Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-09-11
ECLI:NL:RBNHO:2024:11504
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,832 tokens
Inleiding
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/320962 / HA ZA 21-535
Vonnis van 11 september 2024 (na deskundigenbericht)
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: voorheen: A. Mahabiersing, thans: mr. J.J. Dijkman,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. W.J.T. Ursem.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenvonnissen van 17 augustus 2022 en 24 mei 2023,
- de e-mail van 4 januari 2024 van de deskundige aan de rechtbank over twee inconsistenties in rechtsoverweging 4.13.1 in het tussenvonnis van 17 augustus 2022 en de reactie hierop bij e-mail van 8 januari 2024 van de rechtbank aan de deskundige,
- het deskundigenbericht van 19 maart 2024, - de conclusie na deskundigenbericht van [eiser] met productie 62, - de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
in conventie en in reconventie
2.1.
De rechtbank blijft bij wat zij heeft overwogen en beslist in de eerder gewezen vonnissen.
2.2.
Bij tussenvonnis van 24 mei 2023 heeft de rechtbank een onderzoek door een deskundige bevolen. Voorafgaand heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld, na de mondelinge behandeling op 17 januari 2023, zich bij akte uit te laten over de persoon van de deskundige en de aan deze te stellen vragen. Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank heeft vervolgens de heer R. van Bruggen RA (hierna: de deskundige) als deskundige benoemd en hem vier vragen voorgelegd. In haar tussenvonnis van 24 mei 2023 heeft de rechtbank kort samengevat welke uitgangspunten daarbij gelden, namelijk:
“- [gedaagde] is op 1 januari 2013 toegetreden tot een bestaande vennootschap, waarin [eiser] al vennoot was
Na onderling overleg is [gedaagde] op 30 september 2018 uit de vennootschap getreden en heeft [eiser] de vennootschap voortgezet
De vof dient op basis van de slotbalans in de verhouding 50/50 te worden verdeeld, na aftrek van het bedrag van € 767.176,- aan stille reserves dat aan [eiser] toekomt
Klaver heeft een taxatie van de onderneming per 30 september 2018 gemaakt op dezelfde wijze als dat in 2013 was gedaan bij de toetreding van [gedaagde]
De bedrijfswaarde van de recreatiewoningen en het parkeerterrein zijn in die beide taxaties niet bepaald
De toename van deze waarde tussen 1-1-2013 en 30-9-2018 dient tussen beide partijen gelijkelijk te worden verdeeld
Perceelsgedeelte 1 van het parkeerterrein wordt het hele jaar door dagelijks gebruikt. Op dit gedeelte is ruimte voor 150 auto’s
Perceelsgedeelten 2 en 3 worden alleen opengesteld op drukke dagen, wanneer op gedeelte 1 onvoldoende ruimte is. Op deze gedeelten is ruimte voor 1.038 auto’s
Perceelsgedeelte 4 wordt niet gebruikt om te parkeren.”
2.3.
De deskundige heeft vervolgens in hoofdstuk 8 van zijn rapport van 19 maart 2024 de volgende antwoorden gegeven:
2.4.
[gedaagde] heeft in haar laatste conclusie verklaard dat zij zich met het deskundigenbericht kan verenigen en verzoekt de rechtbank het deskundigenbericht als uitgangspunt te nemen bij het nemen van de beslissing over de waarde van het aandeel van [gedaagde] in de vof per 30 september 2018.
2.5.
Volgens [eiser] kan het deskundigenbericht niet bijdragen en ten grondslag liggen aan een (eind-)beslissing in deze zaak omdat het deskundigenbericht onvoldoende inzichtelijk, inconsistent en onvolledig en daardoor (deels) ongeschikt is. De rechtbank zal hierna de bezwaren van [eiser] bespreken.
2.6.
Volgens [eiser] heeft de deskundige geen of onvoldoende aandacht besteed aan de vragen en opmerkingen van [eiser] terwijl deze binnen het kader van de gestelde vragen aan de deskundige vallen. Zo heeft [eiser] in zijn reactie op het deskundigenrapport de deskundige er onder meer op gewezen dat de gekozen methodiek van waarderen (DCF-methode) voor de waarde van de vof in 2018 en een waardering op grond van de zichtbare economische bezittingen in 2013 risico’s met zich brengt op dubbeltellingen, enkel positieve cashflows en onjuiste allocatie van opbrengsten en kosten. [eiser] stelt dat de deskundige deze risico’s lijkt te onderkennen, maar niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe deze risico’s zijn meegenomen.
Daarnaast heeft [eiser] gewezen dat er bij de agrarische activiteiten sprake was van negatieve geldstromen en die zijn volgens [eiser] niet meegenomen noch is hierop gereageerd door de deskundige.
