Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-07-25
ECLI:NL:RBNHO:2023:6946
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
5,228 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10538306 \ VV EXPL 23-66
Uitspraakdatum: 25 juli 2023
Vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak van:
1
[eiser 1]
wonende te [plaats 1]
2. [eiser 2]
wonende te [plaats 2]
eisers
verder te noemen: [eiser 1], [eiser 2] en tezamen [eiser 1] c.s. of verhuurders
gemachtigde: mr. R.D.G. de Grave
tegen
1
[gedaagde 1]
2. [gedaagde 2]
beide wonende te [plaats 1]
gedaagden
verder te noemen: [gedaagde 1], [gedaagde 2] en tezamen [gedaagde 1] c.s. of huurders
gemachtigde: mr. M.N. Mense
1De zaak in het kort
In deze zaak vorderen de verhuurders ontruiming van de woning vanwege het veroorzaken van ernstige overlast door de huurders die zich verbaal agressief en bedreigend gedragen richting de verhuurders, diens medewerkers en klanten. De huurders betwisten de vordering en voeren aan dat juist zij degene zijn die overlast ervaren. De kantonrechter komt tot de conclusie dat, hoewel het aannemelijk is dat de huurders overlast veroorzaken, dit op zichzelf niet voldoende is om de ontruiming in kort geding toe te wijzen. De gestelde overlast in combinatie met het steekincident waaraan huurder [gedaagde 2] zich schuldig heeft gemaakt, rechtvaardigt daarentegen wel de gevorderde ontruiming van het gehuurde. De vordering tot ontruiming van het gehuurde evenals de vordering tot betaling van de lopende huur wordt daarom toegewezen.
2Het procesverloop
2.1.
[eiser 1] c.s. hebben [gedaagde 1] c.s. 26 juni 2023 gedagvaard.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juli 2023. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten, mede aan de hand van pleitaantekeningen, naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben [gedaagde 1] c.s. bij brief van 7 juli 2023 nog stukken toegezonden.
Feiten
3.1.
[gedaagde 1] c.s. huren de woonruimte aan de [adres] [plaats 1] (hierna: het gehuurde). De bruto huurprijs bedraagt op 1 maart 2022 € 860,65 per maand.
3.2.
[eiser 1] c.s. exploiteren sinds 2014 een winkel onder de naam “VistaTelecom” in het bedrijfspand gelegen onder het gehuurde. VistaTelecom is een winkel betreffende (de reparatie) van telecom (hierna: de winkel).
3.3.
Bij brief van 20 oktober 2017 schrijft de heer [betrokkene 1], de toenmalige verhuurder van [eiser 1] c.s. en van [gedaagde 1] c.s. – voor zover hier relevant – het volgende aan [gedaagde 1] c.s.:
“(…)
Graag breng ik onderstaande punten onder de aandacht:
(…)
3. Omgang met de buren en hun klanten. We hebben reeds diverse gesprekken gehad waarbij de emoties steeds hoog oplopen, mijn bemiddeling van de afgelopen vier gesprekken schijnt niet te helpen. Zo heb ik vernomen dat de auto van een klant van de benedenburen bewust klem is gezet met uw auto en dat er wederom veel geschreeuwd is over de toegang met de fiets, en andere irritaties (dit is m.i. het meer dan twintigste incident).
We hebben hiermee een punt bereikt, waarbij ik zeg dit gaat zo niet langer. U stoort de benedenburen op een overdreven manier in het uitoefenen van hun werk. (…)
Ik wil u nog een laatste kans geven op voorwaarde dat:
1. De huurachterstand dit is ingelost.
2. U zich bij de gemeente laat inschrijven als gegadigde voor een nieuwe woning (wellicht dat de begane grond een goed toekomstige optie is.
3. Er niet meer met de beneden buren gesproken wordt, dit ontaard elke keer in emoties geschreeuw en tranen. Vanaf heden gaat de communicatie schriftelijk totdat er een jaar geen ruzie is geweest, dan proberen we het wellicht nog eens.
(…)”.
3.4.
Op 1 maart 2022 kopen [eiser 1] c.s. het pand waar het gehuurde en de winkel onderdeel van uitmaken. Daarmee worden [eiser 1] c.s. de verhuurders van [gedaagde 1] c.s.
3.5.
[eiser 1] c.s. organiseren op 22 april 2023 een bedrijfsfeestje (een barbecue met muziek) voor de medewerkers van de winkel en voor de medewerkers van de twee andere vestigingen van de winkel. In verband hiermee schenken [eiser 1] c.s. een bedrag van € 20,00 aan [gedaagde 1] c.s. voor een avondje uit. Als [gedaagde 1] c.s. weer thuiskomen, is het bedrijfsfeestje nog gaande. Omdat de muziek nog aanstond, is [gedaagde 2] naar de muziekinstallatie in de winkel gelopen en heeft de muziek uitgezet. Hierdoor ontstaat ruzie met als gevolg dat de heer [betrokkene 2], een familielid van [eiser 1] c.s en tevens collega, door [gedaagde 2] met een schroevendraaier wordt gestoken (hierna: het steekincident). [gedaagde 2] wordt daarop aangehouden en meegenomen naar het politiebureau.
