Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-11-01
ECLI:NL:RBNHO:2023:12721
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,980 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 10535342 \ CV EXPL 23-2458 TB
Uitspraakdatum: 1 november 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [woonplaats]
eiser
verder te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. P. van Baaren
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde
verder te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: mr. H.S. Memelink
1Het procesverloop
1.1.
[eiser] heeft bij dagvaarding van 17 mei 2023 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
Op 12 september 2023 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiser] bij brief van 30 augustus 2023 nog stukken toegezonden.
Feiten
2.1.
Tussen Werken Wonen Projectontwikkeling B.V. en [gedaagde] voorheen handelend onder de naam Kaf-Kaf Borduurstudio heeft een huurovereenkomst bestaan betreffende de bedrijfsruimte [adres] in Amsterdam. Op 30 november 2003 zijn partijen, Werken Wonen Projectontwikkeling B.V. rechtsgeldig vertegenwoordigd door [eiser] , een huurbeëindigingsovereenkomst overeengekomen, waarin is opgenomen dat de tussen partijen gesloten huurovereenkomst per 1 april 2004 wordt beëindigd.
2.2.
In de brief van 17 september 2003 van Werken Wonen Projectontwikkeling B.V. aan [gedaagde] is aan [gedaagde] bevestigd dat de datum van ontbinding van het huurcontract 1 september 2004 is.
3De vordering en het verweer
3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 18.601,26, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [eiser] aan [gedaagde] een studio heeft verhuurd en uit hoofde van de huurovereenkomst een bedrag openstaat van € 33.653,89. [gedaagde] heeft de vordering erkend en tussen partijen is aflossingsregeling overeengekomen. [gedaagde] heeft tot en met 2018 een bedrag afgelost van € 9.765,00. Met [gedaagde] is laatstelijk een betalingsregeling getroffen van € 70,00 per maand. De laatste betaling dateert van april 2019. Exclusief rente en kosten bedraagt het thans openstaande bedrag € 18.601,26. [gedaagde] is herhaaldelijk aangemaand om tot betaling over te gaan.
3.3.
[gedaagde] betwist de vordering. In de eerste plaats voert zij aan dat zij in 1999 een huurovereenkomst heeft gesloten met Werken Wonen Projectontwikkeling B.V. en in 2003 met haar een beëindigingsovereenkomst heeft gesloten. Als er al een vordering zou zijn dan zou verhuurder Werken Wonen Projectontwikkeling B.V. de vordering hebben en niet [eiser] in privé. [eiser] dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen.
3.4.
In de tweede plaats voert [gedaagde] aan dat er sprake is van verjaring van de huurpenningen. De verjaringstermijn van de huur en de kosten is 5 jaar vanaf de vervaldatum van de huur. Deze termijn is ruimschoots verstreken, er is geen vonnis en evenmin is ooit de verjaring gestuit door de verhuurder.
3.5.
In de derde plaats betwist [gedaagde] dat er een concrete betalingsregeling is overeengekomen en de stelling dat zij de vordering erkend zou hebben. Het is [gedaagde] niet duidelijk wat exact de hoogte is van de openstaande huurschuld. De zoon van [gedaagde] heeft [eiser] gevraagd om een toelichting, welke hij nooit heeft gekregen.
Beoordeling
4.1.
Primair heeft [gedaagde] het verweer gevoerd dat [eiser] niet de eigenaar van de vordering is omdat de huurovereenkomst is gesloten tussen [gedaagde] en Werken Wonen Projectontwikkeling B.V. en niet tussen [gedaagde] en [eiser] . Het antwoord op de vraag wie de eigenaar van de vordering is kan naar het oordeel van de kantonrechter in het midden blijven. De vordering is namelijk hoe dan ook verjaard.
4.2.
Overwogen wordt dat de rechtsvordering tot betaling van huur verjaart door verloop van vijf jaren na het opeisbaar worden van de vordering. Het gaat in dit geval om een periode van voor 1 september 2004 (de datum waarop de huurovereenkomst is ontbonden), waarbij de huur steeds maandelijks bij vooruitbetaling verschuldigd was. Dit betekent dat de vordering ter zake van huurpenningen is verjaard, tenzij die verjaring is gestuit. De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.
4.3.
[eiser] heeft gesteld dat er nog een bedrag van € 18.601,26 aan achterstallige huur openstaat. De aanmaning die door [eiser] is overgelegd, waarin is opgenomen dat de vordering € 28.000,00 bedraagt exclusief rente en kosten, dateert van 28 oktober 2013. Daarnaast is door [eiser] een e-mail van 30 maart 2005 overgelegd van een deurwaarder aan [eiser] waarin is opgenomen dat terzake de huurovereenkomst een bedrag openstaat van € 33.653,89. Tussen deze stukken – die samen met wat correspondentie uit de periode januari 2023 tot en met maart 2023 het dossier betroffen – zit een periode van ruim acht jaar. Weliswaar is door [eiser] gesteld dat er in de tussentijd brieven zijn uitgewisseld en dat betalingen zijn gedaan, maar daarvan is niet gebleken. In dat kader heeft [eiser] ter zitting gesteld dat hij de betaalbewijzen en correspondentie alsnog in het geding kan brengen om het beroep op verjaring te pareren, maar dat is te laat. Niet gesteld of gebleken is dat deze informatie niet eerder in het geding gebracht had kunnen worden. Het had, gelet op het verjaringsverweer van [gedaagde] , maar ook gelet op het verweer van [gedaagde] dat geen betalingsregeling is afgesproken en dat niet duidelijk is wat exact de hoogte is van de huurachterstand, op de weg van [eiser] gelegen om de relevante stukken in het geding te brengen en om inzichtelijk te maken hoe het gestelde bedrag aan huurachterstand is opgebouwd. Nu de vordering veel langer dan vijf jaar verschuldigd zou zijn en [eiser] niet heeft gesteld of anderszins is gebleken dat hij de verjaring heeft gestuit, is de rechtsvordering verjaard.
4.4.
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] zal afwijzen.
4.5.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van € 792,00 aan salaris van de gemachtigde van [gedaagde] , vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Artikel 3:308 BW.
Artikel 3:317 lid 1 BW.