Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-11-13
ECLI:NL:RBNHO:2024:12599
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,212 tokens
Inleiding
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/351887 / HA ZA 24-236
Vonnis van 13 november 2024 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. T. Meier,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. V.E. de Haas.
De zaak in het kort
De vrouw vordert verrekening van de pensioenrechten, die door de man vóór datum van ontbinding van het huwelijk zijn opgebouwd. De rechtbank wijst de vordering toe. Het verweer van de man dat de pensioenrechten waren begrepen in de finale kwijting die partijen elkaar hebben vereend, wordt verworpen. Verder is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van rechtsverwerking en de rechtbank ziet geen reden tot matiging op grond van de redelijkheid en billijkheid. Daarnaast moet de man inzage geven in zijn opgebouwde pensioenrechten.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 april 2024 met producties 1 tot en met 9,
- de conclusie van antwoord en voorwaardelijke eis in reconventie van 26 juni 2024 met productie 1,
- de conclusie van antwoord in reconventie van 7 augustus 2024 met productie 10,
- het tussenvonnis van 21 augustus 2024,
- de op 14 oktober 2024 gehouden mondelinge behandeling. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen zijn op 12 september 1980 in gemeenschap van goederen getrouwd. Het huwelijk is op 2 mei 1994 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 29 maart 1994 in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Partijen hebben in onderling overleg de huwelijksgemeenschap verdeeld. Op 27 juli 1994 heeft de advocaat van de vrouw aan de man een brief gestuurd, waarin is bevestigd dat partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over de boedelverdeling en dat partijen inzake de verdeling van de huwelijksgemeenschap over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar over en weer finale kwijting hebben verleend.
2.3.
Zowel de man als de vrouw hebben voor, tijdens en na het huwelijk gewerkt. De AOW-gerechtigde leeftijd van de man is op 8 september 2022. De AOW-gerechtigde leeftijd van de vrouw is op 25 maart 2026.
Geschil
in conventie
3.1.
De vrouw vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:
I. bepaalt dat de door de man tot 2 mei 1994 opgebouwde pensioenrechten conform het door de Hoge Raad op 27 november 1981, NL 1982/503 gewezen arrest (hierna: [naam 1] arrest) worden verrekend;
II. de man veroordeelt om de voor de verrekening benodigde relevante informatie over te leggen, zodat kan worden berekend op welk bedrag de vrouw recht heeft, met bepaling dat de kosten van deze berekening geheel voor rekening van de man komt;
III. de man veroordeelt om maandelijks vanaf september 2022, zijnde de maand waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt steeds tijdig, derhalve binnen twee dagen nadat hij zelf de pensioenuitkering van de pensioenfondsen heeft ontvangen, aan de vrouw op een door haar nader aan te geven bankrekening haar deel van de door de man tot 2 mei 1994 opgebouwde pensioenrechten over te maken, vermeerderd met de indexeringen die nadien hebben plaatsgevonden, een en ander zoals zal moeten blijken uit de door de pensioenfondsen te verstrekken informatie;
IV. bij gebreke van stipte uitvoering/nakoming van het voorgaande, de man veroordeelt tot betaling van een dwangsom;
V. de man veroordeelt in de werkelijke kosten van het geding, te stellen op € 5.000,-.
3.2.
De vrouw legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. De vóór en tijdens het huwelijk door partijen opgebouwde pensioenrechten maken deel uit van de huwelijksgemeenschap en die pensioenrechten moeten bij de verdeling in beginsel door middel van verrekening in aanmerking worden genomen ( [naam 1] - arrest). Er is sprake van een overgeslagen goed in de zin van artikel 3:179 lid 2 BW.
3.3.
De man voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in (voorwaardelijke) reconventie
3.5.
De man vordert dat de rechtbank de vrouw veroordeelt om inzage te bieden en medewerking te verlenen aan de verrekening van de door haar vóór en tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten.
3.6.
De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat als de rechtbank overweegt dat de door de man opgebouwde pensioenrechten voor de vrouw een overgeslagen goed betreffen en de vorderingen van de vrouw niet afwijst, de man aanspraak maakt op de door de vrouw opgebouwde pensioenrechten tot datum ontbinding huwelijk.
3.7.
De vrouw voert verweer.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
4.1.
De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil of de vóór en tijdens hun huwelijk door de man en vrouw opgebouwde pensioenrechten gelet op het [naam 1] -arrest deel uitmaakten van de huwelijksgoederengemeenschap, en dat die pensioenrechten bij de verdeling van die gemeenschap in beginsel door middel van verrekening in aanmerking dienden te worden genomen, ervan uitgaande dat recht op verrekening bestaat ten belope van de helft van de waarde van het deel van het pensioen dat vóór de ontbinding van het huwelijk was opgebouwd.
Finale kwijting
4.3.
De man voert echter aan dat de vrouw geen aanspraak meer kan maken op de opgebouwde pensioenrechten gelet op de finale kwijting in de brief van 27 juli 1994. Volgens de man is er geen sprake van een overgeslagen goed en zijn deze begrepen in de verleende finale kwijting. Tijdens de echtscheidingsprocedure waren de opgebouwde pensioenrechten bij de vrouw bekend, althans moeten voor haar bekend zijn geweest gelet op het feit dat zij een advocaat had, aldus de man.
4.4.
De rechtbank verwerpt dit verweer van de man. Ter zitting is gebleken dat partijen gedurende de echtscheidingsprocedure niet over de pensioenrechten hebben gesproken. Een finaal kwijtingsbeding in algemene bewoordingen dat is opgenomen bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, kan niet worden geacht mede te zien op goederen die bij die verdeling zijn overgeslagen. De finale kwijting in de brief van 27 juli 1994 staat dan ook niet in de weg aan de vordering van de vrouw tot nadere verdeling als bedoeld in artikel 3:179 lid 2 Burgerlijk Wetboek.
Rechtsverwerking
4.5.
Verder voert de man aan dat er sprake is van rechtsverwerking omdat de vrouw kort na het aanhangig maken van de echtscheidingsprocedure in 1993 een affectieve relatie is aangegaan met een voormalig collega en vriend van de man, [naam 2] . De vrouw heeft door het aangaan van die relatie en de voortzetting daarvan, bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij haar aanspraak niet meer geldend zal maken.
4.6.
De rechtbank overweegt dat, om rechtsverwerking te kunnen aannemen, nodig is dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is enkel tijdsverloop daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt (HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574).
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van rechtsverwerking. In aanmerking genomen dat – naar de man moet hebben geweten – pensioenverrekening vaak pas kan worden geëffectueerd na de ingangsdatum van het pensioen, kon en mocht de man uit het stilzitten van de vrouw redelijkerwijs niet afleiden dat zij haar recht op pensioenverrekening prijs gaf. Voorts is gesteld noch gebleken dat de vrouw zich op een andere manier heeft gedragen of uitgelaten op grond waarvan de man gerechtvaardigd mocht aannemen dat zij afstand deed van haar aanspraak op pensioenverrekening. Daarnaast heeft de man niet aangetoond dat zijn positie door het langere tijd stilzitten van de vrouw zodanig onredelijk is verzwaard, dat de vrouw geen beroep meer kan doen op pensioenverrekening. Dat de vrouw vlak na de echtscheidingsprocedure een affectieve relatie is aangegaan met [naam 2] is evenmin een bijzondere omstandigheid. Een nadere onderbouwing van de man op dit punt ontbreekt.
Matiging
4.8.
Volgens de man kunnen op grond van het [naam 1] -arrest de redelijkheid en billijkheid eisen dat de vordering tot verrekening van pensioenrechten wordt gematigd of dat in het geheel geen vordering wordt toegekend. De man voert hiertoe aan dat de vrouw volledig in haar levensonderhoud kan voorzien, al dan niet tezamen met haar partner.
4.9.
De rechtbank overweegt als volgt. In meergenoemd arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat redelijkheid en billijkheid kunnen eisen dat de verrekeningsvordering wordt gematigd of dat in het geheel geen vordering wordt toegekend. Bijvoorbeeld wanneer de pensioengerechtigde reeds op andere wijze in de verzorging van de andere echtgenoot heeft voorzien of redelijkerwijs niet tot enige uitkering in staat is. Ook kunnen er omstandigheden bestaan - bijvoorbeeld indien het geen eerste huwelijk betreft - die aanleiding geven het pensioen voor zover het voor het huwelijk reeds was opgebouwd gedeeltelijk buiten de verdeling te houden.
4.10.