3.6.
Op 23 april 2023 doet [betrokkene 2] aangifte van zware mishandeling en op 31 mei 2023 doet [gedaagde 1] aangifte van eenvoudige mishandeling.
3.7.
Bij brief van 3 mei 2023 laat de advocaat van [eiser 1] c.s. aan [gedaagde 1] c.s. het volgende weten:
“(…)
De afgelopen jaren hebben er in en rondom het gehuurde talloze incidenten plaatsgevonden waar u bij betrokken was. Zo heeft u diverse malen klanten van cliënten lastig gevallen, worden werknemers van cliënten door u (onder andere) agressief benaderd en uitgescholden en ook jegens cliënten gedraagt u zich (onder andere) agressief.
Kortom, u gedraagt zich al tijden niet als goed huurder.
(…)
Los van de talloze incidenten die de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden levert het neersteken van collega/werknemer van cliënten een (ernstige) tekortkoming op in de nakoming van uw huurovereenkomst, hetgeen de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Op grond van vaste rechtspraak geldt immers dat ook een misdraging jegens een met de verhuurder verbonden (natuurlijk) persoon een tekortkoming kan opleveren in de nakoming van de verplichting om zich als goed huurder te gedragen.
(…)
Cliënten moeten er op kunnen vertrouwen dat hun werknemers, hun klanten en ook zijzelf veilig kunnen werken in (en rondom) de bedrijfsruimte. De steekpartij heeft zodanige onrust en angstgevoelens teweeg gebracht dat een langere voortzetting van de huurovereenkomst niet mogelijk is.
(…)
Cliënten zijn in dat kader bereid in te stemmen met een beëindiging van de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 juli 2023 waarbij 30 juni 2023 als laatste dag van de huurovereenkomst geldt. Puur uit coulance zijn cliënten daarbij tevens welwillend, indien u instemt met een beëindiging van de huurovereenkomst per 1 juli 2023, om aan u bedrag te voldoen ad EUR 4.750,-.
(…)”
3.8.
[gedaagde 1] c.s. is niet akkoord gegaan met dit voorstel.
4De vordering
4.1.
[eiser 1] c.s. vorderen dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde 1] c.s. veroordeelt:
1. Het gehuurde binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige goederen, voor zover deze goederen niet het eigendom van [eiser 1] c.s. zijn, met afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiser 1] c.s. te stellen;
2. Het voorgaande onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, per dag of dagdeel dat het vonnis door [gedaagde 1] c.s. niet (volledig) wordt nageleefd, zulks met een maximum van € 10.000,00 althans een door de kantonrechter te bepalen maximum bedrag;
3. Tot betaling van de huurpenningen, gelijk aan de huurprijs van € 860,65 per maand, vanaf de datum van het vonnis tot en met de dag van de algehele ontruiming, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum tot de dag van de volledige betaling;
4. Tot betaling aan [eiser 1] c.s. van de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten van € 132,00, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
4.2.
[eiser 1] c.s. leggen – kort weergegeven – het volgende aan de vordering ten grondslag. [gedaagde 1] c.s. zijn op grond van artikel 7:213 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht zich als een goed huurder te gedragen. Door structureel ernstige overlast te veroorzaken aan de verhuurders, medewerkers, collega’s, klanten en familieleden van de verhuurders, zijn [gedaagde 1] c.s. tekort geschoten in de nakoming van deze verplichting. [eiser 1] c.s. worden door het gedrag van [gedaagde 1] c.s. gehinderd in het exploiteren van de winkel, hetgeen in strijd is met de zorgplicht van artikel 7:213 BW. Daarbij komt dat [gedaagde 2] een familielid en tevens collega van [eiser 1] c.s. recent heeft neergestoken met ernstig letsel tot gevolg. Deze tekortkomingen rechtvaardigen de ontbinding van de huurovereenkomst en, daarop vooruitlopend, de ontruiming van het gehuurde.
5Het verweer
5.1.
[gedaagde 1] c.s. betwisten de vordering en voeren aan – kort weergegeven – dat geen sprake is of was van door hen veroorzaakte overlast, laat staan van jarenlange overlast die zo ernstig is dat deze de ontruiming in kort geding rechtvaardigt. Volgens [gedaagde 1] c.s. hebben [eiser 1] c.s.
Beoordeling
6.1.
De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eiser 1] c.s. daarbij een spoedeisend belang hebben. De kantonrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak. [eiser 1] c.s. hebben gesteld en hebben ook voldoende onderbouwd dat de veiligheid van henzelf, zijn werknemers, klanten en familieleden in het geding is door het gedrag van [gedaagde 1] c.s. en met name door het steekincident van afgelopen april. Gelet hierop kan een bodemprocedure niet worden afgewacht. [eiser 1] c.s. hebben een spoedeisend belang bij hun vordering en zijn in zoverre ontvankelijk in zijn vordering.
Beoordeling
6.2.
Ontruiming van een woning is een ingrijpende maatregel. Voor toewijzing daarvan in kort geding is daarom alleen plaats als met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten valt dat in een gewone procedure (de bodemprocedure) de huurovereenkomst zal worden ontbonden en dat [gedaagde 1] c.s. daarbij zullen worden veroordeeld om de woning te ontruimen. Daarbij geldt dat de door [eiser 1] c.s. aan de vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden in dit kort geding voldoende aannemelijk moeten zijn. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
6.3.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat het in dit geval met een grote mate van waarschijnlijkheid is te verwachten dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst tussen partijen zal worden ontbonden, en dat [gedaagde 1] c.s. zullen worden veroordeeld om de woning te ontruimen. Daarover wordt het volgende overwogen.
De overlast
6.4.
De vordering van [eiser 1] c.s. is gebaseerd op meerdere door [gedaagde 1] c.s. veroorzaakte overlast incidenten. [eiser 1] c.s. hebben hun stellingen onderbouwd met een brief van hun rechtsvoorganger (r.o. 3.3.) en met diverse schriftelijke verklaringen van hun werknemers en klanten. Uit deze brief en de verklaringen blijkt dat ernstige overlast is ondervonden, veroorzaakt door de gedragingen van [gedaagde 1] c.s., waarbij [gedaagde 1] c.s. de werknemers en klanten van [eiser 1] c.s. hebben geïntimideerd, uitgescholden en bedreigd. De verklaringen van de werknemers en klanten van [eiser 1] c.s. komen in hoge mate met elkaar overeen en schetsen tezamen een duidelijk beeld van telkens terugkerend overlast veroorzakend gedrag van [gedaagde 1] c.s., en waarbij de geuite bedreigingen beangstigend zijn ervaren door [eiser 1] c.s. en diens werknemers.
6.5.
[gedaagde 1] c.s. heeft ter zitting betoogd niet bekend te zijn met deze incidenten maar gezien voormelde verklaringen acht de kantonrechter dat ongeloofwaardig. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de overgelegde verklaringen te twijfelen. De vraag is wel of hiermee ook vaststaat dat [gedaagde 1] c.s. structurele ernstige overlast hebben veroorzaakt en/of dat de situatie acuut is. De kantonrechter is, gelet op het feitencomplex en de betwisting van [gedaagde 1] c.s. niet overtuigd geraakt dat sprake is van structurele ernstige overlast. De gedragingen van [gedaagde 1] c.s. maken niet, ook niet in samenhang met de hierboven genoemde verklaringen bezien, dat het voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst op grond hiervan toewijsbaar zal achten. Dat [eiser 1] c.s. de overlastgever zou zijn, zoals ter zitting door [gedaagde 1] c.s. betoogd, is overigens niet gebleken en [gedaagde 1] c.s. hebben dat ook niet nader onderbouwd.
Het steekincident
6.6.
Vast staat dat er op 22 april 2023 een steekincident voor- of in de woning van [gedaagde 1] c.s. heeft plaatsgevonden, waarbij [gedaagde 2] een familielid van [eiser 1] c.s. met een schroevendraaier in zijn buik heeft gestoken. [gedaagde 1] c.s. hebben ter zitting verklaard dat [gedaagde 2] anders had moeten handelen. Daarnaast hebben [gedaagde 1] c.s. betoogd dat [gedaagde 2] zich juist heeft verweerd tegen een aanval van het slachtoffer dat hem achtervolgde. Uit de overgelegde verklaringen en de verklaringen van partijen, dus ook uit de eigen verklaringen van [gedaagde 1] c.s. wat er zich heeft afgespeeld die avond op 22 april 2023, blijkt echter niet van een zodanig dreigende situatie dat [gedaagde 2] zich moest verweren door te steken met een schroevendraaier. Vast staat dat [gedaagde 2] desondanks ernstig fysiek geweld heeft gebruikt. Het is naar het oordeel van de kantonrechter logisch dat dit voor veel commotie en gevoelens van angst en onrust bij zowel [eiser 1] c.s. als bij de werknemers en overige aanwezigen heeft gezorgd. Hierdoor is de veiligheid van [eiser 1] c.s. en diens werknemers in het gedrang gekomen, iets waarvoor [gedaagde 1] c.s. ten volle verantwoordelijk kunnen worden gehouden. Dat maakt ook dat de situatie acuut is.
6.7.
Dat [gedaagde 1] c.s. niet eerder op hun gedrag zijn aangesproken zoals zij ter zitting hebben betoogd, vindt de kantonrechter ongeloofwaardig. Uit de door [eiser 1] c.s. overgelegde brief van zijn rechtsvoorganger blijkt immers dat al in 2017 pogingen zijn gedaan om [gedaagde 1] c.s. te bewegen hun gedrag te veranderen. Dit heeft echter niet geleid tot een verbetering van de situatie. Uiteindelijk is de situatie zelfs zodanig geëscaleerd dat [gedaagde 2] fysiek geweld heeft gebruikt. Ook hebben [gedaagde 1] c.s. ter zitting geen blijk van begrip voor de situatie gegeven en blijven zij de overlast ontkennen.
6.8.
Gelet op al het vorenstaande levert de gestelde overlast in combinatie met het steekincident voldoende grond op voor ontruiming in kort geding. Uit niets blijkt dat [gedaagde 1] c.s. zich in afwachting van de bodemprocedure inspannen om overlast te beperken of verantwoordelijkheid te tonen voor hun gedrag. Onder deze omstandigheden kan niet van [eiser 1] c.s. worden gevergd dat hij de uitkomst van de bodemprocedure moet afwachten.
Belangenafweging
6.9.
Tegenover het belang van [eiser 1] c.s. om op korte termijn gevrijwaard te worden van de overlast van [gedaagde 1] c.s. en de onveilig situatie, staat het belang van [gedaagde 1] c.s. bij het behouden van zijn woning. [gedaagde 1] c.s. hebben aangevoerd door de ontruiming geen verblijfplaats meer te hebben, maar dat is inherent aan de situatie en komt voor hun rekening en risico. [gedaagde 1] c.s. hebben verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat een ontruiming voor hen ernstiger gevolgen heeft dan een ontruiming in zijn algemeenheid voor een huurder heeft. Gezien al het voorgaande weegt het belang van [eiser 1] c.s. zwaarder dan het belang van [gedaagde 1] c.s. om in hun woning te blijven. Hierbij speelt nog mee dat [gedaagde 1] c.s. zelf hebben aangegeven ook te willen vertrekken uit het gehuurde, zij het dat het lastig is een andere, betaalbare woning te vinden.
6.10.
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering tot ontruiming en betaling van de lopende huur zal toewijzen. Gezien artikel 7:266 lid 2 BW worden [gedaagde 1] c.s. hiertoe hoofdelijk veroordeeld. De wettelijke rente zal als onvoldoende gemotiveerd betwist eveneens worden toegewezen. De kantonrechter is echter wel van oordeel dat de gevorderde ontruimingstermijn van zeven dagen, mede gezien hun leeftijd en de duur van de huurovereenkomst, tot onbillijke gevolgen voor [gedaagde 1] c.s. leidt en zal de termijn van ontruiming daarom stellen op zestig dagen na betekening van het vonnis.
6.11.
De gevorderde dwangsom op de ontruiming van het gehuurde wordt afgewezen. Met dit vonnis beschikken [eiser 1] c.s. immers over een titel om het gehuurde zelf, via de weg van de reële executie, gedwongen te laten ontruimen. [eiser 1] c.s. hebben niet, althans onvoldoende onderbouwd waarom zij daarnaast nog belang hebben bij een financiële prikkel voor [gedaagde 1] c.s. om tot ontruiming over te gaan.
6.12.
De kantonrechter ziet verder geen aanleiding om de veroordelingen niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het belang van [eiser 1] c.s. om op korte termijn bevrijd te zijn van de overlast en de dreigende situatie waardoor zij weer een veilige omgeving kunnen bieden aan hun werknemers en klanten, weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde 1] c.s.
Dictum
De kantonrechter:
7.1.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk om de woning aan de [adres] [plaats 1] binnen zestig dagen te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige goederen, voor zover deze goederen niet het eigendom van [eiser 1] c.s. zijn, met afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiser 1] c.s. te stellen;
7.2.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk tot betaling aan [eiser 1] c.s. van de huurpenningen, gelijk aan de huurprijs van € 860,65 per maand, vanaf de datum van het vonnis tot en met de dag van de algehele ontruiming, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum tot de dag van de volledige betaling;
7.3.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser 1] c.s. tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 106,73
griffierecht € 86,00
salaris gemachtigde € 529,00 ;
7.4.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. tot betaling van de nakosten van € 132,00, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening
7.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
7.6.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter