Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-10-30
ECLI:NL:RBNHO:2024:12057
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,490 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 10754196 CV EXPL 23-4622
Uitspraakdatum: 30 oktober 2024
Verstekvonnis in de zaak van:
de stichting Stichting Noordwest Ziekenhuisgroep
te Alkmaar
de eisende partij
gemachtigde: Huting & van der Mije
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1De verdere procedure
1.1.
Bij tussenvonnis van 22 november 2023 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld om bij akte de toepasselijke algemene voorwaarden over te leggen en zich uit te laten over eventuele daarin opgenomen oneerlijke bedingen die verband houden met de vordering. De eisende partij heeft vervolgens een akte genomen.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij akte heeft de eisende partij de toepasselijke algemene voorwaarden overgelegd, voorzien van een toelichting.
Algemene voorwaarden van de Stichting Medisch Centrum Alkmaar te Alkmaar, en de daaraan verbonden vrijgevestigd medisch specialisten, gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Alkmaar, op 1 november 2005 onder nr. 41241807 en bij de Rechtbank Alkmaar op 3 november 2005 onder nr. 391/2005 (hierna: de algemene voorwaarden)
2.2.
De artikelen 10 en 11 van de algemene voorwaarden luiden als volgt:
“10. Wanneer betaling uitblijft zullen de extra administratiekosten benodigd voor aanmaning aan de patiënt doorberekend worden, volgens het tarief in de gepubliceerde tarievenlijst.”
“11. Blijft na aanmaning betaling uit, dan zal het ziekenhuis de vordering ter incasso uit handen geven. In dat geval wordt de vordering verhoogd met alle in redelijkheid te maken gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten van incassokosten.”
2.3.
In artikel 11 wordt ten nadele van de consument afgeweken van het bepaalde in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De tekst van het beding biedt de eisende partij namelijk de mogelijkheid om na elke aanmaning zonder verdere termijn al incassokosten in rekening te brengen, terwijl de wettekst voorschrijft dat de incassokosten pas ná het verstrijken van de in de veertiendagenbrief genoemde termijn verschuldigd zijn. Verder zijn de bedongen incassokosten niet gespecificeerd. De eisende partij kan op grond van artikel 11 een door haar zelf te bepalen bedrag aan incassokosten op de consument verhalen als er als gevolg van een niet nakomen door de consument maatregelen moeten worden genomen. Daarnaast kan de eisende partij op grond van artikel 10 ook nog administratiekosten in rekening brengen. Dat zou dus tot gevolg kunnen hebben dat de consument op grond van het beding belast wordt met hoge kosten, die op grond van de wet niet ten laste van de consument behoren te komen. Contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023 onredelijk bezwarend in de zin van art. 6:233, aanhef en onder a, BW en daarmee oneerlijk in de zin van de richtlijn.
2.4.
De stelling van de eisende partij dat de bepalingen in haar algemene voorwaarden aansluiten bij de wet, wordt dus niet gevolgd. Vanwege hetgeen hiervoor is overwogen, vernietigt de kantonrechter artikel 11 betreffende de buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde incassokosten worden daarom afgewezen.
2.5.
Voor zover de eisende partij op grond van artikel 11 aanspraak kan maken op gerechtelijke kosten die boven het liquidatietarief uitkomen, is dit oneerlijk. Dit heeft echter geen gevolg voor de proceskostenveroordeling in deze procedure, omdat de (kanton)rechter op grond van artikel 237 in samenhang met artikel 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ertoe gehouden is om de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten niet lager mogen worden vastgesteld dan het liquidatietarief.
2.6.
De vordering komt de kantonrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze toewijsbaar is.
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van de gedaagde partij, omdat hij grotendeels ongelijk krijgt. Daarbij wordt de gedaagde partij ook veroordeeld tot betaling van € 41,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 455,11, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 431,63 vanaf 9 oktober 2023 tot de dag van de volledige betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 130,48
griffierecht € 128,00
salaris gemachtigde € 82,00;
3.3.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van € 41,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter