Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-12-12
ECLI:NL:RBNHO:2024:13632
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,438 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummers: C/15/358370 / JU RK 24-1592, C/15/358374 / JU RK 24-1593 & C/15/358377 / JU RK 24-1594
Datum uitspraak: 12 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd in Alkmaar,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. A.W. Hoogland, kantoorhoudende in Den Helder,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI over [de minderjarige 1] , van 23 oktober 2024;
het verzoekschrift met bijlagen van de GI over [de minderjarige 2] , van 23 oktober 2024;
het verzoekschrift met bijlagen van de GI over [de minderjarige 3] , van 23 oktober 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 december 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder bijgestaan door haar advocaat;
- [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.
1.3.
Gelet op hun leeftijd heeft de kinderrechter [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] op voorhand per brief naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben hierover voorafgaand aan de zitting ieder apart een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben verteld.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] .
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 januari 2023 [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna verlengd bij beschikking van 8 januari 2024 tot 11 januari 2025.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 januari 2023 tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verleend. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 8 januari 2024 tot 11 januari 2025.
2.4.
Op basis van voornoemde machtiging wonen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij gezinshuis [het gezinshuis] in [plaats] . [de minderjarige 3] woont bij de vader.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de GI de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 3] te verlengen voor de duur van zes maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van de verzoeken heeft de GI het volgende naar voren gebracht.
3.2.
Ten aanzien van [de minderjarige 1] heeft de GI naar voren gebracht dat [de minderjarige 1] het ondanks de lastige situatie goed doet. Hij heeft zijn diploma gehaald en is met een opleiding gestart. Wel zijn er grote zorgen over het emotionele welzijn van [de minderjarige 1] . Het lijkt alsof hij in een loyaliteitsconflict is geraakt tussen de moeder, de vader en [het gezinshuis] . [de minderjarige 1] heeft aangegeven dat hij misschien wel weer bij de vader wilde wonen, maar geeft later toch aan dit niet te willen. De moeder kan hem hier geen toestemming voor geven. Tegelijkertijd kan de vader [de minderjarige 1] ook geen toestemming geven voor het wonen bij [het gezinshuis] . Voor [de minderjarige 1] is het onduidelijk wat zijn woonperspectief is. De GI wil bekijken welke opties er zijn voor [de minderjarige 1] , die voldoen aan de voorwaarden die nodig zijn zodat [de minderjarige 1] zich voldoende kan ontwikkelen en niet meer in zijn ontwikkeling wordt bedreigd.
3.3.
Ten aanzien van [de minderjarige 2] heeft de GI naar voren gebracht dat [de minderjarige 2] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd, omdat haar ouders de afgelopen jaren onvoldoende beschikbaar voor haar zijn geweest. Hierdoor is het voor [de minderjarige 2] niet mogelijk om bij één van beide ouders te gaan wonen. [de minderjarige 2] lijkt niet het vertrouwen te hebben dat dit gaat veranderen en heeft de keuze gemaakt dat ze bij [het gezinshuis] wil blijven wonen. Er zijn zorgen dat [de minderjarige 2] niet in staat is haar emoties op een adequate manier te verwerken. De hulpverlening van de GGZ is nog niet van de grond gekomen door de wachtlijst en een meningsverschil tussen de GI en de GGZ. De GI zal met de GGZ bekijken wat passend is voor [de minderjarige 2] .
3.4.
Ten aanzien van [de minderjarige 3] heeft de GI naar voren gebracht dat er weinig zorgen zijn over de ontwikkeling van [de minderjarige 3] . [de minderjarige 3] groeit op bij de vader. De omgang met de moeder is niet van de grond gekomen vanwege de ziekte van de moeder. Om het verleden te verwerken is er therapie van Samen in Spel ingezet voor [de minderjarige 3] . Volgens de hulpverleners gedijt [de minderjarige 3] goed op vermijding en moet er qua traumaverwerking gewacht worden totdat ze zelf aangeeft dat ze er aan toe is hier aan te werken. Wanneer de moeder weer aangeeft klaar te zijn om de omgang op te starten, zal de hulpverlening bij Samen in Spel weer opgepakt worden. De GI acht het van belang te monitoren hoe de omgang met de moeder zal verlopen en of de moeder in staat is om [de minderjarige 3] emotionele toestemming te geven om bij de vader op te groeien.
3.5.
Ter zitting heeft de GI hier aan toegevoegd dat er inmiddels goed contact is tussen de ouders onderling. Het is fijn dat de ouders de omgang tussen [de minderjarige 3] en de moeder samen kunnen vormgeven. Voorlopig is het nog wel een voorwaarde dat deze omgang onder begeleiding van de vader of zijn partner plaatsvindt. De komende tijd zal worden gekeken of [de minderjarige 1] naar een kamertrainingscentrum kan gaan. De GI ziet zorgelijke signalen over [de minderjarige 2] . Zij lijkt het lastiger te hebben nu de moeder weer in beeld is en spijbelt regelmatig. De hulpverlening van de GGZ zal langzaam worden opgebouwd, waarbij er ook wordt gekeken of er wellicht traumabehandeling nodig is.
4De standpunten
4.1.
[de minderjarige 1] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter verteld dat het goed met hem gaat. Hij is druk bezig met zijn opleiding, sport en bijbaantje. [de minderjarige 1] vindt het prima om bij [het gezinshuis] te wonen. Hij gaat ieder weekend naar zijn vader en dat bevalt hem goed. Ook heeft hij goed contact met zijn moeder. [de minderjarige 1] heeft met zijn gezinshuisouder een aanmelding gedaan bij een plek voor zelfstandig begeleid wonen van [hulpverlenende instantie] . [de minderjarige 1] vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet nodig.
4.2.
[de minderjarige 2] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter verteld dat zij graag bij [het gezinshuis] wil blijven wonen. Dit heeft zij een paar maanden geleden besloten, omdat zij wist dat zij niet meer terug naar huis kan. [de minderjarige 2] heeft goed contact met haar vader en gaat de laatste tijd ook meer bij hem langs. Met haar moeder heeft zij ook regelmatig contact. [de minderjarige 2] voelt zich goed en vindt dat zij niet per se hulpverlening nodig heeft.
4.3.
[de minderjarige 3] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter verteld dat het goed met haar gaat. [de minderjarige 3] woont bij haar vader en vindt het daar leuk en gezellig. Op school heeft zij het ook naar haar zin. [de minderjarige 3] heeft steeds vaker contact met haar moeder en dit gaat goed.
4.4.
De moeder is het eens met de verzoeken. Ter zitting is door en namens de moeder naar voren gebracht dat zij op dit moment goed kan communiceren met de vader over [de minderjarige 3] . Met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onderhoudt de moeder zelf het contact. De moeder verwacht dat de ouders ook zonder de GI gezamenlijk afspraken kunnen maken. Toch ziet zij gelet op het verleden nog wel de noodzaak dat de GI betrokken is om de regie te houden.
4.5.
De vader is het eens met de verzoeken. Ter zitting heeft de vader naar voren gebracht dat hij het goed vindt als de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing doorlopen. Aangezien [de minderjarige 1] binnenkort meerderjarig wordt, vindt de vader het belangrijk dat er zorgvuldig wordt gekeken waar hij zal gaan wonen. Als [de minderjarige 2] zelf graag bij [het gezinshuis] wil blijven wonen, zal de vader daar achter gaan staan. Met [de minderjarige 3] gaat het goed bij de vader thuis.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en hetgeen op de zitting naar voren is gekomen, is de kinderrechter van oordeel dat nog steeds is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding.
5.2.
