Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-08-23
ECLI:NL:RBNHO:2023:8338
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
5,038 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/340295 / HA ZA 23-318
Vonnis in incident van 23 augustus 2023
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats 1],
eiser in conventie in de hoofdzaak,
verweerder in reconventie in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. A.C. Hansen te Rotterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CMS HOLDING B.V.,
gevestigd te Haarlem,
2. [gedaagde 1],
wonende te [plaats 2],
3. [gedaagde 2],
wonende te [plaats 3],
gedaagden in conventie in de hoofdzaak,
eisers in reconventie in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. M.J.W. van Ingen te 's-Hertogenbosch.
Partijen in het incident zullen hierna [eiser] en CMS Holding B.V. c.s. genoemd worden. Gedaagden afzonderlijk zullen CMS, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding
de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring, tevens voorwaardelijke conclusie van antwoord en conclusie van eis in reconventie in de hoofdzaak,
de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2De beoordeling van het incident
Aanleiding tot het geschil
2.1.
CMS exploiteert een geïntegreerde platformdienst die toegang geeft tot
geautomatiseerde handelsstrategieën die ofwel door onafhankelijke ontwikkelaars of
door CMS zelf zijn ontworpen en die automatisch cryptocurrencies, of andere digitale
activa, kopen en verkopen op basis van een vastgestelde handelsstrategie en
indicatoren.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn via hun holding vennootschappen gezamenlijk bevoegd bestuurder van CMS.
2.2.
Op 26 januari 2022 hebben [eiser] en CMS een door CMS aangeboden overeenkomst van geldlening (hierna: de Leningovereenkomst) gesloten, waarbij [eiser] aan CMS een bedrag van EUR 100.000,- heeft uitgeleend tegen een jaarlijkse rente van 7%. De looptijd van deze overeenkomst is 12 maanden en er bestaat geen tussentijdse aflossingsverplichting. In de overeenkomst is een arbitrageclausule opgenomen.
2.3.
Op 10 oktober 2022 heeft CMS een voorstel gestuurd naar [eiser] om de looptijd van de overeenkomst met één of twee jaar te verlengen tegen een rentepercentage van 7% op jaarbasis. In dit voorstel werd tevens de mogelijkheid geboden aan [eiser] om zijn lening
om te zetten in certificaten met 10% korting.
2.4.
Op 12 januari 2023 heeft [eiser] aan CMS laten weten de lening met één jaar te verlengen tegen een rente van 7%. De lening is verlengd op dezelfde condities als in de initiële overeenkomst opgenomen.
2.5.
Op 13 april 2023 heeft mr. Van Ingen voornoemd namens CMS een brief gestuurd aan [eiser], en de overige geldverstrekkers zoals [eiser], met betrekking tot de noodzakelijke herstructurering van CMS in verband met financiële problemen.
In de brief wordt medegedeeld dat het uitgangspunt is dat wordt voldaan aan de aflossingsverplichting, maar dat het onontkoombaar is dat er in alle gevallen een standstill van 12 maanden wordt bereikt. In de brief worden vervolgens twee alternatieven voor het aanpassen van de bestaande Leningovereenkomst voorgesteld, waarbij wordt verzocht om met één van de twee alternatieven akkoord te gaan teneinde een WHOA-procedure te voorkomen.
2.6.
Bij brief van 26 april 2023 heeft mr. Hansen voornoemd aan CMS laten weten dat [eiser] de Leningovereenkomst vernietigt door een beroep te doen op dwaling ex artikel 6:228 lid 1 onder a BW, en CMS gesommeerd om binnen drie werkdagen het geleende bedrag en de rente daarover te voldoen op zijn derdengeldenrekening. Aan de sommatie is niet voldaan, hetgeen aanleiding heeft gevormd voor de onderhavige procedure.
Het debat in het incident
2.7.
[eiser] heeft bij dagvaarding de bevoegdheid van deze rechtbank gesteld.
De Leningovereenkomst is volgens [eiser] een model overeenkomst die door CMS is opgesteld en die CMS standaard aan haar wederpartijen aanbiedt, zonder dat de daarin opgenomen arbitrageclausule tussen partijen is besproken of een resultaat is
van onderhandeling. [eiser] heeft terzake de opname van dit beding geen invloed of
inspraak en begreep van CMS in de gesprekken voorafgaande aan het ondertekenen van de
overeenkomst dat dit het model was zoals dat voor de leningsdoeleinden door CMS
wordt (werd) aangeboden.
2.8.
CMS vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart.
CMS stelt dat de in de overeenkomst opgenomen arbitrageclausule niet kwalificeert als een algemene voorwaarde. [eiser] heeft gesteld dat de Leningovereenkomst een modelovereenkomst is, die door CMS is opgesteld en die CMS standaard gebruikt en aan haar contractspartijen aanbiedt, maar laat na deze stelling van enige onderbouwing te voorzien. Ook de stelling dat [eiser] ter zake de opname van dit beding geen invloed of inspraak had, wordt niet voorzien van enige onderbouwing.
[eiser] is de Leningovereenkomst met CMS aangegaan en heeft daarbij niet aangegeven
enige wijziging door te willen voeren op de door CMS voorgestelde voorwaarden. Het
nalaten van [eiser] enige wijziging voor te stellen betekent echter niet dat het arbitragebeding niet voor onderhandeling vatbaar was.
2.9.
Indien en voor zover de rechtbank mocht oordelen dat er sprake is van een algemene voorwaarde stelt CMS zich op het standpunt dat het beding niet onredelijk bezwarend is.
2.10.
[eiser] heeft bij antwoord opgemerkt op dat uit de brief van 13 april 2023 van CMS volgt dat sprake is van vele leninggevers. Zij stelt verder dat zij op 25 mei 2023 telefonisch van [gedaagde 1] heeft vernomen dat er 160 geldverstrekkers waren.
[eiser] acht aannemelijk dat CMS voor al deze geldverstrekkers de overeenkomst hanteert waarvan zij het model aan [eiser] heeft voorgesteld. Hij wijst erop dat CMS niet betwist dat het arbitragebeding in alle overeenkomsten met haar klanten is opgenomen en geen woorden wijdt aan de wijze waarop de overeenkomsten normaliter worden opgesteld.
Oordeel rechtbank in het incident
2.11.
De rechtbank is van oordeel dat zij bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen.
2.12.
De rechtbank deelt de opvatting van [eiser] dat de in artikel 18 van de Leningovereenkomst opgenomen arbitrageclausule kwalificeert als een beding dat is opgesteld om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen.
De rechtbank stelt om te beginnen vast dat de gebruikte overeenkomst oogt als een standaardcontract. CMS heeft weliswaar weersproken dat dit een (of de) overeenkomst is die door CMS standaard wordt gebruikt, maar heeft geen woorden gewijd aan de wijze waarop zij de overeenkomsten met haar geldverstrekkers dan wel tot stand heeft gebracht.
De inhoud van de overgelegde brief van 13 april 2023 laat er geen twijfel over bestaan dat er sprake is van een aanzienlijk groep geldverstrekkers. Blijkens die brief worden zij in verband met de gerezen problemen door CMS op uniforme wijze benaderd. Dat laatste is een aanwijzing dat onder de gelijke kappen gelijke monniken schuilgaan, hetgeen eveneens duidt op het gebruik van de onderhavige Leningsovereenkomst als standaardcontract.
De rechtbank acht de betwisting van die praktijk dan ook onvoldoende gemotiveerd.
Gesteld noch gebleken is verder dat over de arbitrageclausule apart is onderhandeld.
Deze vaststellingen zijn voldoende om de clausule als algemene voorwaarde te bestempelen. Die kwalificatie vereist immers niet een vaststelling dat over de clausule niet afzonderlijk had kunnen worden onderhandeld.
2.13.
CMS heeft niet weersproken dat de onderhavige arbitrageclausule, gelet op haar inhoud, valt onder de omschrijving van de ‘verboden’ clausules in artikel 6:236 aanhef en onder n BW, nu deze niet voorziet in een termijn voor de consument om te kiezen voor beslechting van het geschil door de gewone rechter.
Aan de vraag of de clausule vanwege haar inhoud onredelijk bezwarend is, komt de rechtbank dan ook niet toe.
2.14.
CMS Holding B.V. c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.
