Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-10-10
ECLI:NL:RBNHO:2024:10363
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
10,898 tokens
Inleiding
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/356243 / KG ZA 24-501
Vonnis in kort geding van 7 oktober 2024
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. D.G. Lasschuit,
tegen
1
[gedaagde 1],
en2. [gedaagde 2],
beiden wonende te [plaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. A.S. van Gaalen.
De zaak in het kort
[gedaagden] stellen dat hun door [eiser] gebouwde woning verschillende gebreken heeft. Zij hebben gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot vergoeding van de herstelkosten en (gefixeerde) schadevergoeding. Nadat [gedaagden] conservatoir beslagen hadden gelegd ten laste van [eiser], heeft [eiser] een vervangende bankgarantie verstrekt van € 125.300,00.
Op 31 juli 2024 heeft deze rechtbank een eindvonnis gewezen waarin de vorderingen van [gedaagden] op [eiser] zijn toegewezen tot een bedrag van (na verrekening) € 19.502,87. [eiser] vordert in dit kort geding dat [gedaagden] worden veroordeeld de bankgarantie te verlagen tot dat bedrag.
De voorzieningenrechter wijst die vordering af. Voor zover artikel 705 lid 2 Rv naar analogie kan worden toegepast, is niet gebleken dat de vordering van [gedaagden] summierlijk ondeugdelijk is. [gedaagden] hebben hoger beroep ingesteld. Het belang van [gedaagden] bij het behoud van de bankgarantie weegt zwaarder dan het belang van [eiser] bij de verlaging daarvan. Het beroep van [eiser] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en misbruik van recht slaagt om die reden ook niet.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 september 2024 met producties 1 tot en met 15;
- de akte overlegging producties met producties 1 tot en met 27 van de zijde van [gedaagden]; - de mondelinge behandeling van 19 september 2024, waarbij door partijen pleitaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Op de zitting hebben partijen aanhouding van de procedure gevraagd teneinde een minnelijke regeling te beproeven. Mr. Lasschuit heeft de voorzieningenrechter op 23 september 2024 bericht dat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt en vonnis gevraagd. Mr. Van Gaalen heeft dit bericht diezelfde dag bevestigd en eveneens vonnis gevraagd. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.
Feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[gedaagden] zijn de eigenaren van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 2] (hierna: de woning). [gedaagden] hebben de woning nieuw laten bouwen. Ze hebben daartoe opdracht gegeven aan [eiser]. Op 3 december 2019 is de woning aan [gedaagden] opgeleverd.
2.2.
[gedaagden] hebben [eiser] bij dagvaarding van 16 november 2020 in een bodemprocedure betrokken (hierna: de bodemprocedure).
2.3.
Na daartoe verlof te hebben verkregen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, hebben [gedaagden] op 26 januari 2022 conservatoir derdenbeslag laten leggen ten laste van [eiser] onder de Rabobank en een betrokken notaris. De vordering van [gedaagden] op [eiser] is in het verlof begroot op € 125.300,00.
2.4.
Op 9 februari 2022 heeft [eiser] een bankgarantie van ING N.V. verstrekt ter hoogte van € 125.300,00. Daarna zijn de conservatoire beslagen opgeheven. In de bankgarantie is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:
“2. De Bank verbindt zich op eerste schriftelijke verzoek van de Begunstigde, onder gelijktijdige overlegging van:
a. een afschrift van een beslissing van een Nederlandse rechter met betrekking tot de
Vordering, gewezen in een procedure tussen de Begunstigde en de Debiteur, vergezeld van
een verklaring van een in Nederland ingeschreven advocaat dat de wettelijke termijn, voor
zover van toepassing, voor verzet, hoger beroep of cassatie is verstreken en dat voor zover
hem bekend tegen die beslissing niet binnen die termijn hoger beroep of cassatie is ingesteld
dan wel bij een verstekvonnis dat niet binnen zes weken na betekening van dat vonnis aan
de Bank verzet is gedaan, of
b. een afschrift van een arbitraal vonnis met betrekking tot de Vordering gewezen in een
procedure tussen de Begunstigde en de Debiteur, of
c. een door partijen gewaarmerkt afschrift van een akte, houdende een minnelijke regeling
tussen de Begunstigde en de Debiteur met betrekking tot de Vordering,
aan de Begunstigde
te voldoen het bedrag dat de Begunstigde schriftelijk verklaart ter zake van de Vordering
opeisbaar van de Debiteur te vorderen te hebben, met dien verstande dat de Bank niet
gehouden is meer te voldoen dan het bedrag dat de Begunstigde blijkens een of meer van
de bovenbedoelde bewijsstukken van de Debiteur te vorderen heeft.