De kinderrechter overweegt hiertoe dat [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd. De zorgen bestaan grotendeels uit de persoonlijke problematiek van de moeder, de verstandhouding tussen de ouders en het contact tussen de ouders en de kinderen. De moeder heeft een alcoholverslaving en is het afgelopen jaar lange periodes buiten beeld geweest. Na een terugval is de moeder op dit moment opgenomen binnen de GGZ. De kinderrechter acht het van belang dat er de komende tijd hulpverlening voor de moeder wordt opgestart bij het verwerken van haar trauma’s, zodat zij zich gesterkt voelt om abstinent te blijven van alcohol. Door de persoonlijke problematiek van de moeder is de omgang tussen de kinderen en de moeder lange tijd onvoorspelbaar geweest en is er onzekerheid over welke rol de moeder in hun leven zal vervullen. De kinderrechter constateert dat er desondanks meer rust in de gezinssituatie begint te komen. De moeder is op dit moment vastberaden de nodige behandeling aan te gaan en heeft daartoe de nodige stappen gezet. Het is de kinderrechter verder duidelijk geworden dat er de afgelopen tijd vooruitgang is geboekt in de onderlinge verstandhouding tussen de ouders. De ouders zijn in staat om gezamenlijk afspraken te maken over de omgang tussen [de minderjarige 3] en de moeder. Ook is er vooruitgang geboekt in het contact tussen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met hun moeder. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben zelf contact met de moeder en stemmen met haar af wanneer zij elkaar zien. Ook begint er meer duidelijkheid te komen over het perspectief van de kinderen en lukt het de ouders daar achter te gaan staan. Er zijn wel zorgen over het mentale welzijn van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Het verleden en de ingewikkelde relaties met hun ouders spelen daarbij mogelijk een belangrijke rol. [de minderjarige 1] lijkt last te hebben van een loyaliteitsconflict. Over [de minderjarige 2] zijn er zorgen over haar vermogen om te voelen en haar moeite om haar emoties te verwerken. Voor [de minderjarige 2] zal er daarom hulpverlening van de GGZ ingezet worden.
5.3.
Gelet op enerzijds de positieve ontwikkelingen en anderzijds de nog bestaande zorgen, acht de kinderrechter het noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] wordt verlengd voor de duur van zes maanden. De GI kan zo de komende tijd betrokken blijven om de ontwikkelingen in de omgang en hulpverlening en rondom het perspectief te monitoren en indien nodig bij te sturen.
5.4.
De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] zijn:
- de loyaliteitsproblematiek van [de minderjarige 1] ;
- de zorgen over het mentale welzijn van [de minderjarige 2] ;
- de persoonlijke problematiek van de moeder, waardoor haar rol in het leven van de kinderen en de omgang onvoorspelbaar is;
- de onduidelijkheid over het opgroeiperspectief van [de minderjarige 1] ;
- het kwetsbare contact tussen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met de vader en de moeder;
- de beperkte omgang tussen [de minderjarige 3] en de moeder.
5.5.
De kinderrechter zal de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengen en overweegt hiertoe dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op dit moment niet bij één van hun ouders kunnen wonen. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn allebei uithuisgeplaatst in gezinshuis [het gezinshuis] De kinderrechter is van oordeel dat het huidige verblijf van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij [het gezinshuis] geborgd dient te worden tot er meer duidelijkheid is over hun woonperspectief op de langere termijn. De machtiging tot uithuisplaatsing is nodig om het verblijf bij [het gezinshuis] te waarborgen en bovendien verplicht als een minderjarige niet meer thuis woont en onder toezicht is gesteld. Het is de kinderrechter gebleken dat [de minderjarige 1] op zoek is naar een meer zelfstandige vervolgplek en in de tussentijd bij [het gezinshuis] wil blijven. [de minderjarige 2] heeft voor zichzelf de keuze gemaakt niet meer terug te gaan naar één van haar ouders en bij [het gezinshuis] te blijven. De komende tijd dient er meer zicht te komen op hun perspectief en moet duidelijk worden wat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hierbij nodig hebben.
5.6.
Om dezelfde redenen als in het kader van de ondertoezichtstelling verlengt de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor de duur van zes maanden.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
- [de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
tot 11 juli 2025;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
tot 11 juli 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2024 door mr. C. Maat, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.B. Kuvel als griffier, en op schrift gesteld op 23 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.