Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-11-22
ECLI:NL:RBNHO:2023:14025
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,869 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10656365 \ CV EXPL 23-5258 (DB)
Uitspraakdatum: 22 november 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1]
2. [eiser 2]
beiden wonende te [plaats]
eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident
hierna gezamenlijk te noemen de passagiers
gemachtigde mr. B.F.I. Bruisten
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Delta Air Lines Inc.
statutair gevestigd te Wilmington (Verenigde Staten)
gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident
hierna te noemen de vervoerder
gemachtigde mr. M. Lustenhouwer
1Het procesverloop
1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 20 juli 2023 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft een incidentele conclusie strekkende tot onbevoegdheid genomen. De passagiers hebben niet gereageerd.
2De vordering in de hoofdzaak
2.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente;- € 108,90 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
2.2.
Voorts verzoeken de passagiers de kantonrechter om een certificaat af te geven zoals bedoeld in artikel 53 herziene EEX-Verordening 1215/2012 (Brussel I bis-Verordening).
2.3.
De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 300,00 per passagier.
3De vordering en het verweer in het incident
3.1.
De vervoerder heeft de kantonrechter verzocht zich onbevoegd te verklaren, omdat de Nederlandse rechter niet bevoegd is kennis te nemen van de vordering van de passagiers, met veroordeling van de passagiers in de kosten van het incident.
3.2.
De vervoerder legt aan zijn vordering ten grondslag dat aan zijn vordering ten grondslag dat de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel I bis-Verordening) niet van toepassing is, nu de vervoerder in Wilmington (Verenigde Staten) gevestigd is en geen van de in de Brussel I bis-Verordening opgenomen uitzonderingen zich voordoen. Evenmin komt rechtsmacht toe aan de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland op grond van de bepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), aldus de vervoerder.
Beoordeling
4.1.
Voor de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft dient in de eerste plaats te worden gekeken naar de bepalingen van de Brussel I bis-Verordening. Uitgangspunt is dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. In artikel 63 Brussel I bis-Verordening is bepaald dat rechtspersonen voor de toepassing van de verordening woonplaats hebben op de plaats van hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging. In dit geval is de vervoerder gevestigd in Wilmington in de Verenigde Staten en heeft deze dus geen woonplaats in een lidstaat. Op grond van artikel 6 van Brussel I bis-Verordening geldt dan dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter dient te worden beoordeeld aan de hand van het Nederlandse procesrecht. De Brussel I bis-Verordening biedt ook geen alternatieve bevoegdheidsgrond. Daarbij is van belang dat sprake is van een vervoerovereenkomst en dat uit artikel 17 lid 3 van de Brussel I bis-Verordening volgt dat afdeling 4 (betreffende de bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten) niet van toepassing is op vervoerovereenkomsten.
4.2.
Op grond van artikel 2 Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht als de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. De woonplaats van een rechtspersoon is ingevolge artikel 1:10 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) daar waar hij zijn statutaire zetel heeft. Vast staat dat de statutaire zetel van de vervoerder is gelegen in Wilmington (Verenigde Staten), zodat hij op grond van artikel 1:10 lid 2 BW geen woonplaats heeft in Nederland als bedoeld in artikel 2 Rv. Evenmin is gebleken dat de vervoerder op grond van artikel 1:14 BW mede woonplaats heeft te Schiphol. De kantonrechter kan dan ook geen bevoegdheid ontlenen aan voornoemde artikelen.
4.3.
Op grond van artikel 6, aanhef en sub a Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Ingevolge artikel 6a aanhef en sub b Rv is voor de toepassing van artikel 6, onderdeel a, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering in Nederland gelegen voor de verstrekking van diensten, indien de diensten volgens de overeenkomst in Nederland verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden. Ook een luchtvervoerovereenkomst kwalificeert als een overeenkomst tot verstrekking van diensten. Als de plaats van verstrekking van diensten geldt zowel de plaats van vertrek als de plaats van aankomst van de vlucht (zie HvJ 9 juli 2009, C-204/08, NJ 2013/314 (Rehder) en HvJ 7 maart 2018, gevoegde zaken C-274/16, C-447/16 en C-448/16, ECLI:EU:C:2018:160, NJ 2018/190 (flightright GmbH)).
