Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-03-09
ECLI:NL:RBNHO:2023:4257
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,532 tokens
Inleiding
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/2029
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2023 in de zaak tussen
[eiser]
, wonende te [woonplaats] (eiser),
(gemachtigde: A. Oosters),
en
het afdelingshoofd Gemeentebelastingen Kennemerland Zuid, (verweerder).
Procesverloop
Verweerder heeft in een beschikking de WOZ-waarde van de woning te [de woning] voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 1.865.000. In hetzelfde document heeft verweerder ook de aanslag onroerende zaakbelastingen (OZB) 2020 bekendgemaakt.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft verweerder verzocht te reageren op het standpunt van eiser dat hij de uitspraak op bezwaar van 1 februari 2021 eerst op 22 april 2021 heeft ontvangen. Verweerder heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft een nader stuk ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 22 september 2022 te Haarlem. Verweerder is vertegenwoordigd door [naam 1] , bijgestaan door [naam 2] , taxateur. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde, A. Oosters.
Overwegingen
Ontvankelijkheid beroep
1. Ingevolge artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) aan op de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, Awb is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2. De gemachtigde van eiser stelt de uitspraak op bezwaar met dagtekening 1 februari 2021 niet te hebben ontvangen en heeft op 17 februari 2021 aan verweerder een ingebrekestelling gestuurd. Verweerder heeft bij brief met dagtekening 1 april 2021 het verzoek om een dwangsom afgewezen, omdat hij de uitspraak op bezwaar met dagtekening 1 februari 2021 al op 29 januari 2021 aan de gemachtigde van eiser zou hebben verzonden. Bij deze brief van 1 april 2021 was tevens een afschrift van de uitspraak op bezwaar gevoegd. De gemachtigde stelt deze brief eerst op 20 april 2021 te hebben ontvangen.
3. Nu eiser stelt de uitspraak op bezwaar niet te hebben ontvangen, moet verweerder aannemelijk maken dat de uitspraak op de voorschreven wijze bekend is gemaakt. Hij kan daarbij in beginsel volstaan met het aannemelijk maken dat hij de uitspraak op bezwaar naar het adres van de gemachtigde eiser heeft verzonden. Verweerder heeft desgevraagd verklaard dat de uitspraak op bezwaar per gewone post is verzonden en dat hij de uitspraak op bezwaar op 22 juli 2021 retour heeft ontvangen met de aantekening “niet afgehaald”.
4. De dagtekening van de uitspraak op bezwaar is 1 februari 2021. Gelet op het op de retour gekomen uitspraak op bezwaar vermelde adres, zoals ter zitting door verweerder getoond, staat vast dat verweerder de uitspraak op bezwaar naar het juiste adres van eiser verzonden heeft. Dat de uitspraak op bezwaar (de gemachtigde van) eiser niet heeft bereikt, is naar het oordeel van de rechtbank gelet hierop niet te wijten aan fouten van verweerder. De uitspraak op bezwaar is naar het oordeel van de rechtbank daarom op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt (vgl. Hoge Raad 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:45). Het is de rechtbank voorts niet gebleken dat de uitspraak op bezwaar pas na de dagtekening is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van het beroepschrift eindigde op 15 maart 2021.
5. Het beroep is bij de rechtbank ontvangen op 22 april 2021. Hieruit volgt dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
6. Op grond van artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In geval van indiening van een beroepschrift is daarvan (onder meer) sprake indien: (1) de belanghebbende als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid met vertraging kennis heeft genomen van de uitspraak op bezwaar, en daardoor pas na het verstrijken van de termijn een beroepschrift heeft ingediend, en tevens (2) de belanghebbende na kennis te hebben genomen van de uitspraak op bezwaar het beroepschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd.
7. Wat bij overschrijding van de beroepstermijn kan gelden als alsnog zo spoedig mogelijk indienen van het desbetreffende geschrift, hangt af van de omstandigheden van het geval, maar aan de betrokken belastingplichtige dient in ieder geval een termijn van ten minste veertien dagen te worden gegund.
8. In het onderhavige geval staat vast dat (de gemachtigde van) eiser de originele uitspraak op bezwaar niet ontvangen heeft. Gelet op de geloofwaardige verklaring van de gemachtigde ter zitting dat post gericht aan zijn postbus door PostNL bij hem op kantoor wordt bezorgd en dat hij geen afhaalberichten ter zake krijgt, is de rechtbank van oordeel dat het niet aan (de gemachtigde van) eiser is te wijten dat hij de uitspraak op bezwaar niet ontvangen heeft. De gemachtigde heeft voorts gesteld dat hij de brief van verweerder met dagtekening 1 april 2021, waarbij tevens een afschrift van de uitspraak op bezwaar was gevoegd, volgens zijn administratie eerst op 20 april 2021 ontvangen heeft en vrijwel direct na ontvangst alsnog beroep heeft aangetekend. Verweerder heeft ter zitting erkend niet aannemelijk te kunnen maken dat hij de brief van 1 april 2021 ook op deze datum heeft verstuurd. De rechtbank houdt het er daarom voor dat (de gemachtigde van) eiser pas op 20 april 2021 bekend is geworden met de uitspraak op bezwaar. Nu de gemachtigde het beroep op 22 april 2021 alsnog zo spoedig mogelijk heeft ingediend, is de rechtbank van oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
9. De rechtbank acht het beroep gelet op het voorgaande ontvankelijk.
De WOZ-waarde
10. De woning van eiser is een vrijstaande woning, met een serre, een dakkapel, een kelder en een garage. Het bouwjaar van de woning is 1922. De oppervlakte van het perceel is in totaal ongeveer 2.170 m².
11. Eiser vindt dat verweerder de WOZ-waarde van de woning te hoog heeft vastgesteld. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de waarde te hoog is vastgesteld heeft eiser gewezen op een door hem ingebracht taxatierapport.
12. Verweerder moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Hiervoor heeft verweerder verwezen op een door hem ingebracht taxatierapport. In dit taxatierapport is de waarde van de woning onderbouwd met verkooptransacties van vijf vrijstaande woningen binnen een jaar voor of na de waardepeildatum 1 januari 2019 (de vergelijkingsobjecten), alle gelegen te [woonplaats] . Het gaat om:
- [object 1] (verkocht op 1 maart 2019 voor € 1.725.000),
- [object 2] (verkocht op 1 oktober 2019 voor € 1.925.000),
- [object 3] (verkocht op 4 juni 2018 voor € 1.900.000),
- [object 4] (verkocht op 4 januari 2019 voor € 1.795.000), en
- [object 5] (verkocht op 4 juni 2018 voor € 1.585.000).
13. Tussen partijen is de inhoud van de woning in geschil. Eiser stelt dat de inhoud van de woning 777 m³ bedraagt en verweerder betoogt dat de inhoud van de woning 820 m³ bedraagt.
14. De rechtbank stelt voorop dat beide partijen verwijzen naar en dus bekend zijn met de uitspraak van de rechtbank van 20 juli 2020, HAA 19/4493, ECLI:NL:RBNHO:2020:5456, in welke zaak de WOZ-waarde van de woning voor het kalenderjaar 2019 aan de orde was. Onder de feiten in die uitspraak staat dat de inhoud van de woning inclusief aanbouw ongeveer 775 m³ bedraagt. Daar waren partijen het dus over eens. De WOZ-waarde van een woning moet weliswaar elk jaar zelfstandig worden beoordeeld, maar de objectkenmerken van een woning wijzigen niet zomaar. Nu verweerder geen bewijsstukken heeft overgelegd op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat de inhoud van de woning is gewijzigd of dat de inhoud van 775 m³ waar partijen het op de eerdere zitting over eens waren, onjuist is, zal de rechtbank er daarom van uitgaan dat de inhoud van de woning, overeenkomstig de stelling van eiser, niet groter dan 777 m³ is. Over de kenmerken van de garage (wel of niet vrijstaand), dakkappellen (1 of 3) en kelder zijn partijen het ook niet eens, maar de rechtbank laat een oordeel hierover achterwege, gelet op het hierna volgende.
15. De rechtbank stelt voorts vast dat de door verweerder aangevoerde vergelijkingsobjecten kort vóór of na de waardepeildatum zijn verkocht en wat type, ligging en omvang betreft voldoende vergelijkbaar met de woning. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen dan ook dienen ter onderbouwing van de waarde van de woning.
16. De rechtbank constateert dat zowel bij de woning van eiser als bij alle vergelijkingsobjecten door verweerder aan de grond het grootste deel van de waarde van de gehele onroerende zaak is toegekend.
Conclusie
19. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
22. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
23. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. Voor de behandeling van een bezwaar is een termijn van zes maanden redelijk en voor de behandeling van een beroep een termijn van anderhalf jaar.
24. De berechting van deze zaak is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift op 31 maart 2020 en geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op 9 maart 2023. De voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn bedraagt derhalve afgerond 36 maanden. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor de verlenging van de redelijke termijn is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De redelijke termijn is daarom overschreden met afgerond twaalf maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Van de overschrijding is een periode van afgerond vijf maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase en zeven maanden aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom 5/12e deel van € 1.000 te betalen (€ 417) en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) 7/12e deel (€ 583).
Proceskosten en griffierecht
25. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.266 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 296, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1). De kosten van het taxatierapport stelt de rechtbank vast op € 128,26 (twee uur voor een niet inpandige taxatie à € 53 per uur te vermeerderen met 21% omzetbelasting). De rechtbank ziet tevens aanleiding verweerder op te dragen het betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de waarde van de woning tot € 1.800.000;
vermindert de aanslag OZB tot een berekend naar een waarde van € 1.800.000;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op
bezwaar;
veroordeelt de ambtenaar tot vergoeding van immateriële schade van eiser voor een bedrag van € 417;
veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van immateriële schade van eiser voor een bedrag van € 583;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2394,26; en
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ferrier, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G.U. Wasch griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum waarop deze is verzonden hoger beroep ingesteld worden bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.