Daarbij zegt [eiser] dat de deskundige, nadat [eiser] hem daarop heeft gewezen, heeft erkend dat het parkeerterrein onjuist is gewaardeerd, maar de waardering niet heeft aangepast.
2.7.
Verder heeft [eiser] aangevoerd dat de DCF-methode ongeschikt is, althans de keuze voor deze methode niet goed is gemotiveerd door de deskundige. De waarde van het parkeerterrein is in 2013 vastgesteld op grond van historische geldstromen en in 2018 op grond van de methodiek van toekomstige geldstromen. Om tot een zuivere en correcte vergelijking te komen van het waardeverschil tussen de start van de vof en het einde van de vof, dient gebruik te worden gemaakt van dezelfde waarderingsmethode. Daarnaast wordt met de DCF-methode de waarde van een onderneming bepaald door de toekomstige kasstromen te verdisconteren naar hun huidige waarde. Als de peildata te ver in het verleden liggen, verliest de DCF-methode grondslag om tot een correcte waardering te komen vanwege onbetrouwbare kasstroomprojecties, veranderde risico’s en disconteringsvoet en hindsight bias, aldus [eiser] .
2.8.
Op grond van het voorgaande (rechtsoverweging 2.6 en 2.7) verzoekt [eiser] de rechtbank de deskundige een aanvullende instructie te geven om de waarde van de onderneming per 1 januari 2013 en per 30 september 2018 te beoordelen volgens de methodiek van de intrinsieke waarde, althans de deskundige de volgende vragen te stellen:
Welke waarderingsmethode is naar uw oordeel de meest aangewezen methode om de waardes op de peildata te bepalen? Indien dit de DCF-methode (of een daaraan verwante methode) is, beschikt u dan over voldoende gegevens om een berekening op basis van deze gegevens uit te voeren voor zowel de gehele onderneming in 2013 en de gehele onderneming in 2018? Wat is in dat geval de waarde, bij toepassing van de DCF-methode (stand alone, going concern)?
Wat is de bedrijfswaarde in 2013 en 2018 als deze wordt bepaald conform de waardering op basis van de zichtbare intrinsieke waarde gecorrigeerd voor actuele waarde onroerende zaken?
2.9.
De rechtbank overweegt als volgt. De deskundigheid van de deskundige wordt door geen van partijen in twijfel getrokken. Het deskundigenrapport is ook op de juiste wijze tot stand gekomen. De deskundige heeft zijn keuzes en oordelen goed onderbouwd. In zo een geval geldt voor de rechter een beperkte motiveringsplicht om de bevindingen van de deskundige te volgen. De rechter zal wel moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige, indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze.
2.10.
De rechtbank is van oordeel dat de deskundige wel is ingegaan op de opmerkingen van [eiser] op de conceptrapportage.
Conclusie
2.14.
De rechtbank zal daarom de conclusie uit het deskundigenbericht volgen. Dat betekent dat de waardestijging over de periode 1 januari 2013 tot 30 september 2018 wordt bepaald op € 1.037.566,-, welk bedrag beide partijen voor een gelijk deel toekomt. De waardestijging is gecorrigeerd op de kapitaalrekening van [gedaagde] , waarmee deze € 600.983,- bedraagt. Rekening houdend met de eerder vastgestelde kapitaalstand (zie overweging 4.13.3 in het vonnis van 17 augustus 2022) wordt die stand nu € 523.367,60.
Op basis van artikel 14 van de vof-akte wordt laatstgenoemd bedrag omgezet in een schuld.
Rentevergoeding
2.15.
In artikel 14.5 van de vof-akte is bepaald dat “Zolang het in lid 1 bedoelde kapitaal niet is afgelost, zal de voortzettende vennoot over het nog niet afgeloste deel een rente vergoeden. Deze rente zal worden berekend naar een percentage per jaar, dat gelijk is aan de rente die over de kapitaalrekeningen wordt vergoed. De rente wordt betaald gelijk met de aflossingen genoemd in lid 2.”
2.16.
[eiser] heeft in dit kader betoogd dat er geen rente is berekend over het kapitaal. Partijen hebben jaarlijks bij de accountant besproken dat gezien de lage rentestanden besloten is de rentetoerekening achterwege te laten. Rekening houdend met de samenleefsituatie destijds en de regelingen die daaraan ten grondslag lagen, gaf dat geen aanleiding om één en ander aan te passen. De voor- en nadelen zijn met de accountant besproken en we hebben ook getekend voor de resultaatverdelingen over de jaren, aldus [eiser] .
Volgens [gedaagde] is er nooit gesproken over rentevergoeding over het kapitaal, ook niet tijdens het opmaken van de jaarrekeningen. Het is [gedaagde] onbekend waarom de renteverrekening niet heeft plaatsgevonden en is doorberekend.
2.17.
De rechtbank overweegt als volgt. De deskundige heeft bij de beantwoording van vraag 4 opgemerkt dat uit de jaarrekeningen van de vof blijkt dat er geen rentevergoeding is verrekend over de kapitaalrekeningen gedurende de looptijd van de vof. De rechtbank is daarom van oordeel dat door [eiser] geen rentevergoeding aan [gedaagde] verschuldigd is. Overigens zou het nu voor het eerst verplicht zijn tot het vergoeden van rente in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid.
Wel zal [eiser] over het hierna toe te wijzen bedrag de wettelijke rente verschuldigd zijn, zoals door [gedaagde] gevorderd, zij het vanaf de datum van dit vonnis.
Betaling in termijnen
2.18.
De rechtbank zal het verzoek van [eiser] honoreren om met toepassing van de bepalingen in de vennootschapsakte het toe te wijzen bedrag in termijnen te mogen voldoen.
Kosten van de deskundige
2.19.
Beide partijen hebben de helft van de kosten van de deskundige voorgeschoten. Gelet op de uitkomst van het deskundigenonderzoek is de rechtbank van oordeel dat die verdeling ook zo moet blijven.
Proceskosten
2.20.
Beide partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld. Daarom zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank
in conventie en in reconventie
3.1.
veroordeelt partijen om tot verdeling van het vermogen van de vof over te gaan, per datum van de ontbinding van de vof, te weten 30 september 2018,
3.2.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen in totaal een bedrag van € 523.367,60, met wettelijke rente vanaf heden, waarbij [eiser] een eerste termijn van € 240.000,- binnen veertien dagen na datum vonnis moet betalen en de overige termijnen van respectievelijk € 71.000,-, € 71.000,-, € 71.000,- en € 70.367,60 (verhoogd met de totaal per datum van de laatste betaling verschuldigde wettelijke rente) jaarlijks uiterlijk 1 oktober (respectievelijk 2025, 2026, 2027 en 2028),
3.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en door mr. A.C. Haverkate in het openbaar uitgesproken op 11 september 2024.
HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468
Inleiding
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/320962 / HA ZA 21-535
Vonnis van 11 september 2024 (na deskundigenbericht)
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: voorheen: A. Mahabiersing, thans: mr. J.J. Dijkman,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. W.J.T. Ursem.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenvonnissen van 17 augustus 2022 en 24 mei 2023,
- de e-mail van 4 januari 2024 van de deskundige aan de rechtbank over twee inconsistenties in rechtsoverweging 4.13.1 in het tussenvonnis van 17 augustus 2022 en de reactie hierop bij e-mail van 8 januari 2024 van de rechtbank aan de deskundige,
- het deskundigenbericht van 19 maart 2024, - de conclusie na deskundigenbericht van [eiser] met productie 62, - de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
in conventie en in reconventie
2.1.
De rechtbank blijft bij wat zij heeft overwogen en beslist in de eerder gewezen vonnissen.
2.2.
Bij tussenvonnis van 24 mei 2023 heeft de rechtbank een onderzoek door een deskundige bevolen. Voorafgaand heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld, na de mondelinge behandeling op 17 januari 2023, zich bij akte uit te laten over de persoon van de deskundige en de aan deze te stellen vragen. Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank heeft vervolgens de heer R. van Bruggen RA (hierna: de deskundige) als deskundige benoemd en hem vier vragen voorgelegd. In haar tussenvonnis van 24 mei 2023 heeft de rechtbank kort samengevat welke uitgangspunten daarbij gelden, namelijk:
“- [gedaagde] is op 1 januari 2013 toegetreden tot een bestaande vennootschap, waarin [eiser] al vennoot was
Na onderling overleg is [gedaagde] op 30 september 2018 uit de vennootschap getreden en heeft [eiser] de vennootschap voortgezet
De vof dient op basis van de slotbalans in de verhouding 50/50 te worden verdeeld, na aftrek van het bedrag van € 767.176,- aan stille reserves dat aan [eiser] toekomt
Klaver heeft een taxatie van de onderneming per 30 september 2018 gemaakt op dezelfde wijze als dat in 2013 was gedaan bij de toetreding van [gedaagde]
De bedrijfswaarde van de recreatiewoningen en het parkeerterrein zijn in die beide taxaties niet bepaald
De toename van deze waarde tussen 1-1-2013 en 30-9-2018 dient tussen beide partijen gelijkelijk te worden verdeeld
Perceelsgedeelte 1 van het parkeerterrein wordt het hele jaar door dagelijks gebruikt. Op dit gedeelte is ruimte voor 150 auto’s
Perceelsgedeelten 2 en 3 worden alleen opengesteld op drukke dagen, wanneer op gedeelte 1 onvoldoende ruimte is. Op deze gedeelten is ruimte voor 1.038 auto’s
Perceelsgedeelte 4 wordt niet gebruikt om te parkeren.”
2.3.
De deskundige heeft vervolgens in hoofdstuk 8 van zijn rapport van 19 maart 2024 de volgende antwoorden gegeven:
2.4.
[gedaagde] heeft in haar laatste conclusie verklaard dat zij zich met het deskundigenbericht kan verenigen en verzoekt de rechtbank het deskundigenbericht als uitgangspunt te nemen bij het nemen van de beslissing over de waarde van het aandeel van [gedaagde] in de vof per 30 september 2018.
2.5.
Volgens [eiser] kan het deskundigenbericht niet bijdragen en ten grondslag liggen aan een (eind-)beslissing in deze zaak omdat het deskundigenbericht onvoldoende inzichtelijk, inconsistent en onvolledig en daardoor (deels) ongeschikt is. De rechtbank zal hierna de bezwaren van [eiser] bespreken.
2.6.
Volgens [eiser] heeft de deskundige geen of onvoldoende aandacht besteed aan de vragen en opmerkingen van [eiser] terwijl deze binnen het kader van de gestelde vragen aan de deskundige vallen. Zo heeft [eiser] in zijn reactie op het deskundigenrapport de deskundige er onder meer op gewezen dat de gekozen methodiek van waarderen (DCF-methode) voor de waarde van de vof in 2018 en een waardering op grond van de zichtbare economische bezittingen in 2013 risico’s met zich brengt op dubbeltellingen, enkel positieve cashflows en onjuiste allocatie van opbrengsten en kosten. [eiser] stelt dat de deskundige deze risico’s lijkt te onderkennen, maar niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe deze risico’s zijn meegenomen.
Daarnaast heeft [eiser] gewezen dat er bij de agrarische activiteiten sprake was van negatieve geldstromen en die zijn volgens [eiser] niet meegenomen noch is hierop gereageerd door de deskundige.
Daarbij zegt [eiser] dat de deskundige, nadat [eiser] hem daarop heeft gewezen, heeft erkend dat het parkeerterrein onjuist is gewaardeerd, maar de waardering niet heeft aangepast.
2.7.
Verder heeft [eiser] aangevoerd dat de DCF-methode ongeschikt is, althans de keuze voor deze methode niet goed is gemotiveerd door de deskundige. De waarde van het parkeerterrein is in 2013 vastgesteld op grond van historische geldstromen en in 2018 op grond van de methodiek van toekomstige geldstromen. Om tot een zuivere en correcte vergelijking te komen van het waardeverschil tussen de start van de vof en het einde van de vof, dient gebruik te worden gemaakt van dezelfde waarderingsmethode. Daarnaast wordt met de DCF-methode de waarde van een onderneming bepaald door de toekomstige kasstromen te verdisconteren naar hun huidige waarde. Als de peildata te ver in het verleden liggen, verliest de DCF-methode grondslag om tot een correcte waardering te komen vanwege onbetrouwbare kasstroomprojecties, veranderde risico’s en disconteringsvoet en hindsight bias, aldus [eiser] .
2.8.
Op grond van het voorgaande (rechtsoverweging 2.6 en 2.7) verzoekt [eiser] de rechtbank de deskundige een aanvullende instructie te geven om de waarde van de onderneming per 1 januari 2013 en per 30 september 2018 te beoordelen volgens de methodiek van de intrinsieke waarde, althans de deskundige de volgende vragen te stellen:
Welke waarderingsmethode is naar uw oordeel de meest aangewezen methode om de waardes op de peildata te bepalen? Indien dit de DCF-methode (of een daaraan verwante methode) is, beschikt u dan over voldoende gegevens om een berekening op basis van deze gegevens uit te voeren voor zowel de gehele onderneming in 2013 en de gehele onderneming in 2018? Wat is in dat geval de waarde, bij toepassing van de DCF-methode (stand alone, going concern)?
Wat is de bedrijfswaarde in 2013 en 2018 als deze wordt bepaald conform de waardering op basis van de zichtbare intrinsieke waarde gecorrigeerd voor actuele waarde onroerende zaken?
2.9.
De rechtbank overweegt als volgt. De deskundigheid van de deskundige wordt door geen van partijen in twijfel getrokken. Het deskundigenrapport is ook op de juiste wijze tot stand gekomen. De deskundige heeft zijn keuzes en oordelen goed onderbouwd. In zo een geval geldt voor de rechter een beperkte motiveringsplicht om de bevindingen van de deskundige te volgen. De rechter zal wel moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige, indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze.
2.10.
De rechtbank is van oordeel dat de deskundige wel is ingegaan op de opmerkingen van [eiser] op de conceptrapportage.
Conclusie
2.14.
De rechtbank zal daarom de conclusie uit het deskundigenbericht volgen. Dat betekent dat de waardestijging over de periode 1 januari 2013 tot 30 september 2018 wordt bepaald op € 1.037.566,-, welk bedrag beide partijen voor een gelijk deel toekomt. De waardestijging is gecorrigeerd op de kapitaalrekening van [gedaagde] , waarmee deze € 600.983,- bedraagt. Rekening houdend met de eerder vastgestelde kapitaalstand (zie overweging 4.13.3 in het vonnis van 17 augustus 2022) wordt die stand nu € 523.367,60.
Op basis van artikel 14 van de vof-akte wordt laatstgenoemd bedrag omgezet in een schuld.
Rentevergoeding
2.15.
In artikel 14.5 van de vof-akte is bepaald dat “Zolang het in lid 1 bedoelde kapitaal niet is afgelost, zal de voortzettende vennoot over het nog niet afgeloste deel een rente vergoeden. Deze rente zal worden berekend naar een percentage per jaar, dat gelijk is aan de rente die over de kapitaalrekeningen wordt vergoed. De rente wordt betaald gelijk met de aflossingen genoemd in lid 2.”
2.16.
[eiser] heeft in dit kader betoogd dat er geen rente is berekend over het kapitaal. Partijen hebben jaarlijks bij de accountant besproken dat gezien de lage rentestanden besloten is de rentetoerekening achterwege te laten. Rekening houdend met de samenleefsituatie destijds en de regelingen die daaraan ten grondslag lagen, gaf dat geen aanleiding om één en ander aan te passen. De voor- en nadelen zijn met de accountant besproken en we hebben ook getekend voor de resultaatverdelingen over de jaren, aldus [eiser] .
Volgens [gedaagde] is er nooit gesproken over rentevergoeding over het kapitaal, ook niet tijdens het opmaken van de jaarrekeningen. Het is [gedaagde] onbekend waarom de renteverrekening niet heeft plaatsgevonden en is doorberekend.
2.17.
De rechtbank overweegt als volgt. De deskundige heeft bij de beantwoording van vraag 4 opgemerkt dat uit de jaarrekeningen van de vof blijkt dat er geen rentevergoeding is verrekend over de kapitaalrekeningen gedurende de looptijd van de vof. De rechtbank is daarom van oordeel dat door [eiser] geen rentevergoeding aan [gedaagde] verschuldigd is. Overigens zou het nu voor het eerst verplicht zijn tot het vergoeden van rente in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid.
Wel zal [eiser] over het hierna toe te wijzen bedrag de wettelijke rente verschuldigd zijn, zoals door [gedaagde] gevorderd, zij het vanaf de datum van dit vonnis.
Betaling in termijnen
2.18.
De rechtbank zal het verzoek van [eiser] honoreren om met toepassing van de bepalingen in de vennootschapsakte het toe te wijzen bedrag in termijnen te mogen voldoen.
Kosten van de deskundige
2.19.
Beide partijen hebben de helft van de kosten van de deskundige voorgeschoten. Gelet op de uitkomst van het deskundigenonderzoek is de rechtbank van oordeel dat die verdeling ook zo moet blijven.
Proceskosten
2.20.
Beide partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld. Daarom zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank
in conventie en in reconventie
3.1.
veroordeelt partijen om tot verdeling van het vermogen van de vof over te gaan, per datum van de ontbinding van de vof, te weten 30 september 2018,
3.2.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen in totaal een bedrag van € 523.367,60, met wettelijke rente vanaf heden, waarbij [eiser] een eerste termijn van € 240.000,- binnen veertien dagen na datum vonnis moet betalen en de overige termijnen van respectievelijk € 71.000,-, € 71.000,-, € 71.000,- en € 70.367,60 (verhoogd met de totaal per datum van de laatste betaling verschuldigde wettelijke rente) jaarlijks uiterlijk 1 oktober (respectievelijk 2025, 2026, 2027 en 2028),
3.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en door mr. A.C. Haverkate in het openbaar uitgesproken op 11 september 2024.
HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468