4.4.
Ingevolge artikel 6a, aanhef en sub b Rv is voor de toepassing van artikel 6, onderdeel a, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering in Nederland gelegen voor de verstrekking van diensten, indien de diensten volgens de overeenkomst in Nederland verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever artikel 6 en artikel 6a Rv direct ontleend heeft aan artikel 5 Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verordening) en dat het steeds de bedoeling is geweest om een rechtsmachtregeling in te voeren die zoveel mogelijk identiek is aan die van de EEX-Verordening en EVEX, en daarmee dus ook aan de Brussel I-bis-Verordening. Ook een luchtvervoerovereenkomst kwalificeert als een overeenkomst tot verstrekking van diensten. Indachtig hetgeen in het Rehder-arrest (en het arrest van het Hof van 7 maart 2018, gevoegde zaken C-274/16, C447/16 en C-448/16, ECLI:EU:C:2018:160) is geoordeeld over artikel 5, punt 1, onder b, tweede streepje van de EEX-Verordening (thans artikel 7 Brussel I bis-Verordening), overweegt de kantonrechter dat zowel de plaats van vertrek als de plaats van aankomst gelijkelijk worden beschouwd als de plaatsen waar de diensten die het voorwerp van een luchtvervoerovereenkomst uitmaken, hoofdzakelijk worden verstrekt.
4.5.
Nu in dit geval de passagiers een vervoersovereenkomst hebben gesloten op grond waarvan de vervoerder hen vanaf Düsseldorf (Duitsland) diende te vervoeren naar Augusta (Verenigde Staten), is in dit geval geen sprake van diensten die volgens de onderhavige overeenkomst in Nederland verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden in de zin van artikel 6a, aanhef en onder b Rv. Hieruit volgt dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft op grond van artikel 6, aanhef en onder a, Rv.
4.6.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 6 aanhef en sub d Rv. In artikel 6 aanhef en sub d Rv is bepaald dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in zaken betreffende een overeenkomst die wordt gesloten door een partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, indien die natuurlijke persoon in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft en de partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf aldaar commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op Nederland en de overeenkomst onder die activiteiten valt. Deze bepaling bevat een bevoegdheidsgrond ten behoeve van consumentenovereenkomsten.
4.7.
De vervoerder stelt dat er geen overeenkomst is tussen de passagiers en de vervoerder, zodat de bepalingen omtrent consumentenovereenkomsten toepassing missen. Nu de passagiers niet hebben gereageerd, neemt de kantonrechter dit als vaststaand aan. Ook indien er wel sprake zou zijn van een overeenkomst tussen de passagiers en de vervoerder, is in dit geval niet gebleken dat de vervoerder commerciële activiteiten in Nederland ontplooit en zich op de Nederlandse markt richt met als doel om commerciële betrekkingen aan te gaan met consumenten in Nederland.
4.8.
De kantonrechter concludeert dat aan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt, zodat de kantonrechter zich onbevoegd zal verklaren.
4.9.
De passagiers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
Beoordeling
5.1.
Omdat doordat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen en de behandeling van de zaak wordt beëindigd worden de passagiers eveneens veroordeeld in de kosten van de procedure in de hoofdzaak.
Dictum
De kantonrechter:
in het incident
5.1.
wijst de vordering van de vervoerder toe;
5.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 80,00;
in de hoofdzaak
5.3.
verklaart zich onbevoegd van de vordering kennis te nemen;
5.4.
veroordeelt de passagiers in de proceskosten, aan de zijde van de vervoerder vastgesteld op nihil;
in het incident en in de hoofdzaak
5.5.
verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter