Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-05-30
ECLI:NL:RBNHO:2023:7863
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,940 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/2972
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de directie van de Dienst Wegverkeer, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Schuring).
Inleiding
1.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afgifte van een kentekenbewijs ter bevestiging van de registratie van het voertuig met het kenteken [#] in het kentekenregister.
1.2
Verweerder heeft het kentekenbewijs met het besluit van 29 november 2021 afgegeven. Met het bestreden besluit van 16 mei 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afgifte van het kentekenbewijs gebleven.
1.3
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
1.5
Bij tussenbeslissing van 26 januari 2023 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om een brief van verweerder van 18 januari 2023 in het geding toe te laten.
1.6
Bij brief van 8 februari 2023 heeft de rechtbank van verweerder een nadere reactie ontvangen.
1.7
Bij brief van 18 februari 2023 heeft eiser gereageerd op de brieven van verweerder van 18 januari 2023 en 8 februari 2023.
1.8
De rechtbank heeft het onderzoek op 9 mei 2023 gesloten, nadat is gebleken dat partijen niet op een nadere zitting willen worden gehoord.
Beoordeling
2.1
De rechtbank beoordeelt of verweerder de hoorplicht in de bezwaarprocedure heeft geschonden. Ook beoordeelt de rechtbank of verweerder een dwangsom heeft verbeurd wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2
Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3.1
Eiser heeft bij verweerder een kentekenbewijs gevraagd ter bevestiging van de registratie van zijn voertuig met het kenteken [#] in het kentekenregister.
3.2
Verweerder heeft het kentekenbewijs met het besluit van 29 november 2021- zoals door verweerder ter zitting is erkend - afgegeven. Tegen dit besluit heeft eiser op 15 december 2021 bezwaar gemaakt, omdat hij het niet eens is met de registratie in de voertuigcategorie bestelauto. Het is de uitdrukkelijke wens van eiser om zijn auto als personenauto te gebruiken.
3.3
Bij brief van 12 januari 2022 heeft verweerder eiser in het kader van de behandeling van zijn bezwaarschrift uitgenodigd voor een telefonisch hoorzitting op 27 januari 2022.
3.4
Bij e-mail van 17 januari 2022 heeft eiser bij verweerder aangegeven dat hij geen telefonische hoorzitting, maar een hoorzitting op locatie wenst en dat hij nog steeds geen kopie van het hele dossier heeft mogen ontvangen.
3.5
Bij brief van 4 februari 2022 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een hoorzitting op 27 januari 2022 op het kantoor van de RDW in Zoetermeer. Daarbij heeft verweerder ook de dossierstukken toegezonden.
3.6
Bij brief van 16 februari 2022 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de beslissing op bezwaar op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt uitgesteld.
3.7
Bij e-mail van 23 februari 2022 heeft eiser bij verweerder aangegeven dat hij nog geen nieuwe uitnodiging voor een hoorzitting op locatie heeft ontvangen. Ook heeft hij de dossierstukken nog niet ontvangen.
3.8
Bij brief en e-mail van 24 februari 2022 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een fysieke hoorzitting op 8 maart 2022. Daarbij heeft verweerder ook de dossierstukken toegezonden.
3.9
Bij e-mail van 28 februari 2022 heeft eiser bij verweerder aangegeven dat hij de hele maand maart in Portugal verblijft en dat hij, als verweerder de hoorzitting in de maand maart wil houden, verzoekt om een reiskostenvergoeding vanuit Portugal.
3.10
Bij e-mail van 2 maart 2022 heeft verweerder eiser verzocht een termijn aan te geven waarin eiser naar de hoorzitting kan komen. Voorts heeft verweerder aangeven dat als eiser de hoorzitting alsnog telefonisch wil laten plaatsvinden, hij graag eisers telefoonnummer ontvangt waarop hij op 8 maart 2022 bereikbaar is. Ook heeft verweerder medegedeeld dat de termijn waarbinnen de beslissing op bezwaar moet worden genomen, door het verplaatsen van de hoorzitting ook wordt opgeschoven.
3.11
Bij e-mail van 3 maart 2022 heeft eiser bij verweerder aangegeven dat hij in de maand maart 2022 in Portugal verblijft en de eerste twee weken van april op Bonaire is voor zijn werk, zodat een hoorzitting pas daarna ingepland kan worden. Ook heeft eiser aangegeven dat hij niet instemt met de opschorting van de termijn waarbinnen een beslissing op bezwaar moet worden genomen.
3.12
Bij e-mail van 9 maart 2022 heeft verweerder eiser gevraagd of het hem schikt om op 19 of 21 april 2022 op locatie langs te komen.
3.13
Bij e-mail van 9 maart 2022 heeft eiser bij verweerder aangegeven dat hij op 21 april 2022 in de ochtend beschikbaar is en verzoekt verweerder schriftelijk te bevestigen dat deze hoorzitting buiten de beslistermijn valt voor het bezwaar en dat de beslistermijn onder geen enkele voorwaarde verlengd kan worden tot na de hoorzitting.
3.14
Bij e-mail van 14 maart 2022 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een hoorzitting op 21 april 2022 om 09:30 uur op het kantoor van de RWD in Zoetermeer. Voorts heeft verweerder aangegeven dat het in eisers eigen belang is dat de termijn voor het nemen van de beslissing op bezwaar wordt opgeschort. Op deze manier krijgt eiser de gelegenheid voor een hoorzitting, anders verloopt de termijn voordat eiser gehoord kan worden.
3.15
Bij e-mail van 14 maart 2022 heeft eiser nogmaals aan verweerder medegedeeld dat hij bereid is tot een hoorzitting buiten de beslistermijn, maar dat hij absoluut niet akkoord gaat met het verlengen van de beslistermijn tot na de hoorzitting.
3.16
Bij brief van 5 april 2022 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift. Verweerder heeft hierop niet gereageerd.
3.17
Op 21 april 2022 heeft de hoorzitting plaatsgevonden, waarop eiser zonder zich af te melden niet is verschenen. Vervolgens heeft verweerder besloten een beslissing op het bezwaar van eiser te nemen, zonder hem te horen.
Bestreden besluit
4. Verweerder heeft besloten tot het afgeven van een kentekenbewijs voor het voertuig van eiser met voertuigcategorie N1G (lichte bedrijfswagen). Verweerder heeft uitgelegd dat hij bij de inschrijving van een voertuig de voertuigcategorie in beginsel dient over te nemen van het geharmoniseerde buitenlandse kentekenbewijs. Het voertuig is in Nederland ingeschreven op basis van een Duits kentekenbewijs. Van het Duitse kentekenbewijs is de voertuigcategorie N1G (lichte bedrijfswagen) overgenomen. Verweerder is hiertoe verplicht op grond van de Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van de Europese Unie, artikel 4 en bijlage I. Voor de volledigheid merkt verweerder op dat het voertuig een pick-up betreft. Op grond van bijlage I, deel C van de Kaderverordening 2018/858 is een pick-up slechts te registreren als een bedrijfswagen (N-categorie) en niet als een personenauto (M-categorie).
Is de hoorplicht geschonden?
5.1
Eiser voert aan dat verweerder de hoorplicht in de bezwaarprocedure heeft geschonden. Eiser heeft altijd aangegeven dat hij een hoorzitting op locatie wenst, daarvoor een kopie van alle benodigde informatie wenst te krijgen van verweerder, inclusief een verslag van de hoorzitting, voordat verweerder een beslissing op bezwaar zou nemen. Verweerder heeft eerst een telefonische hoorzitting willen inplannen, die eiser heeft geweigerd. Verweerder heeft daarna een hoorzitting op locatie gepland, maar nooit de stukken daarvoor opgestuurd. Uiteindelijk heeft verweerder de hoorzitting gepland op 21 april 2022, maar daarbij tevens aangegeven dat de beslistermijn wordt opgeschort tot na de hoorzitting. Eiser heeft pertinent geweigerd deze opschorting te accepteren.
5.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Verweerder is daarom op 16 mei 2022 overgegaan tot het nemen van een beslissing op bezwaar.
5.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. Verweerder heeft rekening gehouden met de verhinderdata van eiser en uiteindelijk is verweerder samen met eiser tot een datum voor een hoorzitting gekomen, namelijk 21 april 2022. Voorts beschikte eiser vanaf 24 februari 2022 over de dossierstukken. Dat eiser ervoor heeft gekozen om niet op de hoorzitting te verschijnen waardoor hij niet over zijn bezwaren is gehoord, komt voor zijn rekening en risico. Van schending van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb is geen sprake.
Heeft verweerder een dwangsom verbeurd?
6.1
Eiser voert aan dat verweerder een dwangsom heeft verbeurd wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift. Eiser heeft verweerder bij brief van 5 april 2022 in gebreke gesteld en verweerder heeft daar niet op gereageerd, terwijl verweerder de ingebrekestelling op 7 april 2022 heeft ontvangen. Ter onderbouwing heeft eiser ter zitting een brief van verweerder van 12 april 2022 overgelegd waarin de ontvangst van de ingebrekestelling op 7 april 2022 wordt bevestigd.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Excel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.