt, terwijl uit de data van de VRI is gebleken dat het voor hem geldende verkeerslicht al gedurende drie seconden geel en daarna minimaal twee seconden rood licht uitstraalde toen hij de stopstreep passeerde. De verdachte is vervolgens tegen het slachtoffer aangereden toen hij halverwege het kruispunt reed. Het slachtoffer heeft hierbij een gebroken nekwervel en een verbrijzeld onderbeen opgelopen. Ook mistte het onderbeen een stuk weefsel.
De verklaring van de verdachte
De verdachte heeft verklaard dat hij zag dat het verkeerslicht groen licht uitstraalde en dat het verkeerslicht naar geel licht verkleurde toen hij bij de stopstreep was aangekomen. Toen hij het verkeerslicht was gepasseerd, zag hij plotseling het slachtoffer en kon hij niet meer op tijd remmen. Volgens de verdachte reed hij op de afrit 100 kilometer per uur, verminderde hij richting het stoplicht vaart tot ongeveer 40 kilometer per uur en is hij remmend de kruising opgereden. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij niet was afgeleid, dat hij goed zicht had op de verkeerslichten en dat hij bekend was met de kruising en die op dat moment goed kon overzien.
Beoordeling
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de verdachte heeft gezien dat het verkeerslicht op geel sprong, dat de verdachte niet gestopt is en dat hij vervolgens een rood verkeerslicht heeft gepasseerd. Van een gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat wordt gestopt bij een geel verkeerslicht (tenzij dit op een veilige wijze niet meer mogelijk is) en bij een rood verkeerslicht. Er waren geen belemmeringen in het zicht en het verkeer voor de verdachte om te stoppen voor het verkeerslicht toen dat drie seconden geel licht uitstraalde. Dat het verkeerslicht pas geel licht uitstraalde, op het moment dat de verdachte bij de stopstreep reed, zoals door de verdachte is verklaard, is in strijd met de objectieve bevindingen uit het onderzoek en kan daarom niet juist zijn. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat de verdachte had kunnen en moeten stoppen voor het gele verkeerslicht. Vervolgens heeft het verkeerslicht onder dezelfde niet belemmerende omstandigheden nog minimaal twee seconden rood licht uitgestraald en ook toen is de verdachte niet gestopt waar hij dit kon en moest doen. Dit is een ernstige verkeersfout. Dat geldt te meer bij een grote gevaarlijke kruising als waar verdachte en het slachtoffer reden en de verdachte het slachtoffer voorrang had moeten verlenen.
Voor zover de raadsvrouw heeft aangevoerd dat enkel sprake is geweest van een kort moment van onoplettendheid en geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, stelt de rechtbank vast dat de verdachte niet verklaard heeft dat hij enig moment niet heeft opgelet. Integendeel, de verdachte heeft verklaard dat hij telkens zijn blik op de verkeerslichten had en niet was afgeleid. De bevindingen in het dossier geven ook geen aanleiding om aan te nemen dat de verdachte onoplettend is geweest. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte het voor hem gele en vervolgens rode verkeerslicht heeft genegeerd en vervolgens het slachtoffer, dat het kruispunt overstak nadat het voor hem geldende verkeerslicht groen uitstraalde, niet tijdig heeft opgemerkt als gevolg waarvan het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag. Schuld in de zin van artikel 6 WVW is daarmee bewezen.
Uit de medische stukken in het dossier blijkt dat het slachtoffer een gebroken nekwervel, een verbrijzeld been en een afgestroopt stuk huid heeft opgelopen. Gelet op de operaties die moesten worden uitgevoerd en de hoeveelheid letsels is er, zowel gelet op de aard van het medisch ingrijpen als naar algemeen spraakgebruik, zonder meer sprake van zwaar lichamelijk letsel.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 23 augustus 2021 te Velsen-Noord, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, A22, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig,- niet te stoppen bij geel licht en rood licht, maar de kruising op te rijden en op te botsen tegen een van links bij groen licht de kruising oprijdende motorfiets, waardoor aan de bestuurder van die motorfiets (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken nekwervel, een verbrijzeld been en een afgestroopt stuk huid werd toegebracht.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis. Verder heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met een proeftijd van twee jaren, en een geldboete van 250 euro. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (hierna: ‘EVRM’). Verder heeft de raadsvrouw de rechtbank, in verband met de door haar bepleite vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit, verzocht een geldboete op te leggen. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en hem geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen op te leggen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij hij aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. Hij heeft immers op een kruispunt een geel en vervolgens rood licht genegeerd, waardoor hij in botsing kwam met een motorrijder. Met zijn onvoorzichtige rijgedrag heeft de verdachte onaanvaardbare risico’s voor de verkeersveiligheid genomen en heeft hij zijn verantwoordelijkheid als weggebruiker veronachtzaamd. Het slachtoffer heeft bij het ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen en moest als gevolg van de verwondingen meerdere operaties ondergaan. Uit de verklaring van het slachtoffer in het dossier is duidelijk geworden dat het ongeval een grote impact op zijn leven heeft en dat hij, ruim drie jaar later, nog altijd last heeft van de gevolgen daarvan.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 1 oktober 2024. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder voor strafbare feiten in het verkeer is veroordeeld. De rechtbank weegt deze omstandigheid in het nadeel van de verdachte mee.
Ook neemt de rechtbank in aanmerking wat de verdachte naar voren heeft gebracht over zijn persoonlijke omstandigheden. Hij vindt het verschrikkelijk dat hij het ongeval heeft veroorzaakt en dat het verregaande gevolgen heeft gehad voor het slachtoffer. Hij heeft diverse malen zijn spijt betuigd, waarbij hij een oprechte indruk op de rechtbank maakte. Daarnaast is gebleken dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en de zorg voor zijn ouders.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank constateert dat het recht van elke verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden. De rechtbank stelt vast dat de verdachte voor het eerst als verdachte is gehoord op 13 december 2021. In dit verhoor is de verdachte geconfronteerd met de bevindingen uit het onderzoek die erop wezen dat de verdachte door rood is gereden. De rechtbank neemt deze datum daarom als startdatum voor de beoordeling van de redelijke termijn. Het uitgangspunt is dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt. De uitspraak wordt gedaan op 21 november 2024. Een en ander maakt dat op de datum van de uitspraak de redelijke termijn met bijna elf maanden is overschreden. Deze vertraging is niet aan de verdachte te wijten en de zaak had eerder behandeld moeten worden. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is geschonden en is van oordeel dat deze overschrijding moet worden gecompenseerd in de straftoemeting.
De op te leggen straf
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Op basis van die oriëntatiepunten wordt in de regel voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en waarbij bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, een taakstraf voor de duur van 120 uren opgelegd en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.
De rechtbank heeft geconstateerd dat het taakstrafverbod zoals neergelegd in artikel 22b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is. De verdachte is namelijk in 2018, dus binnen de periode van vijf jaar voorafgaand aan het gepleegde feit van 23 augustus 2021, door de politierechter veroordeeld voor een soortgelijk feit (artikel 9 lid 2 WVW, het rijden zonder geldig rijbewijs), waarbij hem onder andere een taakstraf is opgelegd. Deze taakstraf heeft de verdachte verricht. Volgens het bepaalde in artikel 22b lid 3 Sr zou dan alleen een taakstraf mogen worden opgelegd als daarnaast een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd. De rechtbank acht het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, mede vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, echter niet passend. De rechtbank zal aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van drie weken, met een proeftijd van twee jaren. Met deze straf beoogt de rechtbank enerzijds recht te doen aan de ernst van het feit en anderzijds de verdachte ervan te doordringen dat hij zich aan alle verkeersregels dient te houden. De verdachte is daarmee een gewaarschuwd mens. Daarnaast legt de rechtbank de verdachte een taakstraf op voor de duur van 80 uren, die vervangen zal worden door 40 dagen hechtenis, indien hij deze straf niet of niet naar behoren verricht.
7Bijkomende straffen
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen dient te worden ontzegd voor de duur van zes maanden. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat verdachte er voor het einde van die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het primair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) weken, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee (2) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van tachtig (80) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door veertig (40) dagen hechtenis.
Veroordeelt de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes (6) maanden. Beveelt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee (2) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. S. Mac Donald, voorzitter,
mr. E.M. van Poecke en mr. M. Ramondt, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. S.D.C. Schoenmaker,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 november 2024.