(…)
4. Deze garantie is geldig tot een maximum bedrag van EUR 125,300.00. Indien de
Begunstigde bij een schriftelijk verzoek om betaling uit hoofde van deze garantie aangeeft
dat het een deelbetaling betreft, blijft de garantie voor het resterende deel in stand.”
2.5.
In het eindvonnis van 31 juli 2024 in de bodemprocedure heeft de rechtbank de vorderingen van [gedaagden] toegewezen tot een bedrag van € 22.516,73, te vermeerderen met rente en kosten. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagden] toegewezen tot een bedrag van € 6.076,99, te vermeerderen met rente en kosten. Over de beslag- en bankgarantiekosten heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“2.37. [gedaagden] vorderen [eiser] te veroordelen tot betasting van de beslagkosten. [eiser] betwist dat zij aansprakelijk is voor de kosten van beslag, omdat het depot bij de notaris ruim voldoende was voor de nog resterende opleverpunten. Ook hebben Zuidhof beslag gelegd voor een onredelijk hoog bedrag, waardoor [eiser] kosten heeft moeten maken om voor dat bedrag een bankgarantie te stellen voor opheffing van het beslag op haar bankrekeningen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de laatste 5% van de aanneemsom (€ 27.500,00) destijds bij de notaris in depot was gestort. Ook staat vast dat [gedaagden] in verband met hun vordering op [eiser] voor een bedrag van ruim € 125.000,00 derdenbeslag hebben laten leggen onder ING, Rabobank en de notaris. De rechtbank is van oordeel dat het beslag onnodig is gelegd, omdat de toewijsbare vordering in totaal minder bedraagt dan wat destijds bij de notaris in depot was gesteld. De beslagkosten zullen daarom worden afgewezen.
(…)
Bankgarantiekosten
2.41.
[eiser] vordert een bedrag van € 1.780,77 aan kosten die zij heeft gemaakt voor het stellen van een bankgarantie ter opheffing van de door [gedaagden] gelegde beslagen.
2.42.
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak, degene die een beslag legt daarmee op eigen risico handelt en, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade dient te vergoeden indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, zulks ook in het geval dat hij, op verdedigbare gronden van het bestaan van zijn vorderingsrecht overtuigd, bij het leggen van het beslag niet lichtvaardig heeft gehandeld.
Bijzondere omstandigheden daargelaten, is de beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degene op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt. Van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld is niet gebleken. Omdat in conventie is geoordeeld dat het beslag onnodig is gelegd en [eiser] de bankgarantie kosten niet zou hebben gemaakt als er geen beslag was gelegd, staat het causaal verband tussen deze schade en het handelen van Zuidhofc.s. vast. Het gevorderde
bedrag van € I1.780.77 is daarom toewijsbaar.”
2.6.
Op 13 augustus 2024 heeft (de advocaat van) [eiser] aangeboden € 19.502,87 over te maken aan [gedaagden], met het verzoek daarna de bankgarantie vrij te geven. Op 20 augustus 2024 heeft (de advocaat van) [gedaagden] daarop geantwoord dat [gedaagden] voornemens zijn beroep in te stellen tegen het eindvonnis en daarom niet bereid zijn de bankgarantie vrij te geven, maar wel te verlagen tot € 99.500,00.
2.7.
Per e-mail van 26 augustus 2024 hebben [gedaagden] medegedeeld dat zij een beroep zullen doen op artikel 4 van de bankgarantie voor het door [eiser] verschuldigde bedrag aan [gedaagden]
2.8.
[eiser] heeft [gedaagden] bij e-mail van 26 augustus 2024 (nogmaals) gevraagd medewerking te verlenen aan het verlagen van de bankgarantie tot het door de rechtbank toegewezen bedrag. [gedaagden] hebben daaraan geen medewerking verleend.
2.9.
Op 16 september 2024 hebben [gedaagden] beroep ingesteld tegen (twee tussenvonnissen en) het eindvonnis in de bodemprocedure.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het verlagen van de door ING Bank gestelde bankgarantie tot een bedrag van € 19.502,87, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagden] met de voldoening daaraan in gebreke blijven, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van het geding.
3.2.
[eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat uit het eindvonnis, dat berust op een tweetal deskundigenrapporten, volgt dat [gedaagden] geen hogere aanspraak hebben dan € 19.502,87. Niet gesteld of gebleken is dat het vonnis op een kennelijke feitelijke of juridische misslag berust of dat sprake is van nadien aan het licht gekomen feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden. Gelet op het bepaalde in artikel 705 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en de onnodigheid van de bankgarantie, en de summierlijk gebleken ondeugdelijkheid van de vorderingen van [gedaagden], moeten [gedaagden] de bankgarantie opheffen. Subsidiair volgt die verplichting uit de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in de artikelen 6:2 en 6:248 Burgerlijk Wetboek (BW). Het in stand houden van de volledige bankgarantie levert meer subsidiair onder deze omstandigheden misbruik van recht op in de zin van artikel 3:13 BW, aldus [eiser]. [eiser] heeft daartoe aangevoerd dat zij in haar liquiditeit en bedrijfsvoering wordt beperkt, de verstrekte contra-garantie drukt op haar liquiditeit en dat zij een vervangende financiering heeft moeten aantrekken tegen een aanzienlijk hogere rente dan de rente die zij aan ING betaalt.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt in het navolgende, voor zover nodig, ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Het spoedeisend belang van [eiser] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken, nu [eiser] aan haar vordering onder andere ten grondslag heeft gelegd dat de bankgarantie al tweeënhalf jaar op haar liquiditeit drukt en zij daardoor in haar bedrijfsmogelijkheden wordt beperkt.
4.2.
De vraag die aan de voorzieningenrechter is voorgelegd, is of de aan [gedaagden] afgegeven bankgarantie verlaagd dient te worden tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van de vordering van [gedaagden] De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Het volgende is daartoe redengevend.
Primair: Analoge toepassing van artikel 705 lid 2 Rv?
4.3.
Op grond van artikel 705 lid 1 Rv kan de voorzieningenrechter die verlof tot het conservatoir beslag heeft gegeven, het beslag op vordering van elke belanghebbende opheffen. De opheffing kan onder meer worden uitgesproken indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt (artikel 705 lid 2 BW). De beoordeling van de opheffingsvordering kan niet los geschieden van een afweging van de wederzijdse belangen. Als de beslaglegger zijn vordering niet aannemelijk maakt, noopt dit nog niet tot opheffing van het conservatoir beslag; ook dan moet nog een belangenafweging plaatsvinden. Anderzijds kan zich voordoen dat een vordering wel degelijk in zekere mate aannemelijk gemaakt wordt, maar niet voldoende om de ingrijpende gevolgen van het betreffende beslag voor de schuldenaar te rechtvaardigen.
4.4.
[eiser] vordert geen opheffing van het conservatoir beslag, maar een veroordeling van [gedaagden] om medewerking te verlenen aan het verlagen van de bankgarantie die in de plaats is gekomen van de gelegde conservatoire beslagen. [eiser] betoogt dat de maatstaf van artikel 705 lid 2 BW op die vordering analoog van toepassing is. Of artikel 705 lid 2 Rv zich inderdaad leent voor analoge toepassing, kan in het midden blijven. Zelfs als artikel 705 lid 2 Rv analoog van toepassing zou zijn, dan heeft [eiser] namelijk, gelet op het volgende, niet aannemelijk gemaakt dat een van de opheffingsgronden zich voordoet.
4.5.
[eiser] heeft gesteld dat in het eindvonnis in de bodemprocedure de vorderingen van [gedaagden] tot een bedrag van (na verrekening) € 19.502,87 zijn toegewezen en dat voor dat bedrag destijds een depot was gestort bij de notaris. Voor het overige zijn de vorderingen van [gedaagden] afgewezen, zodat het door [gedaagden] gelegde beslag onnodig en daarmee onrechtmatig is gelegd, aldus [eiser].
4.6.
De voorzieningenrechter overweegt dat het feit dat in het eindvonnis in eerste aanleg de vorderingen van [eiser] boven het bedrag van (na verrekening) € 19.502,87 zijn afgewezen, nog niet betekent dat (boven dat bedrag) summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagden] ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag is gebleken. [gedaagden] hebben immers op 16 september 2024 hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis in eerste aanleg. Zolang het eindvonnis in eerste aanleg nog geen kracht van gewijsde heeft gekregen, staat de onrechtmatigheid van het beslag (in dit geval: de bankgarantie) dus niet vast en moet de vordering tot opheffing daarvan plaatsvinden aan de hand van een belangenafweging.
4.7.
Aan de enkele stelling van [eiser] dat het eindvonnis in de bodemzaak niet op een kennelijke feitelijke of juridische misslag berust en dat geen sprake is van nadien aan het licht gekomen feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden, gaat de voorzieningenrechter voorbij. Daarmee legt [eiser] namelijk een te beperkte beoordelingsmaatstaf aan. Voor zover [eiser] daarmee betoogt dat het hoger beroep van [gedaagden] bij voorbaat kansloos is en daarom de ondeugdelijkheid van de vordering summierlijk is gebleken, wordt zij daarin evenmin gevolgd. [gedaagden] hebben immers concreet toegelicht tegen welke oordelen van het eindvonnis van de rechtbank zij grieven zal richten. Dat die grieven geen enkele kans van slagen hebben is niet gebleken. Voor een (voorlopige) beoordeling van het door [gedaagden] tegen het vonnis aangevoerde rechtsmiddel is in dit kort geding verder geen plaats.
4.8.
In een geval als het onderhavige waarin tegen het vonnis in eerste aanleg een rechtsmiddel is ingesteld, dienen de belangen van partijen te worden afgewogen, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat een conservatoir beslag (in dit geval: een verstrekte bankgarantie) naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat voor een vooralsnog niet vaststaande vordering verhaal mogelijk zal zijn ingeval de vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, terwijl de beslaglegger (in dit geval: de begunstigde van de bankgarantie) bij (definitieve) afwijzing van de vordering in de hoofdzaak voor de door het beslag ontstane schade aansprakelijk is. De omstandigheid dat de rechter in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient hierbij te worden betrokken.
4.9.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan het belang van [gedaagden] bij instandhouding van de bankgarantie een groter gewicht moet worden toegekend dan aan het belang van [eiser] bij verlaging van de bankgarantie. Daartoe overweegt hij het volgende.
4.10.
[gedaagden] hebben tijdens de zitting niet alleen toegelicht op welke gronden hun hoger beroep is gebaseerd, maar ook dat onzekerheid bestaat over de continuïteit van de onderneming van [eiser]. Als productie 24 hebben [gedaagden] de laatst gedeponeerde jaarstukken 2022 van [eiser] overgelegd. Hieruit blijkt dat [eiser] in 2022 een negatief eigen vermogen van € 895.016,00 had en dat volgens de toelichting “hierdoor er een onzekerheid van materieel belang [bestaat] op grond waarvan gerede twijfel zou kunnen bestaan over de continuïteit van het geheel van de werkzaamheden van [eiser] B.V.” . Tijdens de zitting heeft [eiser] betwist dat uit deze jaarstukken blijkt dat het niet goed met de onderneming gaat, maar zij heeft ook op de zitting verklaard dat zij door de door haar gegeven contra-garantie moeite heeft om haar onderaannemers te betalen. Daarnaast hebben [gedaagden] aangevoerd dat één van de twee compagnons van [eiser] is vertrokken, hetgeen ter zitting namens [eiser] is bevestigd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit deze omstandigheden dat de zorgen van [gedaagden] over de verhaalbaarheid van hun vordering, mocht die hoger blijken dan door de rechtbank toegewezen, niet volledig ongegrond zijn. Daarom hebben [gedaagden] een reëel en zwaarwegend belang bij het behouden van de bankgarantie gedurende de procedure in hoger beroep.
4.11.
Tegenover dit belang van [gedaagden] bij het behouden van de bankgarantie, staat het belang van [eiser] bij het verlagen van de bankgarantie. Het spreekt voor zich dat de bankgarantie (althans de daaraan gekoppelde contra-garantie) drukt op haar liquiditeit en dat [eiser] dus last heeft van de bankgarantie. [eiser] heeft de concrete impact van de bankgarantie op haar bedrijfsvoering echter onvoldoende concreet onderbouwd. Weliswaar heeft [eiser] ter zitting toegelicht dat zij daardoor niet (tijdig) kan voldoen aan haar betalingsverplichtingen tegenover haar onderaannemers en dat dit schadelijk is voor haar (vertrouwens)relatie met haar onderaannemers, maar dit betoog is niet van enige onderbouwing of concretisering voorzien. Hetzelfde geldt voor het betoog van [eiser] dat zij hoge kosten moet maken voor het aantrekken van vervangende financiering: ter zitting heeft [eiser] weliswaar rentepercentages genoemd, maar het is onduidelijk gebleven welke daadwerkelijke kosten daaraan zijn verbonden en op welke wijze dit de bedrijfsvoering van [eiser] beïnvloedt. Zij heeft bijvoorbeeld niet onderbouwd dat zij opdrachten dreigt mis te lopen door de gestelde liquiditeitsproblemen.
Conclusie
4.17.
De slotsom op grond van het voorgaande is dat geen van door [eiser] gestelde grondslagen slagen. De vordering zal daarom worden afgewezen.
4.18.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagden] betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
Griffierecht € 320,00
Salaris advocaat € 1.107,00 (1 punt x 1.107,00)
Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.605,00
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vordering van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.605,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.3.
verklaart dit vonnis – voor wat betreft de proceskosten – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2024.
1538
vgl. HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9060 (Rohde Nielsen/De Donge).
vgl. HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:599, r.o. 3.2.
vgl. HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559.
Vgl. HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074 (Nidera), rov. 3.8.
Inleiding
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/356243 / KG ZA 24-501
Vonnis in kort geding van 7 oktober 2024
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. D.G. Lasschuit,
tegen
1
[gedaagde 1],
en2. [gedaagde 2],
beiden wonende te [plaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. A.S. van Gaalen.
De zaak in het kort
[gedaagden] stellen dat hun door [eiser] gebouwde woning verschillende gebreken heeft. Zij hebben gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot vergoeding van de herstelkosten en (gefixeerde) schadevergoeding. Nadat [gedaagden] conservatoir beslagen hadden gelegd ten laste van [eiser], heeft [eiser] een vervangende bankgarantie verstrekt van € 125.300,00.
Op 31 juli 2024 heeft deze rechtbank een eindvonnis gewezen waarin de vorderingen van [gedaagden] op [eiser] zijn toegewezen tot een bedrag van (na verrekening) € 19.502,87. [eiser] vordert in dit kort geding dat [gedaagden] worden veroordeeld de bankgarantie te verlagen tot dat bedrag.
De voorzieningenrechter wijst die vordering af. Voor zover artikel 705 lid 2 Rv naar analogie kan worden toegepast, is niet gebleken dat de vordering van [gedaagden] summierlijk ondeugdelijk is. [gedaagden] hebben hoger beroep ingesteld. Het belang van [gedaagden] bij het behoud van de bankgarantie weegt zwaarder dan het belang van [eiser] bij de verlaging daarvan. Het beroep van [eiser] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en misbruik van recht slaagt om die reden ook niet.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 september 2024 met producties 1 tot en met 15;
- de akte overlegging producties met producties 1 tot en met 27 van de zijde van [gedaagden]; - de mondelinge behandeling van 19 september 2024, waarbij door partijen pleitaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Op de zitting hebben partijen aanhouding van de procedure gevraagd teneinde een minnelijke regeling te beproeven. Mr. Lasschuit heeft de voorzieningenrechter op 23 september 2024 bericht dat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt en vonnis gevraagd. Mr. Van Gaalen heeft dit bericht diezelfde dag bevestigd en eveneens vonnis gevraagd. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.
Feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[gedaagden] zijn de eigenaren van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 2] (hierna: de woning). [gedaagden] hebben de woning nieuw laten bouwen. Ze hebben daartoe opdracht gegeven aan [eiser]. Op 3 december 2019 is de woning aan [gedaagden] opgeleverd.
2.2.
[gedaagden] hebben [eiser] bij dagvaarding van 16 november 2020 in een bodemprocedure betrokken (hierna: de bodemprocedure).
2.3.
Na daartoe verlof te hebben verkregen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, hebben [gedaagden] op 26 januari 2022 conservatoir derdenbeslag laten leggen ten laste van [eiser] onder de Rabobank en een betrokken notaris. De vordering van [gedaagden] op [eiser] is in het verlof begroot op € 125.300,00.
2.4.
Op 9 februari 2022 heeft [eiser] een bankgarantie van ING N.V. verstrekt ter hoogte van € 125.300,00. Daarna zijn de conservatoire beslagen opgeheven. In de bankgarantie is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:
“2. De Bank verbindt zich op eerste schriftelijke verzoek van de Begunstigde, onder gelijktijdige overlegging van:
a. een afschrift van een beslissing van een Nederlandse rechter met betrekking tot de
Vordering, gewezen in een procedure tussen de Begunstigde en de Debiteur, vergezeld van
een verklaring van een in Nederland ingeschreven advocaat dat de wettelijke termijn, voor
zover van toepassing, voor verzet, hoger beroep of cassatie is verstreken en dat voor zover
hem bekend tegen die beslissing niet binnen die termijn hoger beroep of cassatie is ingesteld
dan wel bij een verstekvonnis dat niet binnen zes weken na betekening van dat vonnis aan
de Bank verzet is gedaan, of
b. een afschrift van een arbitraal vonnis met betrekking tot de Vordering gewezen in een
procedure tussen de Begunstigde en de Debiteur, of
c. een door partijen gewaarmerkt afschrift van een akte, houdende een minnelijke regeling
tussen de Begunstigde en de Debiteur met betrekking tot de Vordering,
aan de Begunstigde
te voldoen het bedrag dat de Begunstigde schriftelijk verklaart ter zake van de Vordering
opeisbaar van de Debiteur te vorderen te hebben, met dien verstande dat de Bank niet
gehouden is meer te voldoen dan het bedrag dat de Begunstigde blijkens een of meer van
de bovenbedoelde bewijsstukken van de Debiteur te vorderen heeft.
(…)
4. Deze garantie is geldig tot een maximum bedrag van EUR 125,300.00. Indien de
Begunstigde bij een schriftelijk verzoek om betaling uit hoofde van deze garantie aangeeft
dat het een deelbetaling betreft, blijft de garantie voor het resterende deel in stand.”
2.5.
In het eindvonnis van 31 juli 2024 in de bodemprocedure heeft de rechtbank de vorderingen van [gedaagden] toegewezen tot een bedrag van € 22.516,73, te vermeerderen met rente en kosten. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagden] toegewezen tot een bedrag van € 6.076,99, te vermeerderen met rente en kosten. Over de beslag- en bankgarantiekosten heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“2.37. [gedaagden] vorderen [eiser] te veroordelen tot betasting van de beslagkosten. [eiser] betwist dat zij aansprakelijk is voor de kosten van beslag, omdat het depot bij de notaris ruim voldoende was voor de nog resterende opleverpunten. Ook hebben Zuidhof beslag gelegd voor een onredelijk hoog bedrag, waardoor [eiser] kosten heeft moeten maken om voor dat bedrag een bankgarantie te stellen voor opheffing van het beslag op haar bankrekeningen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de laatste 5% van de aanneemsom (€ 27.500,00) destijds bij de notaris in depot was gestort. Ook staat vast dat [gedaagden] in verband met hun vordering op [eiser] voor een bedrag van ruim € 125.000,00 derdenbeslag hebben laten leggen onder ING, Rabobank en de notaris. De rechtbank is van oordeel dat het beslag onnodig is gelegd, omdat de toewijsbare vordering in totaal minder bedraagt dan wat destijds bij de notaris in depot was gesteld. De beslagkosten zullen daarom worden afgewezen.
(…)
Bankgarantiekosten
2.41.
[eiser] vordert een bedrag van € 1.780,77 aan kosten die zij heeft gemaakt voor het stellen van een bankgarantie ter opheffing van de door [gedaagden] gelegde beslagen.
2.42.
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak, degene die een beslag legt daarmee op eigen risico handelt en, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade dient te vergoeden indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, zulks ook in het geval dat hij, op verdedigbare gronden van het bestaan van zijn vorderingsrecht overtuigd, bij het leggen van het beslag niet lichtvaardig heeft gehandeld.
Bijzondere omstandigheden daargelaten, is de beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degene op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt. Van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld is niet gebleken. Omdat in conventie is geoordeeld dat het beslag onnodig is gelegd en [eiser] de bankgarantie kosten niet zou hebben gemaakt als er geen beslag was gelegd, staat het causaal verband tussen deze schade en het handelen van Zuidhofc.s. vast. Het gevorderde
bedrag van € I1.780.77 is daarom toewijsbaar.”
2.6.
Op 13 augustus 2024 heeft (de advocaat van) [eiser] aangeboden € 19.502,87 over te maken aan [gedaagden], met het verzoek daarna de bankgarantie vrij te geven. Op 20 augustus 2024 heeft (de advocaat van) [gedaagden] daarop geantwoord dat [gedaagden] voornemens zijn beroep in te stellen tegen het eindvonnis en daarom niet bereid zijn de bankgarantie vrij te geven, maar wel te verlagen tot € 99.500,00.
2.7.
Per e-mail van 26 augustus 2024 hebben [gedaagden] medegedeeld dat zij een beroep zullen doen op artikel 4 van de bankgarantie voor het door [eiser] verschuldigde bedrag aan [gedaagden]
2.8.
[eiser] heeft [gedaagden] bij e-mail van 26 augustus 2024 (nogmaals) gevraagd medewerking te verlenen aan het verlagen van de bankgarantie tot het door de rechtbank toegewezen bedrag. [gedaagden] hebben daaraan geen medewerking verleend.
2.9.
Op 16 september 2024 hebben [gedaagden] beroep ingesteld tegen (twee tussenvonnissen en) het eindvonnis in de bodemprocedure.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het verlagen van de door ING Bank gestelde bankgarantie tot een bedrag van € 19.502,87, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagden] met de voldoening daaraan in gebreke blijven, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van het geding.
3.2.
[eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat uit het eindvonnis, dat berust op een tweetal deskundigenrapporten, volgt dat [gedaagden] geen hogere aanspraak hebben dan € 19.502,87. Niet gesteld of gebleken is dat het vonnis op een kennelijke feitelijke of juridische misslag berust of dat sprake is van nadien aan het licht gekomen feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden. Gelet op het bepaalde in artikel 705 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en de onnodigheid van de bankgarantie, en de summierlijk gebleken ondeugdelijkheid van de vorderingen van [gedaagden], moeten [gedaagden] de bankgarantie opheffen. Subsidiair volgt die verplichting uit de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in de artikelen 6:2 en 6:248 Burgerlijk Wetboek (BW). Het in stand houden van de volledige bankgarantie levert meer subsidiair onder deze omstandigheden misbruik van recht op in de zin van artikel 3:13 BW, aldus [eiser]. [eiser] heeft daartoe aangevoerd dat zij in haar liquiditeit en bedrijfsvoering wordt beperkt, de verstrekte contra-garantie drukt op haar liquiditeit en dat zij een vervangende financiering heeft moeten aantrekken tegen een aanzienlijk hogere rente dan de rente die zij aan ING betaalt.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt in het navolgende, voor zover nodig, ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Het spoedeisend belang van [eiser] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken, nu [eiser] aan haar vordering onder andere ten grondslag heeft gelegd dat de bankgarantie al tweeënhalf jaar op haar liquiditeit drukt en zij daardoor in haar bedrijfsmogelijkheden wordt beperkt.
4.2.
De vraag die aan de voorzieningenrechter is voorgelegd, is of de aan [gedaagden] afgegeven bankgarantie verlaagd dient te worden tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van de vordering van [gedaagden] De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Het volgende is daartoe redengevend.
Primair: Analoge toepassing van artikel 705 lid 2 Rv?
4.3.
Op grond van artikel 705 lid 1 Rv kan de voorzieningenrechter die verlof tot het conservatoir beslag heeft gegeven, het beslag op vordering van elke belanghebbende opheffen. De opheffing kan onder meer worden uitgesproken indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt (artikel 705 lid 2 BW). De beoordeling van de opheffingsvordering kan niet los geschieden van een afweging van de wederzijdse belangen. Als de beslaglegger zijn vordering niet aannemelijk maakt, noopt dit nog niet tot opheffing van het conservatoir beslag; ook dan moet nog een belangenafweging plaatsvinden. Anderzijds kan zich voordoen dat een vordering wel degelijk in zekere mate aannemelijk gemaakt wordt, maar niet voldoende om de ingrijpende gevolgen van het betreffende beslag voor de schuldenaar te rechtvaardigen.
4.4.
[eiser] vordert geen opheffing van het conservatoir beslag, maar een veroordeling van [gedaagden] om medewerking te verlenen aan het verlagen van de bankgarantie die in de plaats is gekomen van de gelegde conservatoire beslagen. [eiser] betoogt dat de maatstaf van artikel 705 lid 2 BW op die vordering analoog van toepassing is. Of artikel 705 lid 2 Rv zich inderdaad leent voor analoge toepassing, kan in het midden blijven. Zelfs als artikel 705 lid 2 Rv analoog van toepassing zou zijn, dan heeft [eiser] namelijk, gelet op het volgende, niet aannemelijk gemaakt dat een van de opheffingsgronden zich voordoet.
4.5.
[eiser] heeft gesteld dat in het eindvonnis in de bodemprocedure de vorderingen van [gedaagden] tot een bedrag van (na verrekening) € 19.502,87 zijn toegewezen en dat voor dat bedrag destijds een depot was gestort bij de notaris. Voor het overige zijn de vorderingen van [gedaagden] afgewezen, zodat het door [gedaagden] gelegde beslag onnodig en daarmee onrechtmatig is gelegd, aldus [eiser].
4.6.
De voorzieningenrechter overweegt dat het feit dat in het eindvonnis in eerste aanleg de vorderingen van [eiser] boven het bedrag van (na verrekening) € 19.502,87 zijn afgewezen, nog niet betekent dat (boven dat bedrag) summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagden] ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag is gebleken. [gedaagden] hebben immers op 16 september 2024 hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis in eerste aanleg. Zolang het eindvonnis in eerste aanleg nog geen kracht van gewijsde heeft gekregen, staat de onrechtmatigheid van het beslag (in dit geval: de bankgarantie) dus niet vast en moet de vordering tot opheffing daarvan plaatsvinden aan de hand van een belangenafweging.
4.7.
Aan de enkele stelling van [eiser] dat het eindvonnis in de bodemzaak niet op een kennelijke feitelijke of juridische misslag berust en dat geen sprake is van nadien aan het licht gekomen feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden, gaat de voorzieningenrechter voorbij. Daarmee legt [eiser] namelijk een te beperkte beoordelingsmaatstaf aan. Voor zover [eiser] daarmee betoogt dat het hoger beroep van [gedaagden] bij voorbaat kansloos is en daarom de ondeugdelijkheid van de vordering summierlijk is gebleken, wordt zij daarin evenmin gevolgd. [gedaagden] hebben immers concreet toegelicht tegen welke oordelen van het eindvonnis van de rechtbank zij grieven zal richten. Dat die grieven geen enkele kans van slagen hebben is niet gebleken. Voor een (voorlopige) beoordeling van het door [gedaagden] tegen het vonnis aangevoerde rechtsmiddel is in dit kort geding verder geen plaats.
