Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-06-19
ECLI:NL:RBNHO:2023:6442
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
9,110 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/282408-22 (P)
Uitspraakdatum: 19 juni 2023
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 juni 2023 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] ,
thans gedetineerd in [detentieadres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. B.K.M. Thuijs en van hetgeen de verdachte en haar raadsman, mr. A. Jhingoer, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
primair
zij op of omstreeks 3 april 2022 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair
zij op of omstreeks de periode 14 maart 2022 tot en met 3 april 2022 te Den Haag en/of Dordrecht en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Aruba, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van cocaïne (te weten: 3651,8 gram gesmokkeld door [medeverdachte 1] en/of 3562,6 gram gesmokkeld door [medeverdachte 2] ), in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan zij, verdachte en/of haar mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door en/of hebbende verdachte en/of haar mededader(s), daartoe
- de tickets en/of reis van/voor die koeriers te boeken en/of te betalen en/of
- die koeriers te begeleiden gedurende de smokkel/reis naar Nederland en/of
- deel uit te maken van het reisgezelschap van die koeriers (zodat die koeriers minder zouden opvallen) en/of
- een foto van de paspoorten van die koeriers op haar telefoon te hebben en/of de paspoorten van die koeriers in haar bezit te hebben en/of
- geld te verstrekken aan die koeriers en/of
- ( telefonisch) contact te onderhouden met die koeriers en/of
- afspraken te maken en/of instructies te geven aan die koeriers met betrekking tot de invoer van de cocaïne en/of
- die koeriers in contact gebracht met de verstrekkers van de cocaïne en/of
- afspraken gemaakt omtrent het verstrekken en/of in ontvangst nemen van de cocaïne.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. In de telefoon van de verdachte zijn meerdere berichten aangetroffen waaruit volgt dat zij in maart 2022 bezig was met de voorbereidingen van de reis naar Aruba. De verdachte heeft niet alleen haar reisgenoten geholpen met het inchecken en de covid perikelen. Zij heeft ook de veroordeelde koeriers [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] instructies gegeven, geld naar hen gestort, de vliegtickets geboekt en derden op de hoogte gehouden van de smokkelreis waarvoor zij niet alleen een gratis vakantie, maar ook een vergoeding kreeg. Er zijn talloze berichten waaruit volgt dat de verdachte een sturende en faciliterende rol heeft gehad in deze groepsreis die maar één doel had: drugs smokkelen. Daar komt bij dat de veroordeelde koerier [medeverdachte 2] uitgebreid heeft verklaard over de verdachte. Volgens [medeverdachte 2] was de verdachte degene die zei dat zij en [medeverdachte 1] zouden worden opgehaald uit het hotel voordat de blokken cocaïne op hun benen werden geplakt. Dit maakt dan ook dat tussen de verdachte en haar mededaders sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering dat het tenlastegelegde medeplegen van invoer van cocaïne kan worden bewezen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het onderzoek aan de onder de verdachte in beslag genomen telefoon heeft plaatsgevonden zonder dat daarvoor toestemming was gegeven door de rechter-commissaris, terwijl dat onderzoek volgens de raadsman zo diepgravend is geweest dat sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dit moet ertoe leiden dat de resultaten van het onderzoek aan de telefoon worden uitgesloten van het bewijs.
De raadsman heeft daarnaast integrale vrijspraak bepleit.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte wetenschap had dat er drugs zouden worden gesmokkeld tijdens de reis. De berichten op haar telefoon wezen daar niet op. Deze waren niet drugs gerelateerd. Het was niet vreemd voor haar dat ze gratis op vakantie kon. Dit kreeg zij wel vaker via mannen aangeboden. De verdachte is het gewend om dingen te regelen en zij deed dit ook bij deze reis.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijsuitsluitingsverweer
Het verweer van de verdediging, inhoudende dat bewijsuitsluiting moet volgen in verband met een onherstelbaar vormverzuim, wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank overweegt als volgt.
Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn opsporingsambtenaren bevoegd inbeslaggenomen smartphones te onderzoeken als de met dat onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd. Wanneer dat onderzoek echter zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de smartphone kan dat onderzoek onrechtmatig zijn.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de politie selectief is geweest in het onderzoek van de telefoon en dat alleen chatberichten en foto’s ter identificatie van de gebruikster van de telefoon op de smartphone van de verdachte zijn onderzocht. Van een onderzoek dat zo verstrekkend is dat er sprake is van een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is niet gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de toestemming van de officier van justitie voldoende legitimatie biedt voor het verrichte onderzoek aan de telefoon van de verdachte. Van een onherstelbaar vormverzuim is in dit geval dan ook geen sprake. Het onderzoek aan de telefoon van de verdachte is rechtmatig geweest en kan bijdragen aan het bewijs voor het ten laste gelegde.
3.3.2
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.3.3
Bewijsmotivering
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
Op 4 april 2022 arriveert de verdachte vanuit Aruba op Schiphol. Zij is in het gezelschap van haar zus [naam 1] , [medeverdachte 2] en haar minderjarige dochter, en [medeverdachte 1] met zijn vriendin en hun minderjarige dochter. Na aankomst op Schiphol worden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangehouden, omdat er pakketten op hun bovenbenen geplakt zijn. Uit onderzoek is gebleken dat de inhoud van deze pakketten cocaïne bevatte en dat het ging om een totaal nettogewicht van 7.214,40 gram. [medeverdachte 2] heeft bij haar verhoor bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat zij de drugs opzettelijk heeft ingevoerd en dat het terugbrengen van drugs de reden was van de reis naar Aruba.
Uit het dossier blijkt dat de verdachte voorafgaande aan de reis naar Aruba de nodige voorbereidingen heeft getroffen. De verdachte vraagt aan ‘ [naam 2] ’ of er nog een vrouw nodig is, omdat ze een groep wilde vormen. ‘ [naam 2] ’ antwoordt dat de verdachte het dus aan [naam 1] heeft verteld en heeft gezegd dat ze zelfs 1500 kan krijgen. Ook vraagt ‘ [naam 2] ’ of ze een gezin heeft, want daar wordt naar gezocht. Dit strookt met de verklaring van [medeverdachte 2] dat tegen haar gezegd was dat reizen met die groep en een kind betekende dat er minder ogen op haar gericht zouden zijn en dat zij dan kon doorlopen. In de Whatsappberichten met ‘ [naam 2] ’ zegt de verdachte verder dat de man het geld moet betalen, waarop ‘ [naam 2] ’ aangeeft ‘zeg tegen hem dat je toch administratie bent’ en ‘app [naam 3] ’. Het bedrag van 1500 komt ook terug in de gesprekken met ‘ [naam 4] ’. De verdachte vraagt aan ‘ [naam 4] ’ wat hij net aan haar gaf waarop hij antwoordt ‘1500’. In dit gesprek worden de persoonsgegevens van [medeverdachte 2] en haar dochter aan de verdachte geappt. ‘ [naam 4] ’ stuurt aan de verdachte ook foto’s van [medeverdachte 1] , zijn vriendin en hun dochter.
Op 14 maart 2022 boekt de verdachte de reis naar Aruba voor de groep, bestaande uit in ieder geval [medeverdachte 2] , haar dochter, [medeverdachte 1] en zijn gezin. De verdachte betaalt de reis met contant geld, ruim € 10.000.
De dag voor vertrek appt de verdachte aan [medeverdachte 2] : “Gigi, ben de dame van morgen”. Gigi is de bijnaam van de verdachte. Volgens [medeverdachte 2] is Gigi de contactpersoon van de organisatie. Vervolgens ontvangt [medeverdachte 2] van de verdachte instructies over het invullen van de gezondheidsverklaring, het invullen van de edcard voor het verblijf op Aruba en geeft de verdachte geld aan haar voor de edcard. Ook de andere koerier [medeverdachte 1] ontvangt instructies en geld van de verdachte.
[medeverdachte 2] verklaarde dat haar paspoort op Schiphol, voorafgaand aan de vlucht, door Gigi werd ingenomen en dat zij ervoor zorgde dat de groep werd ingecheckt. Dit stemt ook overeen met de mailwisseling die de verdachte heeft met medeverdachte [medeverdachte 3] , in de berichten ‘Grind’ genoemd.
