Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-03-29
ECLI:NL:RBNHO:2023:3462
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,126 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9148153 \ CV EXPL 21-2503
Uitspraakdatum: 29 maart 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[de passagier]
wonende te [woonplaats]
eiser
hierna te noemen de passagier
gemachtigde mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft
gevestigd te Keulen (Duitsland) en kantoorhoudende te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen de vervoerder
gemachtigde mr. E.A. Pluijm en mr. L.E. Schalk (Russell Advocaten)
1Het procesverloop
1.1.
De passagier heeft bij dagvaarding van 19 januari 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.
Feiten
2.1.
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Hoersching Airport (Linz, Oostenrijk) naar Amsterdam-Schiphol Airport op 7 november 2019 met vlucht LH1253, hierna: de vlucht.
2.2.
De vlucht is geannuleerd. De passagier heeft vanwege de annulering extra kosten gemaakt, bestaande uit de kosten voor een vervangende vlucht.
2.3.
EUclaim B.V. heeft namens de passagier de hiervoor genoemde kosten van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.
3De vordering en het verweer
3.1.
De passagier vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 363,81, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 december 2019, althans vanaf datum ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; - € 90,75 dan wel € 66,03 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagier stelt dat de vervoerder op grond van artikel 5 en/of 6 juncto artikel 8 en/of 9 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) dan wel op grond van artikel 19 van het Verdrag van Montreal tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer van 28 mei 1999, Trb. 2001/91 (hierna: het Verdrag) gehouden is de extra gemaakte kosten, bestaande uit de kosten voor een vervangende vlucht, te vergoeden.
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De vervoerder heeft aangevoerd dat hij het ticket van de passagier heeft gerestitueerd. De vervoerder is dan ook van mening dat hij aan zijn verplichtingen op grond van de Verordening heeft voldaan. De gevorderde kosten zijn volgens de vervoerder ook niet op grond van het Verdrag van Montreal toewijsbaar, omdat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen.
4.3.
De kantonrechter overweegt als volgt. De additionele kosten zijn, los van de vraag of de vervoerder zich aan zijn verplichtingen op grond van de Verordening heeft gehouden, niet toewijsbaar op grond van de Verordening. In het arrest van het Hof van 7 november 2019 (zaak C213/18, ECLI:EU:C:2019:927) geeft het Hof namelijk in overweging 44 aan dat in de Verordening ‘vastgelegde forfaitaire en gestandaardiseerde rechten’ zijn geregeld en in het Verdrag van Montreal de ‘verdere compensatie’. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt hieruit dat de artikelen 6 en 9 van de Verordening in elk geval niet zover kunnen worden opgerekt dat onder ‘recht op verzorging’ ook de kosten voor het vervangende vervoer moet worden verstaan. De verzochte additionele kosten zijn evenmin toewijsbaar op grond van een ander artikel van de Verordening.
4.4.
De gevorderde kosten zijn in beginsel wel toewijsbaar op grond van artikel 19 van het Verdrag van Montreal, omdat de vervoerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de passagier na de annulering van de vlucht alsnog met een door hem aangeboden vlucht zonder vertraging op de eindbestemming had kunnen aankomen. Het moet er om die reden voor gehouden worden dat de beslissing van de passagier om een andere vlucht te boeken, is ontstaan uit ‘een vertraging in het luchtvervoer’. Artikel 19 van het Verdrag van Montreal is niet van toepassing in een situatie van ‘niet-vervoeren’ of gehele wanprestatie. Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is. Het enkele feit dat de passagier met de (zelf geboekte) vervangende vlucht eerder is aangekomen dan gepland, betekent dan ook niet dat per definitie geen recht op vergoeding van de gemaakte kosten bestaat.
4.5.
Er dient dan ook beoordeeld te worden of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem gevergd kon worden om de schade te vermijden, of dat het voor hem onmogelijk was om dergelijke maatregelen te nemen. De vervoerder voert aan dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen en heeft hierbij toegelicht dat hij, toen duidelijk werd dat de staking niet afgewend kon worden, op 5 november 2019 een persbericht heeft uitgevaardigd. De vervoerder heeft de passagiers de keuze geboden tussen restitutie van hun reissom of een kosteloze omboeking op een alternatieve vlucht.
