Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-11-09
ECLI:NL:RBNHO:2023:14185
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,333 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/121745-23 (P)
Uitspraakdatum: 9 november 2023
Tegenspraak
Vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 oktober 2023 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. J.A. Huibers en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1 primair
hij op of omstreeks 13 mei 2023 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, een (arm)klem om de nek/keel/hals van die [slachtoffer] heeft aangelegd en/of (vervolgens) die (arm)klem heeft aangetrokken en/of aangetrokken gehouden, en/of de nek/keel/hals van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen/dichtgedrukt en/of dichtgeknepen/dichtgedrukt gehouden en/of die [slachtoffer] (manueel) heeft gestranguleerd en/of gewurgd en/of verstikt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 1 subsidiair
hij op of omstreeks 13 mei 2023 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te
brengen,
- een (arm)klem om de nek/keel/hals van die [slachtoffer] heeft aangelegd en/of
(vervolgens) die (arm)klem heeft aangetrokken en/of aangetrokken gehouden,
en/of de nek/keel/hals van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen/dichtgedrukt en/of dichtgeknepen/dichtgedrukt gehouden en/of die [slachtoffer] (manueel) heeft gestranguleerd en/of gewurgd en/of verstikt, en/of
- meermalen, althans eenmaal, op/tegen/in het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt, en/of
- meermalen, althans eenmaal, op/tegen/in het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft getrapt/geschopt, en/of
- meermalen, althans eenmaal, in de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gebeten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 1 meer subsidiair
hij op of omstreeks 13 mei 2023 te Haarlem zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door
- een (arm)klem om de nek/keel/hals van die [slachtoffer] aan te leggen en/of
(vervolgens) die (arm)klem aan te trekken en/of aangetrokken te houden, en/of de nek/keel/hals van die [slachtoffer] dicht te knijpen/drukken en/of dichtgeknepen/dichtgedrukt te houden en/of die [slachtoffer] (manueel) te stranguleren en/of wurgen en/of verstikken, en/of
- meermalen, althans eenmaal, op/tegen/in het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan/stompen, en/of,
- meermalen, althans eenmaal, op/tegen/in het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te trappen/schoppen, en/of,
- aan de haren van die [slachtoffer] te trekken, en/of
- in de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te bijten.
Feit 2
hij op of omstreeks 13 mei 2023 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk (de ruit van) de voordeur van een woning (gelegen aan [adres] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] en/of [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde en hetgeen ten laste is gelegd onder 2. De officier van justitie heeft ten aanzien van de onder 1 primair ten laste gelegde poging doodslag gewezen op een uitspraak van het gerechtshof Den Haag, waarin is overwogen dat ook een kortdurende poging tot wurging een handeling oplevert die naar haar uiterlijke verschijningsvorm is gericht op de dood.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het onder 1 primair ten laste gelegde. De raadsman heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de verdachte hooguit een paar seconden een armklem om de hals van aangeefster heeft gehouden en haar daarna heeft losgelaten, waardoor de verdachte niet bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster zou komen te overlijden. De raadsman heeft zich ten aanzien van hetgeen ten laste is gelegd onder 1 subsidiair en 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak feit 1 primair
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en wat ter terechtzitting is besproken, vast dat de verdachte op enig moment achter aangeefster is komen staan en daarbij een arm om de keel en/of hals van aangeefster heeft gelegd. De verdachte heeft deze armklem vervolgens aangetrokken, waarbij aangeefster niet of niet voldoende adem kon halen. Aangeefster is op enig moment losgekomen en is naar boven gerend, waar zij 112 heeft gebeld.
De vraag is vervolgens of de verdachte door het aanleggen van de armklem opzet - al dan niet in voorwaardelijke zin - heeft gehad op het overlijden van aangeefster.
Uit de verklaringen van de verdachte kan dat opzet niet worden afgeleid, omdat de verdachte - naar eigen zeggen – aangeefster enkel wilde weghalen voor het raam zodat hij de woning van aangeefster kon verlaten. Voor de vraag of de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangeefster is van belang of hij willens en wetens de aanmerkelijke kans dat aangeefster door zijn handelen zou komen te overlijden heeft aanvaard.
De rechtbank oordeelt dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat er een aanmerkelijke kans was dat aangeefster door de armklem zou komen te overlijden. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om iets te kunnen zeggen over de duur, kracht en intensiteit van het geweld tegen de hals/keel van aangeefster. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het door de arts bij de hals/keel van aangeefster geconstateerde letsel, anders dan het geval was in de aangehaalde zaak door de officier van justitie, beperkt is gebleven tot bloeduitstortingen.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. De rechtbank zal de verdachte daarvan dan ook vrijspreken.
3.3.2.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, met uitzondering van het derde gedachtestreepje, met betrekking tot het trappen en/of schoppen, en hetgeen laste is gelegd onder feit 2, op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1 subsidiair:
hij op 13 mei 2023 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te
brengen,
- een (arm)klem om de keel/hals van die [slachtoffer] heeft aangelegd en
die (arm)klem heeft aangetrokken en de keel/hals van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en
- meermalen tegen het gezicht en het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt en
- meermalen in de rug van die [slachtoffer] heeft gebeten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Feit 2:
hij op 13 mei 2023 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk de ruit van de voordeur van een woning gelegen aan [adres] , die aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1 subsidiair:
Poging tot zware mishandeling
Feit 2:
Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
Motivering
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaar en met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, het volgen van ambulante behandeling en deelname aan gedragsinterventie.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zo is het belangrijk dat de verdachte aan zijn zakelijke verplichtingen kan blijven voldoen, hij contact met zijn kinderen kan blijven houden en de verdachte aan herstel van zijn relatie met het slachtoffer kan werken. De raadsman heeft daarom verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van ten hoogste de duur die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De raadsman heeft geen bezwaar tegen het opleggen van een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van het contact- en locatieverbod met betrekking tot het slachtoffer.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft aangeefster, zijn toenmalige vriendin, in de beslotenheid en vertrouwdheid van haar eigen woning ernstig mishandeld. Hij is tweemaal binnengedrongen in de woning van aangeefster. Aangeefster is zo angstig voor de verdachte geweest dat zij zich heeft proberen op te sluiten in de slaapkamer van een van haar kinderen, waar zij 112 heeft gebeld. Uit de beschrijving van dit gesprek blijkt de paniek waarin zij verkeerde. Aangeefster werd tot twee keer toe geconfronteerd met een geweldsexplosie van de verdachte. Daarbij is zij meerdere keren geslagen, gebeten en heeft de verdachte zijn arm om haar hals/keel gehouden. Hierdoor kon zij moeilijk of niet ademen en heeft zij meerdere verwondingen over haar hele lichaam opgelopen. Aangeefster is uiteindelijk bewusteloos aangetroffen in haar badkamer door de agenten die op de 112-melding afkwamen.
De verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke integriteit van aangeefster op ernstige wijze geschonden en haar voor haar leven doen vrezen. De rechtbank rekent het de verdachte verder aan dat hij in de eigen woning van aangeefster geweld heeft toegepast, een plek waar zij zich bij uitstek veilig behoort te voelen. Bovendien zijn ook buurtbewoners en de vriendinnen die aangeefster tijdens het incident telefonisch heeft gesproken, getuige geweest van de agressie van de verdachte
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling. Dit is een hinderlijk en overlast gevend feit, dat voor de slachtoffers niet alleen materiële schade met zich brengt, maar ook veel overlast en frustratie.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het op naam van de verdachte staand strafblad van 2 augustus 2023, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van soortgelijke delicten onherroepelijk veroordeeld is.
De rechtbank slaat verder acht op het reclasseringsadvies van 20 juli 2023 waarin vermeld staat dat de kans op recidive als laag tot gemiddeld wordt ingeschat en dat de reclassering onderzoek en behandeling nodig vindt om recidive in de toekomst tegen te gaan. De reclassering adviseert om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden meldplicht bij reclassering, gedragsinterventie alcohol en geweld, ambulante behandeling en een locatie- en contactverbod met betrekking tot aangeefster. De rechtbank slaat voorts acht op de e-mail van 24 oktober 2023 van [reclasseringswerker] van Fivoor over het verloop van het schorsingstoezicht, waaruit blijkt dat de verdachte zich houdt aan de meldplichtafspraken bij de reclassering. De gedragsinterventie Alcohol en geweld is niet passend bevonden en in de plaats daarvan is gekozen voor een leefstijltraining. De verdachte heeft een aantal sessies afgerond en heeft tot op heden een actieve bijdrage geleverd aan deze sessies. De verdachte heeft op 19 oktober 2023 een positief intakegesprek gehad bij De Waag.
Tot slot neemt de rechtbank mee dat de verdachte spijt heeft betuigd naar aangeefster toe, dat er een mediationgesprek heeft plaatsgevonden tussen hun, hij de schade die aangeefster heeft geleden heeft vergoed en dat hij zich wil blijven inzetten om de relatie met aangeefster te verbeteren. Uit de ter terechtzitting door aangeefster voorgedragen verklaring blijkt dat zij weliswaar veel verdriet heeft gehad van het voorval, maar dat zij graag, al dan niet met hulp van De Waag, wil werken aan een betere omgang met de verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat, gezien de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten, geen andere straf gepast is dan een gevangenisstraf.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 180 dagen moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat 98 dagen daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zullen worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank een deel van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, te weten een meldplicht, ambulante behandeling en het volgen van gedragsinterventie noodzakelijk. Deze voorwaarden zullen als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. De rechtbank acht het – vanwege de uitdrukkelijke wens van aangeefster en de verdachte om de gebeurtenis samen te verwerken – niet noodzakelijk om een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel te verbinden.
7Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 45, 57, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van honderdtachtig (180) dagen.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot achtennegentig (98) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
De veroordeelde zich meldt binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres Zeilweg 148c in Haarlem. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
De veroordeelde actief deelneemt aan de gedragsinterventie ‘leefstijltraining' of een andere gedragsinterventie. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.
De veroordeelde zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Diagnostiek maakt onderdeel uit van de behandeling. De behandeling start zo snel mogelijk en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
Ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
Medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Lintjer, voorzitter,
mr. C.W.M. Giesen en mr. N.M.L. Rogmans, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. M.N. de Bruijn,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 november 2023