Motivering
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig maanden met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Ze heeft haar eigen huurwoning, ontvangt studiefinanciering en heeft een bijbaan. Er is een directe lijn te trekken met de medeverdachte [medeverdachte 2] . Die heeft als straf een groot voorwaardelijk deel gekregen. De verdachte zit al zes maanden vast. De raadsman acht als straf passend om een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest en daarnaast de maximale taakstraf.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 7.214,40 netto gram cocaïne door twee koeriers met cocaïne op hun lichaam van Aruba naar Nederland te laten reizen. Hoewel de verdachte geen openheid heeft gegeven over haar rol in de organisatie, is voor de rechtbank komen vast te staan dat zij een initiërende, aansturende en onmisbare rol had, waarbij zij zelf niet het grootste risico liep.
Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het gepleegde feit een gevangenisstraf rechtvaardigt en dat vanwege deze ernst een lichtere strafmodaliteit niet in aanmerking komt.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 8 mei 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder terzake van een Opiumdelict is veroordeeld.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf zoekt de rechtbank aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, houdt zij de verdachte verantwoordelijk voor invoer van de totale hoeveelheid bij de koeriers aangetroffen cocaïne, zodat de rechtbank bij het bepalen van de straf ook deze hoeveelheid (7.214,40 gram) als uitgangspunt zal nemen. Bij deze hoeveelheid geldt bij de categorie ‘standaard’ als oriëntatiepunt voor het bepalen van de strafmaat een gevangenisstraf voor de duur van 42 tot 44 maanden. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte niet onder de categorie ‘standaard’ valt, maar onder de categorie ‘organisatie’, waarvoor een gevangenisstraf voor de duur van 51 tot 54 maanden geldt. Echter ziet de rechtbank in de jonge leeftijd van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden aanleiding om toch binnen de bandbreedte van 42 tot 44 maanden te blijven. De eis van de officier van justitie acht de rechtbank passend.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
- 47 van het Wetboek van Strafrecht,
- 2 en 10 van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Broekhof, voorzitter,
mr. J.J. Roos en mr. J. Lintjer, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier J.E. Lee,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 juni 2023.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/282408-22 (P)
Uitspraakdatum: 19 juni 2023
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 juni 2023 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] ,
thans gedetineerd in [detentieadres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. B.K.M. Thuijs en van hetgeen de verdachte en haar raadsman, mr. A. Jhingoer, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
primair
zij op of omstreeks 3 april 2022 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair
zij op of omstreeks de periode 14 maart 2022 tot en met 3 april 2022 te Den Haag en/of Dordrecht en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Aruba, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van cocaïne (te weten: 3651,8 gram gesmokkeld door [medeverdachte 1] en/of 3562,6 gram gesmokkeld door [medeverdachte 2] ), in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan zij, verdachte en/of haar mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door en/of hebbende verdachte en/of haar mededader(s), daartoe
- de tickets en/of reis van/voor die koeriers te boeken en/of te betalen en/of
- die koeriers te begeleiden gedurende de smokkel/reis naar Nederland en/of
- deel uit te maken van het reisgezelschap van die koeriers (zodat die koeriers minder zouden opvallen) en/of
- een foto van de paspoorten van die koeriers op haar telefoon te hebben en/of de paspoorten van die koeriers in haar bezit te hebben en/of
- geld te verstrekken aan die koeriers en/of
- ( telefonisch) contact te onderhouden met die koeriers en/of
- afspraken te maken en/of instructies te geven aan die koeriers met betrekking tot de invoer van de cocaïne en/of
- die koeriers in contact gebracht met de verstrekkers van de cocaïne en/of
- afspraken gemaakt omtrent het verstrekken en/of in ontvangst nemen van de cocaïne.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. In de telefoon van de verdachte zijn meerdere berichten aangetroffen waaruit volgt dat zij in maart 2022 bezig was met de voorbereidingen van de reis naar Aruba. De verdachte heeft niet alleen haar reisgenoten geholpen met het inchecken en de covid perikelen. Zij heeft ook de veroordeelde koeriers [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] instructies gegeven, geld naar hen gestort, de vliegtickets geboekt en derden op de hoogte gehouden van de smokkelreis waarvoor zij niet alleen een gratis vakantie, maar ook een vergoeding kreeg. Er zijn talloze berichten waaruit volgt dat de verdachte een sturende en faciliterende rol heeft gehad in deze groepsreis die maar één doel had: drugs smokkelen. Daar komt bij dat de veroordeelde koerier [medeverdachte 2] uitgebreid heeft verklaard over de verdachte. Volgens [medeverdachte 2] was de verdachte degene die zei dat zij en [medeverdachte 1] zouden worden opgehaald uit het hotel voordat de blokken cocaïne op hun benen werden geplakt. Dit maakt dan ook dat tussen de verdachte en haar mededaders sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering dat het tenlastegelegde medeplegen van invoer van cocaïne kan worden bewezen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het onderzoek aan de onder de verdachte in beslag genomen telefoon heeft plaatsgevonden zonder dat daarvoor toestemming was gegeven door de rechter-commissaris, terwijl dat onderzoek volgens de raadsman zo diepgravend is geweest dat sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dit moet ertoe leiden dat de resultaten van het onderzoek aan de telefoon worden uitgesloten van het bewijs.
De raadsman heeft daarnaast integrale vrijspraak bepleit.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte wetenschap had dat er drugs zouden worden gesmokkeld tijdens de reis. De berichten op haar telefoon wezen daar niet op. Deze waren niet drugs gerelateerd. Het was niet vreemd voor haar dat ze gratis op vakantie kon. Dit kreeg zij wel vaker via mannen aangeboden. De verdachte is het gewend om dingen te regelen en zij deed dit ook bij deze reis.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijsuitsluitingsverweer
Het verweer van de verdediging, inhoudende dat bewijsuitsluiting moet volgen in verband met een onherstelbaar vormverzuim, wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank overweegt als volgt.
Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn opsporingsambtenaren bevoegd inbeslaggenomen smartphones te onderzoeken als de met dat onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd. Wanneer dat onderzoek echter zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de smartphone kan dat onderzoek onrechtmatig zijn.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de politie selectief is geweest in het onderzoek van de telefoon en dat alleen chatberichten en foto’s ter identificatie van de gebruikster van de telefoon op de smartphone van de verdachte zijn onderzocht. Van een onderzoek dat zo verstrekkend is dat er sprake is van een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is niet gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de toestemming van de officier van justitie voldoende legitimatie biedt voor het verrichte onderzoek aan de telefoon van de verdachte. Van een onherstelbaar vormverzuim is in dit geval dan ook geen sprake. Het onderzoek aan de telefoon van de verdachte is rechtmatig geweest en kan bijdragen aan het bewijs voor het ten laste gelegde.
3.3.2
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.3.3
Bewijsmotivering
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
Op 4 april 2022 arriveert de verdachte vanuit Aruba op Schiphol. Zij is in het gezelschap van haar zus [naam 1] , [medeverdachte 2] en haar minderjarige dochter, en [medeverdachte 1] met zijn vriendin en hun minderjarige dochter. Na aankomst op Schiphol worden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangehouden, omdat er pakketten op hun bovenbenen geplakt zijn. Uit onderzoek is gebleken dat de inhoud van deze pakketten cocaïne bevatte en dat het ging om een totaal nettogewicht van 7.214,40 gram. [medeverdachte 2] heeft bij haar verhoor bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat zij de drugs opzettelijk heeft ingevoerd en dat het terugbrengen van drugs de reden was van de reis naar Aruba.
Uit het dossier blijkt dat de verdachte voorafgaande aan de reis naar Aruba de nodige voorbereidingen heeft getroffen. De verdachte vraagt aan ‘ [naam 2] ’ of er nog een vrouw nodig is, omdat ze een groep wilde vormen. ‘ [naam 2] ’ antwoordt dat de verdachte het dus aan [naam 1] heeft verteld en heeft gezegd dat ze zelfs 1500 kan krijgen. Ook vraagt ‘ [naam 2] ’ of ze een gezin heeft, want daar wordt naar gezocht. Dit strookt met de verklaring van [medeverdachte 2] dat tegen haar gezegd was dat reizen met die groep en een kind betekende dat er minder ogen op haar gericht zouden zijn en dat zij dan kon doorlopen. In de Whatsappberichten met ‘ [naam 2] ’ zegt de verdachte verder dat de man het geld moet betalen, waarop ‘ [naam 2] ’ aangeeft ‘zeg tegen hem dat je toch administratie bent’ en ‘app [naam 3] ’. Het bedrag van 1500 komt ook terug in de gesprekken met ‘ [naam 4] ’. De verdachte vraagt aan ‘ [naam 4] ’ wat hij net aan haar gaf waarop hij antwoordt ‘1500’. In dit gesprek worden de persoonsgegevens van [medeverdachte 2] en haar dochter aan de verdachte geappt. ‘ [naam 4] ’ stuurt aan de verdachte ook foto’s van [medeverdachte 1] , zijn vriendin en hun dochter.
Op 14 maart 2022 boekt de verdachte de reis naar Aruba voor de groep, bestaande uit in ieder geval [medeverdachte 2] , haar dochter, [medeverdachte 1] en zijn gezin. De verdachte betaalt de reis met contant geld, ruim € 10.000.
De dag voor vertrek appt de verdachte aan [medeverdachte 2] : “Gigi, ben de dame van morgen”. Gigi is de bijnaam van de verdachte. Volgens [medeverdachte 2] is Gigi de contactpersoon van de organisatie. Vervolgens ontvangt [medeverdachte 2] van de verdachte instructies over het invullen van de gezondheidsverklaring, het invullen van de edcard voor het verblijf op Aruba en geeft de verdachte geld aan haar voor de edcard. Ook de andere koerier [medeverdachte 1] ontvangt instructies en geld van de verdachte.
[medeverdachte 2] verklaarde dat haar paspoort op Schiphol, voorafgaand aan de vlucht, door Gigi werd ingenomen en dat zij ervoor zorgde dat de groep werd ingecheckt. Dit stemt ook overeen met de mailwisseling die de verdachte heeft met medeverdachte [medeverdachte 3] , in de berichten ‘Grind’ genoemd.
Motivering
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig maanden met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Ze heeft haar eigen huurwoning, ontvangt studiefinanciering en heeft een bijbaan. Er is een directe lijn te trekken met de medeverdachte [medeverdachte 2] . Die heeft als straf een groot voorwaardelijk deel gekregen. De verdachte zit al zes maanden vast. De raadsman acht als straf passend om een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest en daarnaast de maximale taakstraf.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 7.214,40 netto gram cocaïne door twee koeriers met cocaïne op hun lichaam van Aruba naar Nederland te laten reizen. Hoewel de verdachte geen openheid heeft gegeven over haar rol in de organisatie, is voor de rechtbank komen vast te staan dat zij een initiërende, aansturende en onmisbare rol had, waarbij zij zelf niet het grootste risico liep.
Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het gepleegde feit een gevangenisstraf rechtvaardigt en dat vanwege deze ernst een lichtere strafmodaliteit niet in aanmerking komt.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 8 mei 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder terzake van een Opiumdelict is veroordeeld.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf zoekt de rechtbank aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, houdt zij de verdachte verantwoordelijk voor invoer van de totale hoeveelheid bij de koeriers aangetroffen cocaïne, zodat de rechtbank bij het bepalen van de straf ook deze hoeveelheid (7.214,40 gram) als uitgangspunt zal nemen. Bij deze hoeveelheid geldt bij de categorie ‘standaard’ als oriëntatiepunt voor het bepalen van de strafmaat een gevangenisstraf voor de duur van 42 tot 44 maanden. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte niet onder de categorie ‘standaard’ valt, maar onder de categorie ‘organisatie’, waarvoor een gevangenisstraf voor de duur van 51 tot 54 maanden geldt. Echter ziet de rechtbank in de jonge leeftijd van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden aanleiding om toch binnen de bandbreedte van 42 tot 44 maanden te blijven. De eis van de officier van justitie acht de rechtbank passend.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
- 47 van het Wetboek van Strafrecht,
- 2 en 10 van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Broekhof, voorzitter,
mr. J.J. Roos en mr. J. Lintjer, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier J.E. Lee,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 juni 2023.