4.8.
In een geval als het onderhavige waarin tegen het vonnis in eerste aanleg een rechtsmiddel is ingesteld, dienen de belangen van partijen te worden afgewogen, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat een conservatoir beslag (in dit geval: een verstrekte bankgarantie) naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat voor een vooralsnog niet vaststaande vordering verhaal mogelijk zal zijn ingeval de vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, terwijl de beslaglegger (in dit geval: de begunstigde van de bankgarantie) bij (definitieve) afwijzing van de vordering in de hoofdzaak voor de door het beslag ontstane schade aansprakelijk is. De omstandigheid dat de rechter in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient hierbij te worden betrokken.
4.9.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan het belang van [gedaagden] bij instandhouding van de bankgarantie een groter gewicht moet worden toegekend dan aan het belang van [eiser] bij verlaging van de bankgarantie. Daartoe overweegt hij het volgende.
4.10.
[gedaagden] hebben tijdens de zitting niet alleen toegelicht op welke gronden hun hoger beroep is gebaseerd, maar ook dat onzekerheid bestaat over de continuïteit van de onderneming van [eiser]. Als productie 24 hebben [gedaagden] de laatst gedeponeerde jaarstukken 2022 van [eiser] overgelegd. Hieruit blijkt dat [eiser] in 2022 een negatief eigen vermogen van € 895.016,00 had en dat volgens de toelichting “hierdoor er een onzekerheid van materieel belang [bestaat] op grond waarvan gerede twijfel zou kunnen bestaan over de continuïteit van het geheel van de werkzaamheden van [eiser] B.V.” . Tijdens de zitting heeft [eiser] betwist dat uit deze jaarstukken blijkt dat het niet goed met de onderneming gaat, maar zij heeft ook op de zitting verklaard dat zij door de door haar gegeven contra-garantie moeite heeft om haar onderaannemers te betalen. Daarnaast hebben [gedaagden] aangevoerd dat één van de twee compagnons van [eiser] is vertrokken, hetgeen ter zitting namens [eiser] is bevestigd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit deze omstandigheden dat de zorgen van [gedaagden] over de verhaalbaarheid van hun vordering, mocht die hoger blijken dan door de rechtbank toegewezen, niet volledig ongegrond zijn. Daarom hebben [gedaagden] een reëel en zwaarwegend belang bij het behouden van de bankgarantie gedurende de procedure in hoger beroep.
4.11.
Tegenover dit belang van [gedaagden] bij het behouden van de bankgarantie, staat het belang van [eiser] bij het verlagen van de bankgarantie. Het spreekt voor zich dat de bankgarantie (althans de daaraan gekoppelde contra-garantie) drukt op haar liquiditeit en dat [eiser] dus last heeft van de bankgarantie. [eiser] heeft de concrete impact van de bankgarantie op haar bedrijfsvoering echter onvoldoende concreet onderbouwd. Weliswaar heeft [eiser] ter zitting toegelicht dat zij daardoor niet (tijdig) kan voldoen aan haar betalingsverplichtingen tegenover haar onderaannemers en dat dit schadelijk is voor haar (vertrouwens)relatie met haar onderaannemers, maar dit betoog is niet van enige onderbouwing of concretisering voorzien. Hetzelfde geldt voor het betoog van [eiser] dat zij hoge kosten moet maken voor het aantrekken van vervangende financiering: ter zitting heeft [eiser] weliswaar rentepercentages genoemd, maar het is onduidelijk gebleven welke daadwerkelijke kosten daaraan zijn verbonden en op welke wijze dit de bedrijfsvoering van [eiser] beïnvloedt. Zij heeft bijvoorbeeld niet onderbouwd dat zij opdrachten dreigt mis te lopen door de gestelde liquiditeitsproblemen.
Conclusie
4.17.
De slotsom op grond van het voorgaande is dat geen van door [eiser] gestelde grondslagen slagen. De vordering zal daarom worden afgewezen.
4.18.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagden] betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
Griffierecht € 320,00
Salaris advocaat € 1.107,00 (1 punt x 1.107,00)
Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.605,00
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vordering van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.605,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.3.
verklaart dit vonnis – voor wat betreft de proceskosten – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2024.
1538
vgl. HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9060 (Rohde Nielsen/De Donge).
vgl. HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:599, r.o. 3.2.
vgl. HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559.
Vgl. HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074 (Nidera), rov. 3.8.