De rechtbank is van oordeel dat de door de man aangevoerde omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat de vordering van de vrouw tot verrekening moet worden afgewezen of moet worden gematigd. Vast staat dat het enige vermogen dat verdeeld is, de inboedel, de voormalige echtelijke woning en de daarop rustende hypotheek, de spaartegoeden, de saldi op de lopende rekeningen, de auto’s en de caravan betrof, en dat de vrouw heeft afgezien van haar recht op partneralimentatie. De man heeft dus niet al op andere wijze in de verzorging van de vrouw voorzien. Ook is niet gebleken dat de man redelijkerwijs niet tot uitkering in staat is. Dat de vrouw volledig in haar levensonderhoud kan voorzien, is geen reden voor matiging.
Tussenconclusie
4.11.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door de man en de vrouw opgebouwde pensioenrechten tussen partijen moeten worden verrekend. De rechtbank wijst de vorderingen onder I van de vrouw toe. De vordering in reconventie van de man wordt toegewezen voor wat betreft het verlenen van medewerking aan de verrekening van de door de vrouw vóór en tijdens het huwelijk met de man opgebouwde pensioenrechten omdat de vrouw reeds bij de conclusie van antwoord in reconventie inzage heeft gegeven in haar pensioenrechten.
4.12.
De vrouw vordert onder III betaling binnen twee dagen nadat de man zelf de pensioenuitkering van de pensioenfondsen heeft ontvangen. Deze vordering ziet mede op de periode vanaf september 2022. De vrouw heeft ter zitting bevestigd dat de vordering tot betaling binnen twee dagen niet met terugwerkende kracht kan worden toegewezen maar pas na datum vonnis. De rechtbank wijst deze vordering toe zoals hierna vermeld in het dictum.
Daarnaast heeft de vrouw een dwangsom gevorderd ten aanzien van de vordering onder III. De rechtbank wijst deze vordering af omdat het niet mogelijk is een dwangsom te verbinden aan de betaling van een geldsom.
Artikel 843a Rv
4.13.
Verder vordert de vrouw de voor de verrekening benodigde relevante informatie over te leggen zodat kan worden berekend op welk bedrag de vrouw recht heeft. Zoals uit de dagvaarding is gebleken en door de vrouw ter zitting is bevestigd, ziet de vordering op het verkrijgen van het uniform pensioenoverzicht van de man op mijnpensioenoverzicht.nl.
4.14.
Artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat degene die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden tot zijn beschikking of onder zijn berusting heeft.
Dictum
De rechtbank
in conventie
5.1.
bepaalt dat de door de man tot 2 mei 1994 opgebouwde pensioenrechten conform het door de Hoge Raad op 27 november 1981, NL 1982/503 gewezen arrest [naam 1] worden verrekend,
5.2.
veroordeelt de man om binnen veertien dagen na datum vonnis de voor de verrekening benodigde relevante informatie over te leggen, waaronder zijn Uniform Pensioenoverzicht op mijnpensioenoverzicht.nl, zodat kan worden berekend op welk bedrag de vrouw recht heeft en bepaalt dat de kosten van deze berekening geheel voor rekening van de man komen,
5.3.
veroordeelt de man om maandelijks, zijnde de maand waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt steeds tijdig, derhalve binnen twee dagen nadat hij zelf de pensioenuitkering van de pensioenfondsen heeft ontvangen, aan de vrouw op een door haar nader aan te geven bankrekening haar deel van de door de man tot 2 mei 1994 opgebouwde pensioenrechten over te maken, te vermeerderen met de indexeringen die nadien hebben plaatsgevonden, een en ander zoals zal moeten blijken uit de onder 5.2. te verstrekken informatie,
5.4.
veroordeelt de man om de door hem ontvangen pensioenuitkering van de pensioenfondsen in de periode september 2022 tot datum vonnis, aan de vrouw op een door haar nader aan te geven bankrekening haar deel van de door de man tot 2 mei 1994 opgebouwde pensioenrechten over te maken, te vermeerderen met de indexeringen die nadien hebben plaatsgevonden, een en ander zoals zal moeten blijken uit de onder 5.2. te verstrekken informatie,
5.5.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 50,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder 5.2. voldoet, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt,
5.6.
veroordeelt de man in de proceskosten van € 1.874,82, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de man niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
5.7.
veroordeelt de vrouw medewerking te verlenen aan de verrekening van de door de vrouw vóór en tijdens het huwelijk met de man opgebouwde pensioenrechten,
5.8.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat partijen de eigen kosten dragen,
in conventie en in reconventie
5.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.10.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd,
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2024.