Dictum
De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst het gevorderde af,
3.2.
veroordeelt CMS Holding B.V. c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 598,00,
in de hoofdzaak
3.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 oktober 2023 voor conclusie van antwoord in reconventie,
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2023.
type: 55
coll:
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/340295 / HA ZA 23-318
Vonnis in incident van 23 augustus 2023
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats 1],
eiser in conventie in de hoofdzaak,
verweerder in reconventie in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. A.C. Hansen te Rotterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CMS HOLDING B.V.,
gevestigd te Haarlem,
2. [gedaagde 1],
wonende te [plaats 2],
3. [gedaagde 2],
wonende te [plaats 3],
gedaagden in conventie in de hoofdzaak,
eisers in reconventie in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. M.J.W. van Ingen te 's-Hertogenbosch.
Partijen in het incident zullen hierna [eiser] en CMS Holding B.V. c.s. genoemd worden. Gedaagden afzonderlijk zullen CMS, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding
de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring, tevens voorwaardelijke conclusie van antwoord en conclusie van eis in reconventie in de hoofdzaak,
de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2De beoordeling van het incident
Aanleiding tot het geschil
2.1.
CMS exploiteert een geïntegreerde platformdienst die toegang geeft tot
geautomatiseerde handelsstrategieën die ofwel door onafhankelijke ontwikkelaars of
door CMS zelf zijn ontworpen en die automatisch cryptocurrencies, of andere digitale
activa, kopen en verkopen op basis van een vastgestelde handelsstrategie en
indicatoren.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn via hun holding vennootschappen gezamenlijk bevoegd bestuurder van CMS.
2.2.
Op 26 januari 2022 hebben [eiser] en CMS een door CMS aangeboden overeenkomst van geldlening (hierna: de Leningovereenkomst) gesloten, waarbij [eiser] aan CMS een bedrag van EUR 100.000,- heeft uitgeleend tegen een jaarlijkse rente van 7%. De looptijd van deze overeenkomst is 12 maanden en er bestaat geen tussentijdse aflossingsverplichting. In de overeenkomst is een arbitrageclausule opgenomen.
2.3.
Op 10 oktober 2022 heeft CMS een voorstel gestuurd naar [eiser] om de looptijd van de overeenkomst met één of twee jaar te verlengen tegen een rentepercentage van 7% op jaarbasis. In dit voorstel werd tevens de mogelijkheid geboden aan [eiser] om zijn lening
om te zetten in certificaten met 10% korting.
2.4.
Op 12 januari 2023 heeft [eiser] aan CMS laten weten de lening met één jaar te verlengen tegen een rente van 7%. De lening is verlengd op dezelfde condities als in de initiële overeenkomst opgenomen.
2.5.
Op 13 april 2023 heeft mr. Van Ingen voornoemd namens CMS een brief gestuurd aan [eiser], en de overige geldverstrekkers zoals [eiser], met betrekking tot de noodzakelijke herstructurering van CMS in verband met financiële problemen.
In de brief wordt medegedeeld dat het uitgangspunt is dat wordt voldaan aan de aflossingsverplichting, maar dat het onontkoombaar is dat er in alle gevallen een standstill van 12 maanden wordt bereikt. In de brief worden vervolgens twee alternatieven voor het aanpassen van de bestaande Leningovereenkomst voorgesteld, waarbij wordt verzocht om met één van de twee alternatieven akkoord te gaan teneinde een WHOA-procedure te voorkomen.
2.6.
Bij brief van 26 april 2023 heeft mr. Hansen voornoemd aan CMS laten weten dat [eiser] de Leningovereenkomst vernietigt door een beroep te doen op dwaling ex artikel 6:228 lid 1 onder a BW, en CMS gesommeerd om binnen drie werkdagen het geleende bedrag en de rente daarover te voldoen op zijn derdengeldenrekening. Aan de sommatie is niet voldaan, hetgeen aanleiding heeft gevormd voor de onderhavige procedure.
Het debat in het incident
2.7.
[eiser] heeft bij dagvaarding de bevoegdheid van deze rechtbank gesteld.
De Leningovereenkomst is volgens [eiser] een model overeenkomst die door CMS is opgesteld en die CMS standaard aan haar wederpartijen aanbiedt, zonder dat de daarin opgenomen arbitrageclausule tussen partijen is besproken of een resultaat is
van onderhandeling. [eiser] heeft terzake de opname van dit beding geen invloed of
inspraak en begreep van CMS in de gesprekken voorafgaande aan het ondertekenen van de
overeenkomst dat dit het model was zoals dat voor de leningsdoeleinden door CMS
wordt (werd) aangeboden.
2.8.
CMS vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart.
CMS stelt dat de in de overeenkomst opgenomen arbitrageclausule niet kwalificeert als een algemene voorwaarde. [eiser] heeft gesteld dat de Leningovereenkomst een modelovereenkomst is, die door CMS is opgesteld en die CMS standaard gebruikt en aan haar contractspartijen aanbiedt, maar laat na deze stelling van enige onderbouwing te voorzien. Ook de stelling dat [eiser] ter zake de opname van dit beding geen invloed of inspraak had, wordt niet voorzien van enige onderbouwing.
[eiser] is de Leningovereenkomst met CMS aangegaan en heeft daarbij niet aangegeven
enige wijziging door te willen voeren op de door CMS voorgestelde voorwaarden. Het
nalaten van [eiser] enige wijziging voor te stellen betekent echter niet dat het arbitragebeding niet voor onderhandeling vatbaar was.
2.9.
Indien en voor zover de rechtbank mocht oordelen dat er sprake is van een algemene voorwaarde stelt CMS zich op het standpunt dat het beding niet onredelijk bezwarend is.
2.10.
[eiser] heeft bij antwoord opgemerkt op dat uit de brief van 13 april 2023 van CMS volgt dat sprake is van vele leninggevers. Zij stelt verder dat zij op 25 mei 2023 telefonisch van [gedaagde 1] heeft vernomen dat er 160 geldverstrekkers waren.
[eiser] acht aannemelijk dat CMS voor al deze geldverstrekkers de overeenkomst hanteert waarvan zij het model aan [eiser] heeft voorgesteld. Hij wijst erop dat CMS niet betwist dat het arbitragebeding in alle overeenkomsten met haar klanten is opgenomen en geen woorden wijdt aan de wijze waarop de overeenkomsten normaliter worden opgesteld.
Oordeel rechtbank in het incident
2.11.
De rechtbank is van oordeel dat zij bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen.
2.12.
De rechtbank deelt de opvatting van [eiser] dat de in artikel 18 van de Leningovereenkomst opgenomen arbitrageclausule kwalificeert als een beding dat is opgesteld om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen.
De rechtbank stelt om te beginnen vast dat de gebruikte overeenkomst oogt als een standaardcontract. CMS heeft weliswaar weersproken dat dit een (of de) overeenkomst is die door CMS standaard wordt gebruikt, maar heeft geen woorden gewijd aan de wijze waarop zij de overeenkomsten met haar geldverstrekkers dan wel tot stand heeft gebracht.
De inhoud van de overgelegde brief van 13 april 2023 laat er geen twijfel over bestaan dat er sprake is van een aanzienlijk groep geldverstrekkers. Blijkens die brief worden zij in verband met de gerezen problemen door CMS op uniforme wijze benaderd. Dat laatste is een aanwijzing dat onder de gelijke kappen gelijke monniken schuilgaan, hetgeen eveneens duidt op het gebruik van de onderhavige Leningsovereenkomst als standaardcontract.
De rechtbank acht de betwisting van die praktijk dan ook onvoldoende gemotiveerd.
Gesteld noch gebleken is verder dat over de arbitrageclausule apart is onderhandeld.
Deze vaststellingen zijn voldoende om de clausule als algemene voorwaarde te bestempelen. Die kwalificatie vereist immers niet een vaststelling dat over de clausule niet afzonderlijk had kunnen worden onderhandeld.
2.13.
CMS heeft niet weersproken dat de onderhavige arbitrageclausule, gelet op haar inhoud, valt onder de omschrijving van de ‘verboden’ clausules in artikel 6:236 aanhef en onder n BW, nu deze niet voorziet in een termijn voor de consument om te kiezen voor beslechting van het geschil door de gewone rechter.
Aan de vraag of de clausule vanwege haar inhoud onredelijk bezwarend is, komt de rechtbank dan ook niet toe.
2.14.
CMS Holding B.V. c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.
Dictum
De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst het gevorderde af,
3.2.
veroordeelt CMS Holding B.V. c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 598,00,
in de hoofdzaak
3.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 oktober 2023 voor conclusie van antwoord in reconventie,
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2023.
type: 55
coll: