Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-12-18
ECLI:NL:RBNHO:2024:13710
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,320 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/355946 / HA ZA 24-462
Vonnis in incident van 18 december 2024
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [plaats 1],
eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident,
advocaat: mr. C.S.M. Ruijgrok te Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
, in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflater],
wonende te [plaats 2],
gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident,
advocaat: mr. R.P.A. Meghoe te Haarlem.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 13 augustus 2024, tevens houdende de incidentele vordering op grond van art. 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
1.2.
[gedaagde] is op de rol van 4 september 2024 in de gelegenheid gesteld een conclusie van antwoord in het incident in het geding te brengen. Van die gelegenheid heeft [gedaagde] geen gebruik gemaakt.
1.3.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald in het incident.
Geschil
2.1.
[eiseres] vordert in de hoofdzaak, verkort weergegeven, dat de rechtbank:
I. [gedaagde] veroordeelt, op grond van het finale verrekenbeding in de tussen haar een [erflater] (hierna: erflater) geldende huwelijkse voorwaarden, aan [eiseres] uit te keren 50% van de waarde van de nalatenschap van erflater;
II. de eenvoudige gemeenschap met betrekking tot de woning van [eiseres] en erflater aldus verdeelt, dat de woning aan [eiseres] wordt toebedeeld tegen een waarde van € 330.000,-;
III. [gedaagde] veroordeelt aan de levering van de woning medewerking te verlenen, met bepaling dat het vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [gedaagde];
IV. [gedaagde] veroordeelt een bedrag van € 3.750 aan [eiseres] te voldoende in verband met de investeringen van [eiseres] in de woning.
2.2.
[eiseres] vordert in het incident dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis ex artikel 843a Rv aan [eiseres] te verstrekken de schriftelijke informatie waaruit de vermogenssituatie van erflater op 14 maart 2022 blijkt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag.
2.3.
[eiseres] legt aan haar incidentele vordering ten grondslag dat zij een rechtmatig belang heeft bij het verkrijgen van informatie waaruit blijkt wat het vermogen van erflater is geweest op het moment van zijn overlijden, zodat het finaal verrekenbeding kan worden afgewikkeld.
2.4.
[gedaagde] is wel in de procedure verschenen, maar heeft tegen de vordering in incident geen verweer gevoerd.
Beoordeling
3.1.
[eiseres] baseert haar incidentele vordering op artikel 843a Rv. Dat artikel voorziet er (kort gezegd) in dat degene (i) die daarbij een rechtmatig belang heeft, inzage kan vorderen in (ii) bepaalde bescheiden, (iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is.
3.2.
Omdat [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd in het incident, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [eiseres] bij haar inzagevordering een rechtmatig belang heeft (het eerste vereiste) en dat de gevraagde informatie gaat over een rechtsbetrekking tussen [eiseres] en erflater (het derde vereiste).
3.3.
Aan het tweede vereiste (het vereiste van bepaalde bescheiden) is echter niet voldaan. [eiseres] heeft volstaan met een ruime en generieke omschrijving van de gegevens waarin inzage wordt verlangd (“schriftelijke informatie (…) waaruit de vermogenssituatie van erflater op 14 maart 2022 blijkt”). Artikel 843a Rv vereist echter dat [eiseres] de bescheiden waarvan zij inzage verlangt, specificeert. Daartoe moet [eiseres] ook in staat worden geacht, mede omdat zij blijkens randnummer 15 van de dagvaarding (waarin zij opgave doet van het eerder door [gedaagde] verstrekte overzicht van de bestanddelen van de nalatenschap van erflater) beschikt over voldoende aanknopingspunten over de samenstelling van de nalatenschap.
Omdat [eiseres] de bescheiden waarvan zij inzage verlangt niet heeft gespecificeerd, is de vordering op grond van artikel 843a Rv niet toewijsbaar.
3.4.
Het voorgaande geldt temeer, omdat [eiseres] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom als zij de gevraagde informatie niet (tijdig) verstrekt. Nu onduidelijkheid bestaat over welke bescheiden [eiseres] van [gedaagde] vordert, zou toewijzing van die vordering op straffe van verbeurte van een dwangsom immers voorzienbaar leiden tot executiegeschillen tussen partijen.
3.5.
[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het incident, die aan zijde van [gedaagde] worden begroot op nihil.
4In de hoofdzaak
4.1.
Gezien de vorderingen in de hoofdzaak (en mede gelet op de stellingen in het incident), zal de rechtbank op grond van artikel 22 lid 1 Rv bepalen dat [gedaagde] bij conclusie van antwoord in de hoofdzaak de boedelbeschrijving met - voor zover aanwezig- onderliggende bescheiden in het geding dient te brengen.
4.2.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
Dictum
De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil;
in de hoofdzaak
5.3.
beveelt [gedaagde] bij conclusie van antwoord een boedelbeschrijving in het geding te brengen, voorzien van onderbouwende bescheiden;
5.4.
verwijst de zaak naar de rol van 29 januari 2025 voor conclusie van antwoord van [gedaagde];
5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024.
type: 1538
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/355946 / HA ZA 24-462
Vonnis in incident van 18 december 2024
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [plaats 1],
eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident,
advocaat: mr. C.S.M. Ruijgrok te Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
, in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflater],
wonende te [plaats 2],
gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident,
advocaat: mr. R.P.A. Meghoe te Haarlem.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 13 augustus 2024, tevens houdende de incidentele vordering op grond van art. 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
1.2.
[gedaagde] is op de rol van 4 september 2024 in de gelegenheid gesteld een conclusie van antwoord in het incident in het geding te brengen. Van die gelegenheid heeft [gedaagde] geen gebruik gemaakt.
1.3.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald in het incident.
Geschil
2.1.
[eiseres] vordert in de hoofdzaak, verkort weergegeven, dat de rechtbank:
I. [gedaagde] veroordeelt, op grond van het finale verrekenbeding in de tussen haar een [erflater] (hierna: erflater) geldende huwelijkse voorwaarden, aan [eiseres] uit te keren 50% van de waarde van de nalatenschap van erflater;
II. de eenvoudige gemeenschap met betrekking tot de woning van [eiseres] en erflater aldus verdeelt, dat de woning aan [eiseres] wordt toebedeeld tegen een waarde van € 330.000,-;
III. [gedaagde] veroordeelt aan de levering van de woning medewerking te verlenen, met bepaling dat het vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [gedaagde];
IV. [gedaagde] veroordeelt een bedrag van € 3.750 aan [eiseres] te voldoende in verband met de investeringen van [eiseres] in de woning.
2.2.
[eiseres] vordert in het incident dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis ex artikel 843a Rv aan [eiseres] te verstrekken de schriftelijke informatie waaruit de vermogenssituatie van erflater op 14 maart 2022 blijkt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag.
2.3.
[eiseres] legt aan haar incidentele vordering ten grondslag dat zij een rechtmatig belang heeft bij het verkrijgen van informatie waaruit blijkt wat het vermogen van erflater is geweest op het moment van zijn overlijden, zodat het finaal verrekenbeding kan worden afgewikkeld.
2.4.
[gedaagde] is wel in de procedure verschenen, maar heeft tegen de vordering in incident geen verweer gevoerd.
Beoordeling
3.1.
[eiseres] baseert haar incidentele vordering op artikel 843a Rv. Dat artikel voorziet er (kort gezegd) in dat degene (i) die daarbij een rechtmatig belang heeft, inzage kan vorderen in (ii) bepaalde bescheiden, (iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is.
3.2.
Omdat [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd in het incident, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [eiseres] bij haar inzagevordering een rechtmatig belang heeft (het eerste vereiste) en dat de gevraagde informatie gaat over een rechtsbetrekking tussen [eiseres] en erflater (het derde vereiste).
3.3.
Aan het tweede vereiste (het vereiste van bepaalde bescheiden) is echter niet voldaan. [eiseres] heeft volstaan met een ruime en generieke omschrijving van de gegevens waarin inzage wordt verlangd (“schriftelijke informatie (…) waaruit de vermogenssituatie van erflater op 14 maart 2022 blijkt”). Artikel 843a Rv vereist echter dat [eiseres] de bescheiden waarvan zij inzage verlangt, specificeert. Daartoe moet [eiseres] ook in staat worden geacht, mede omdat zij blijkens randnummer 15 van de dagvaarding (waarin zij opgave doet van het eerder door [gedaagde] verstrekte overzicht van de bestanddelen van de nalatenschap van erflater) beschikt over voldoende aanknopingspunten over de samenstelling van de nalatenschap.
Omdat [eiseres] de bescheiden waarvan zij inzage verlangt niet heeft gespecificeerd, is de vordering op grond van artikel 843a Rv niet toewijsbaar.
3.4.
Het voorgaande geldt temeer, omdat [eiseres] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom als zij de gevraagde informatie niet (tijdig) verstrekt. Nu onduidelijkheid bestaat over welke bescheiden [eiseres] van [gedaagde] vordert, zou toewijzing van die vordering op straffe van verbeurte van een dwangsom immers voorzienbaar leiden tot executiegeschillen tussen partijen.
3.5.
[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het incident, die aan zijde van [gedaagde] worden begroot op nihil.
4In de hoofdzaak
4.1.
Gezien de vorderingen in de hoofdzaak (en mede gelet op de stellingen in het incident), zal de rechtbank op grond van artikel 22 lid 1 Rv bepalen dat [gedaagde] bij conclusie van antwoord in de hoofdzaak de boedelbeschrijving met - voor zover aanwezig- onderliggende bescheiden in het geding dient te brengen.
4.2.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
Dictum
De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil;
in de hoofdzaak
5.3.
beveelt [gedaagde] bij conclusie van antwoord een boedelbeschrijving in het geding te brengen, voorzien van onderbouwende bescheiden;
5.4.
verwijst de zaak naar de rol van 29 januari 2025 voor conclusie van antwoord van [gedaagde];
5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024.
type: 1538