4.6.
De passagier betwist dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen. Een persbericht kan nimmer worden aangemerkt als een kennisgeving aan een passagier, aldus de passagier. Uit nergens is volgens de passagier gebleken welke alternatieve opties de vervoerder aan hem heeft aangeboden. Ook stelt de passagier dat de vervoerder met het overleggen van alle berichten met betrekking tot de staking zijn standpunt tot het nemen van de redelijke maatregelen onvoldoende heeft onderbouwd. De vervoerder heeft de stellingen van de passagier ongemotiveerd weersproken, zodat niet is gebleken dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen. In de PNR-gegevens wordt weliswaar het e-mailadres van de passagier genoemd, maar nergens blijkt daaruit dat voornoemd bericht aan de passagier is gestuurd. Er wordt in PNR-gegevens geen melding gemaakt van het onderwerp van de betreffende mail dan wel brief. De mededeling van de vervoerder dat hij alternatieve vluchtroutes heeft aangeboden is bovendien te algemeen van aard. Het was aan de vervoerder om in het onderhavige geval aan te tonen welke opties hij de passagier heeft geboden. Het verweer van de vervoerder dat in het bericht staat dat de passagier met het klikken op de link en met het invullen van het boekingsnummer, de specifiek voor hem gezochte alternatieve vluchten te zien zou krijgen, is daartoe onvoldoende. Dit is overigens niet onderbouwd. Aldus is niet gebleken dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen.
4.7.
De kantonrechter dient vervolgens te beoordelen of de door de passagier extra gemaakte kosten noodzakelijk, passend en redelijk zijn teneinde het verzuim van de vervoerder goed te maken. De vervoerder voert aan dat de gevorderde kosten niet noodzakelijk, passend en redelijk zijn. Het nieuwe vluchtschema van de passagier is namelijk wezenlijk anders dan die van de oorspronkelijke vlucht. Volgens het oorspronkelijke schema zou de passagier op 7 november 2019 worden vervoerd van Linz naar Amsterdam-Schiphol Airport. In het nieuwe vluchtschema zou de passagier op 7 november 2019 van Wenen naar Amsterdam-Schiphol Airport worden vervoerd en vervolgens drie dagen later van Amsterdam-Schiphol Airport naar Parijs en van Parijs naar Wenen, aldus nog steeds de vervoerder. De door de passagier nieuw geboekte vluchten vormen een veel meer uitgebreide reis dan de oorspronkelijke vluchten die geannuleerd zijn wegens de staking. De vervoerder meent dan ook dat, gelet op het voorgaande, slechts een bedrag van € 121,27 als noodzakelijk, passend en redelijk kan worden aangemerkt. De passagier heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. De enkele stelling van de passagier dat hij voor een enkele vlucht van Oostenrijk naar Nederland ongeveer € 500,00 moest betalen, is daartoe onvoldoende. De kantonrechter acht in het onderhavige geval dan ook een bedrag van € 121,27 passend, noodzakelijk en redelijk teneinde het verzuim van de vervoerder goed te maken. Een bedrag van € 121,27 zal dan ook worden toegewezen.
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar. Anders dan de passagier stelt is de wettelijke rente niet toewijsbaar vanaf de datum van de vlucht, omdat de gevorderde kosten geen (forfaitair berekende) schade betreft. Het verzuim treedt dus niet zonder ingebrekestelling in. Voldoende is gebleken dat de vervoerder bij brief van 25 november 2019 in gebreke is gesteld. Derhalve is de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom toewijsbaar vanaf 14 dagen na 25 november 2019, nu een eerdere verzuimdatum is gesteld noch gebleken.
4.9.
De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagier buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal de vordering of het gevorderde bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, te weten € 48,40 (inclusief btw), en voor het overige afwijzen.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 169,67, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 121,27 vanaf 10 december 2019 en over € 48,40 vanaf 19 januari 2019 tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 103,83;griffierecht € 85,00;salaris gemachtigde € 78,00;vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 19,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter