Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-12-22
ECLI:NL:RBNHO:2023:13417
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,996 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/025692-20 (P)
Uitspraakdatum: 22 december 2023
Tegenspraak
Vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 november 2023 en 28 november 2023 (gesloten op 12 december 2023) in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 1] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. van Bree, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B. Kochheim-Bossink, advocaat te Aerdenhout, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij, kort gezegd, in de periode van 8 januari 2020 tot en met 4 februari 2020 in Anna Paulowna en Badhoevedorp, met anderen, opzettelijk amfetamine heeft vervaardigd (feit 1), dat hij in diezelfde periode in Anna Paulowna en Badhoevedorp opzettelijk, met anderen, voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor de productie van amfetamine door een of meer anderen daartoe (onder meer) gelegenheid en/of middelen te verschaffen (feit 2), dat hij, met anderen, op 4 februari 2020 in Anna Paulowna en Badhoevedorp opzettelijk amfetamineolie aanwezig heeft gehad (feit 3) en ten slotte dat hij met behulp van een valse of vervalste schuldbekentenis belastingfraude althans valsheid in geschrifte heeft gepleegd (feit 4).
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Standpunten
3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3 en 4.
3.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1, 2 en 3. De verdachte ontkent betrokken te zijn geweest bij het drugslaboratorium dat aan de [adres 2] in Anna Paulowna is aangetroffen. Hij is in die periode nauwelijks op de [adres 3] aanwezig geweest en had ook geen enkele reden te vermoeden dat er iets mis was. Pas na ontdekking van het drugslaboratorium hoorde hij van de mede-eigenaar, zijn broer [medeverdachte 1] , dat de [adres 2] verhuurd was. De verdachte was geen eigenaar en heeft ook geen gebruik gemaakt van de garage aan de [adres 4] . Hij wist niet dat er amfetamineolie aanwezig was in die garage. Nu er geen sprake is van wetenschap, kan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van amfetamineolie niet bewezen worden.
Ten aanzien van feit 4 moet de verdachte eveneens worden vrijgesproken, omdat de verdachte niet het opzet en de bedoeling heeft gehad om valselijk een schuldbekentenis op te maken.
Beoordeling
4.1
Inleiding feit 1, 2 en 3
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 4 februari 2020 heeft de politie invallen gedaan in de panden gelegen aan de [adres 5] in Badhoevedorp en in de panden gelegen aan de [adres 3] [adres 8] in Anna Paulowna. De broers [verdachte] (verdachte) en [medeverdachte 1] (medeverdachte en hierna ook: zijn broer) zijn gezamenlijk eigenaar van het perceel met panden aan de [adres 3] [adres 8] in Anna Paulowna. Het gaat om een woonhuis op [adres 7] en een boerderij met aanpalende loods op [adres 2] . De verdachte en zijn broer zijn ook gezamenlijk eigenaar van de panden gelegen aan de [adres 9] . De verdachte is eigenaar van de woning aan de [adres 10] en heeft daar zijn woonadres. [medeverdachte 1] is eigenaar van de woning aan de [adres 4] en de bijbehorende garage. [medeverdachte 1] woont daar samen met zijn zoon [medeverdachte 2] (medeverdachte).
Bij de doorzoekingen werden in de boerderij en de aanpalende loods aan de [adres 2] een laboratorium en diverse chemicaliën aangetroffen voor de productie van amfetamine. Het laboratorium was verspreid over drie verschillende ruimtes: een loods, een zeecontainer die tegen de loods aan was geplaatst, en de bovenverdieping van het woonhuis. Vanuit de loods was een doorgang gecreëerd naar deze zeecontainer. In de verschillende ruimtes werden verschillende deelprocessen uitgevoerd ten behoeve van de productie van amfetamine. Tevens werd in de loods 510 liter ruwe amfetamineolie aangetroffen. Bij de doorzoeking van de panden aan de [adres 11] in Badhoevedorp is in de garage bij de woning van [adres 4] een hoeveelheid van 25 liter amfetamineolie aangetroffen.
De verdachte wordt ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3, kort gezegd, verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt 1) aan de productie van amfetamine, 2) aan het treffen van voorbereidingshandelingen voor de productie van amfetamine, en 3) aan het voorhanden hebben van amfetamine.
Bij de beantwoording van de bewijsvragen gaat de rechtbank uit van de hierboven beschreven feiten en omstandigheden.
4.2
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1, 2 en 3
[adres 2] in Anna Paulowna
De verdachte is, samen met zijn broer, de eigenaar van dit perceel. Op 4 februari 2020 is in de boerderij met aanpalende loods aan de [adres 2] een laboratorium aangetroffen waar amfetamine werd geproduceerd. Zoals in de inleiding is vermeld, stond tegen de zijkant van de loods een zeecontainer waar ook een deel van het productieproces plaatsvond. In de loods was een doorgang gecreëerd naar de zeecontainer. Uit de luchtopnames die op 6 november 2019 zijn gemaakt van de [adres 2] blijkt dat er toen tegen de zijkant van de loods nog geen zeecontainer was geplaatst, zodat dit pas na genoemde datum moet zijn gebeurd. Hieruit volgt dat het productieproces van de amfetamine, zoals aangetroffen op 4 februari 2020, niet kan zijn aangevangen voor 7 november 2019. Wanneer de zeecontainer is geplaatst en een aanvang is gemaakt met de bouw van het drugslaboratorium en het produceren van de amfetamine, kan de rechtbank op basis van de onderzoeksbevindingen niet nader vaststellen. Uit de bevindingen van de observaties van de [adres 2] door verbalisanten in december 2019 en januari 2020 kan niet worden afgeleid op welke plek de container zich op dat moment bevond. Evenmin zijn tijdens de observaties aan de buitenkant van de boerderij en de aanpalende loods andere zaken waargenomen die duidden op de aanwezigheid van een drugslaboratorium. Op basis van de verklaringen van de broer van de verdachte en diens zoon en medeverdachte [medeverdachte 2] kan worden vastgesteld dat de loods vanaf eind 2019 of begin januari 2020 is verhuurd aan een derde. De verdachte heeft verklaard dat hij pas na de inval en ontdekking van het drugslaboratorium heeft gehoord van zijn broer dat hij (als mede-eigenaar van [adres 2] ) een huurder had vanaf januari 2020.
De verdachte woonde niet op de [adres 7] of [adres 2] in Anna Paulowna en heeft verklaard weinig aanwezig te zijn geweest op het betreffende perceel. Deze verklaring vindt bevestiging in de telefoongegevens van de telefoon van de verdachte. Hieruit kan namelijk worden afgeleid dat hij in de tenlastegelegde periode van ongeveer één maand, eenmaal op het perceel aan de [adres 3] is geweest. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij niets wist van het aangetroffen laboratorium, dat hij bij zijn bezoeken aan het perceel niet in de loods is geweest, dat hij geen sleutels meer had van de loods en dat hem op het perceel geen bijzonderheden zijn opgevallen. De verdachte heeft wel verklaard dat het hem is opgevallen dat er veel elektriciteit door de loods aan de [adres 2] werd verbruikt.
Uit het dossier blijkt dat het elektriciteitsgebruik van het pand aan de [adres 2] veel hoger ligt dan dat van een vijfpersoonshuishouden, terwijl er geen gegevens bekend zijn van enige bewoning of bedrijfsactiviteiten op het betreffende adres sinds 28 februari 2019.
Uit dit hoge stroomverbruik kan echter niet worden afgeleid dat het energieverbruik op enig moment aanmerkelijk is toegenomen, waardoor de verdachte zou hebben kunnen vermoeden dat sprake was van (de aanvang van) illegale activiteiten op het perceel aan de [adres 2] . De rechtbank zal daarom geen conclusies verbinden aan hetgeen zich in het dossier bevindt ten aanzien van het stroomverbruik.
De rechtbank is van oordeel, gelet op het voorgaande, dat er onvoldoende bewijs is voor de conclusie dat de verdachte wist of had moeten weten dat in de boerderij aan de [adres 2] een amfetaminelaboratorium werd geëxploiteerd, dat hij wist van het daarmee gepaard gaande bezit van 510 liter amfetamineolie, of dat hij de loods voor de productie of opslag van amfetamine(olie) beschikbaar heeft gesteld. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat de verdachte opzettelijk amfetamine heeft geproduceerd, dan wel opzettelijk de gelegenheid of middelen heeft verschaft tot het plegen van dit misdrijf, noch dat hij de op de [adres 2] aangetroffen amfetamine voorhanden heeft gehad.
[adres 4] Badhoevedorp
Op 4 februari 2020 is in de garage aan de [adres 4] te Badhoevedorp 25 liter amfetamineolie aangetroffen. De broer van de verdachte is eigenaar en bewoner van deze woning en bijbehorende garage. De verdachte was daar niet woonachtig en ook anderszins blijkt uit het dossier niet dat de verdachte gebruik maakte van deze garage of dat hij op enige andere wijze op de hoogte was of had moeten zijn van de daar aangetroffen amfetamineolie.
De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de feiten 1, 2 en 3.
Vrijspraak feit 4
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse schuldbekentenis en deze heeft ingediend bij de Belastingdienst. Tussen de verdachte, zijn broer en [betrokkene] is in 2017 mondeling overeengekomen dat de verdachte en zijn broer een geldbedrag konden lenen van [betrokkene] , hetgeen is bevestigd door [betrokkene] . De verdachte heeft deze mondelinge overeenkomst op een later moment op schrift gesteld en laten ondertekenen door de betrokken partijen, met als datum van ondertekening 1 mei 2017. De rechtbank is van oordeel dat enkel het noemen van de datum van 1 mei 2017 als datum van ondertekening, terwijl de werkelijke datum van ondertekening later was, in dit geval niet maakt dat de verdachte opzettelijk een valse verklaring heeft gedaan. Immers, de inhoud van de schuldbekentenis is niet strijdig met de waarheid en de rechtbank stelt daarom vast dat de verdachte geen valse opgave heeft gedaan.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Gelast de bewaring van:
- 1 STK Wapen (Goednummer: 1113509)
- 808 STK Munitie (Goednummer: 1118711)
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.J. Roos, voorzitter,
mr. G.M.G. Hink en mr. D.J. Straathof, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Splunter,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 december 2023.