Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-12-18
ECLI:NL:RBNHO:2024:13103
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,114 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 11009525 \ CV EXPL 24-821 (rvk)
Uitspraakdatum: 18 december 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
De besloten vennootschap [naam 1], h.o.d.n. [naam 2]
statutair gevestigd te [plaats 2]
eiseres
verder te noemen: [naam 2]
gemachtigde: [naam 3]
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats 1]
gedaagde
verder te noemen: [gedaagde]
in persoon procederend
1Het procesverloop
1.1.
[naam 2] heeft bij dagvaarding van 7 maart 2024 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft mondeling geantwoord.
1.2.
Op 5 september 2024 heeft een zitting plaatsgevonden. Dit betrof een zogenaamde hybride zitting, waarbij de kantonrechter, de griffier en [gedaagde] op de rechtbank aanwezig waren. De gemachtigde van [naam 2] , mr. M. Heeren, heeft via een digitale beeld- en geluidverbinding (MS Teams) deelgenomen aan de zitting. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [naam 2] bij brief van 26 augustus 2024 nog stukken toegezonden.
Feiten
2.1.
[gedaagde] heeft op 7 februari 2022 een overeenkomst met [naam 2] gesloten voor het volgen van de avondopleiding Basistheorie Vastgoed.
2.2.
De totale kosten van de opleiding, die 17 maanden zou duren, bedroegen € 3.790,15 en overeengekomen is dat [gedaagde] dat bedrag in termijnen zou betalen (17 maandelijkse termijnen van € 222,95).
2.3.
Tot en met juli 2022 heeft [gedaagde] alle termijnen betaald, na die datum niet meer en hij heeft 9 termijnen onbetaald gelaten. [gedaagde] heeft na december 2022 niet meer deelgenomen aan de opleiding.
3De vordering
3.1.
[naam 2] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 2.413,40.
3.2.
[naam 2] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] op grond van de overeenkomst gehouden is de maandelijkse facturen te voldoen. [gedaagde] heeft echter een betalingsachterstand laten ontstaan van € 2.006,55. Omdat [gedaagde] ook na betalingsherinneringen niet is overgegaan tot betaling heeft [naam 2] haar incassogemachtigde ingeschakeld en maakt zij aanspraak op de buitengerechtelijke incassokosten van € 300,98. Gelet op het betalingsverzuim is [gedaagde] ook de wettelijke rente verschuldigd. Gerekend tot 5 maart 2024 gaat dit om een bedrag van € 105,87.
4Het verweer
4.1.
[gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat hij uitstel van betaling heeft gekregen. Hij heeft in december 2022 namelijk verzocht om de opleiding tijdelijk te schorsen om deze op een later moment te vervolgen. [naam 2] was daarmee akkoord en omdat [naam 2] niet wil zeggen wanneer [gedaagde] weer kan beginnen met de opleiding, hoeft hij niet te betalen. [gedaagde] beroept zich verder op overmacht. Hij heeft in december 2022 een juwelierszaak overgenomen en hij kon vanwege de drukte die dat gaf, niet langer de opleiding volgen.
Beoordeling
5.1.
Beoordeeld moet worden of [gedaagde] veroordeeld moet worden om een bedrag van € 2.006,55 aan lesgeld, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten, te betalen. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] wel het openstaande lesgeld moet betalen, met de wettelijke rente, maar niet de buitengerechtelijke incassokosten. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
5.2.
[gedaagde] heeft zich ingeschreven voor de avondopleiding Makelaardij en dat betekent dat hij het overeengekomen lesgeld moet betalen. [gedaagde] beroept zich er echter op dat hij in december 2022 met een brief aan [naam 2] heeft verzocht om de opleiding voor een half jaar te schorsen en dat [naam 2] daarmee akkoord is gegaan. [naam 2] ontkent in december 2022 een brief of een verzoek van [gedaagde] te hebben ontvangen. [gedaagde] heeft op de zitting volgehouden dat hij wel degelijk een brief heeft verstuurd, zelfs aangetekend en hij heeft een verzendbewijs overgelegd. [naam 2] heeft over dat verzendbewijs opgemerkt dat hieruit alleen blijkt dat de brief is aangemeld bij Post.nl, maar niet dat deze daadwerkelijk is aangeboden – en verzonden. [gedaagde] heeft hierop alleen gezegd dat hij de brief heeft afgegeven bij een naastgelegen Bruna, maar dat is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende. Bovendien, ook al zou [naam 2] de brief hebben ontvangen, daarmee staat nog niet vast dat [naam 2] akkoord is gegaan met de schorsing. Enige onderbouwing van een akkoord van [naam 2] in december 2022 ontbreekt. [naam 2] erkent wel dat zij op een later moment, in maart 2023, een verzoek van [gedaagde] om de opleiding tijdelijk op te schorten heeft ontvangen, maar [naam 2] stelt ook over dat verzoek, dat zij daar niet mee akkoord is gegaan. [naam 2] heeft [gedaagde] alleen gewezen op de voorwaarden waaronder uitstel kon worden verleend – onder andere dat de betalingen gewoon door moeten lopen –, maar [gedaagde] heeft daarna niet meer gereageerd, dit alles aldus [naam 2] . [gedaagde] is op de zitting op deze stelling van [naam 2] niet ingegaan, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van het standpunt van [naam 2] dat zij niet heeft ingestemd met een schorsing van de opleiding.
5.3.
[gedaagde] beroept zich er ook op dat hij in een situatie van overmacht verkeerde; hij heeft in december 2022 een juwelierszaak overgenomen en door de drukte in verband met die overname was het voor hem tijdelijk niet mogelijk om de opleiding te blijven volgen. De kantonrechter begrijpt dat het overnemen van een juwelierszaak de nodige tijd en energie kost vanwege alles wat geregeld moet worden, maar het is een eigen keuze van [gedaagde] geweest om die overname te doen en hij had van te voren moeten bedenken of hij dan nog wel de opleiding zou kunnen volgen. Er is daarom geen sprake van overmacht.
5.4.
Het voorgaande betekent dat de vordering in hoofdsom wordt toegewezen. [gedaagde] moet ook de wettelijke rente betalen omdat hij te laat is met betalen (in verzuim is).
5.5.
[naam 2] maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu gesteld noch gebleken is dat een kosteloze aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden.
5.6.
[naam 2] heeft in de dagvaarding geschreven dat [gedaagde] zich via de website van [naam 2] heeft ingeschreven voor de opleiding. Op de zitting heeft [naam 2] echter erkend dat het standpunt van [gedaagde] dat hij zich persoonlijk op het kantoor van [naam 2] door het invullen van een aanmeldformulier heeft ingeschreven, juist is. Op grond van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moeten partijen van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoeren. Als deze verplichting niet wordt nageleefd, mag de kantonrechter daar de gevolgen aan verbinden die zij geraden acht. Naar het oordeel van de kantonrechter is de vraag hoe de aanmelding in zijn werk is gegaan, voor de beslissing van belang en omdat [naam 2] op dat punt de van belang zijnde feiten niet volledig en naar waarheid heeft aangevoerd, acht de kantonrechter het redelijk om te bepalen dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.
Dictum
De kantonrechter:
6.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [naam 2] van € 2.112,42, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.006,55 vanaf 5 maart 2024 tot aan de dag van de gehele betaling;
6.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter