Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-11-01
ECLI:NL:RBNHO:2023:12111
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,196 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10036542 CV EXPL 22-4655
Uitspraakdatum: 1 november 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [plaats]
eiseres
verder te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp
tegen
de buitenlandse vennootschap
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft,
gevestigd te Keulen (Duitsland)
gedaagde
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. R.W.L. Russell
1Het procesverloop
1.1.
De passagier heeft bij dagvaarding van 16 mei 2022 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. De passagier heeft zich bij akte uitgelaten over (de producties bij) de schriftelijke reactie van de vervoerder.
Feiten
2.1.
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Dubai Airport (Verenigde Arabische Emiraten) via Frankfurt International Airport (Duitsland) naar Amsterdam Schiphol Airport op 3 oktober 2020.
2.2.
Vlucht LH 631 van Dubai naar Frankfurt (hierna: de vlucht) is vertraagd uitgevoerd. De passagier heeft haar aansluitende vlucht gemist. De passagier is omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zij 4 uur en 54 minuten later dan oorspronkelijk gepland aangekomen op de overeengekomen eindbestemming.
2.3.
De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.
3De vordering
3.1.
De passagier vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 181,570, dan wel € 108,90 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 3 november 2020;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de passagier te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00.
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De kantonrechter heeft geen acht geslagen op het in de laatste akte van de passagier opgenomen commentaar dat niet ziet op de door de vervoerder in zijn laatste conclusie overgelegde producties. De passagier is door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld om zich over die producties uit te laten, maar niet om het in de eerdere twee schriftelijke rondes gevoerde debat voort te zetten.
4.3.
Niet in geschil is dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op de overeengekomen eindbestemming is aangekomen, zodat er in beginsel een compensatieplicht geldt voor de vervoerder. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening welke ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden.
4.4.
De vraag die voorligt is of de vervoerder met de door hem overgelegde producties en zijn toelichting daarop, voldoende heeft aangetoond dat de langdurige vertraging van de passagier op de eindbestemming het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.
4.5.
De vervoerder heeft in dit verband aangevoerd dat de onderhavige vlucht onderdeel uitmaakte van de rotatievlucht Frankfurt-Dubai-Frankfurt (vluchten LH630 en LH631). Beide vluchten zijn vertraagd uitgevoerd als gevolg van verschillende buitengewone omstandigheden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de vervoerder verwezen naar de vluchtrapporten van vluchten LH630 en LH631. Blijkens het vluchtrapport van vlucht LH630 is deze vlucht vertraagd uitgevoerd wegens vertragingscodes 86X (55 minuten) en 87U (1 minuut). De vervoerder heeft slechts ten aanzien van code 86X een beroep op buitengewone omstandigheden gedaan. Hij heeft daarbij toegelicht dat de vertraging is veroorzaakt doordat hij een verplichte veiligheidscontrole moest uitvoeren in verband met de coronapandemie. De passagiers hebben het voorgaande betwist en stellen dat de aanvullende controle geen buitengewone omstandigheid kan opleveren.
4.6.
De kantonrechter overweegt als volgt. De veiligheidsmaatregelen die overheden nemen om de COVID-19 pandemie in te perken zijn naar hun aard en oorsprong niet inherent aan de normale uitoefening van de activiteiten van luchtvaartmaatschappijen. De vervoerder is gehouden om te controleren of iedere passagier over een geldig testbewijs en een geldige gezondheidsverklaring beschikt. Hij kan hierop geen invloed uitoefenen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de (vlieg)veiligheidscontrole kan worden aangemerkt als een buitengewone omstandigheid.
4.7.
Vlucht LH630 is met een vertraging 1 uur en 24 minuten in Dubai aangekomen. De vervoerder heeft aangevoerd dat het verschil van 28 minuten tussen de vertrek- en aankomstvertraging van vlucht LH630 is veroorzaakt door een langere ‘block time’. De vervoerder heeft zijn verweer op dit punt echter niet onderbouwd, zodat de kantonrechter hieraan voorbij gaat.
4.8.
De vraag die vervolgens voorligt is of voornoemde buitengewone omstandigheid doorwerkt naar de vlucht in kwestie. Uit het vluchtrapport van vlucht LH631 volgt dat de vlucht een vertraging had wegens code 93 (Aircraft rotation, late arrival of aircraft from another flight or previous sector) van 1 uur en 5 minuten. Nu reeds is vastgesteld dat 55 minuten van deze vertraging is ontstaan als gevolg van een buitengewone omstandigheid, werkt deze omstandigheid voor de duur van 55 minuten door naar de onderhavige vlucht.
4.9.
Naast code 93 is de vlucht in kwestie volgens de vervoerder ook vertraagd uitgevoerd wegens vertragingscodes 86X (14 minuten) en 89 (11 minuten). Ten aanzien van code 86X heeft de vervoerder toegelicht dat de vlucht in kwestie op haar beurt ook weer te maken had met een traag boardingproces ten gevolge van de verplichte (vlieg)veiligheidsprocedures vanwege de coronapandemie. De kantonrechter is van oordeel dat het beroep op buitengewone omstandigheden op dit punt slaagt en verwijst naar hetgeen hiervoor onder 4.4 is overwogen. Ten aanzien van vertragingscode 89 voert de vervoerder aan dat dit staat voor ‘ATC pre-departure delay’. Het betreft volgens de vervoerder de extra tijd die een toestel door de luchtverkeersleiding bij de gate wordt gehouden om efficiency redenen (o.a. het vermijden van wachtrijen bij de vertrekbaan). De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder door het vluchtrapport te overleggen voldoende heeft onderbouwd dat code 89 voor 11 minuten vertraging heeft gezorgd. Deze omstandigheid vormt een buitengewone omstandigheid, omdat de vervoerder hier geen invloed op heeft kunnen uitoefenen.
4.10.
Resumerend is de aankomstvertraging van de vlucht voor de duur van 1 uur en 20 minuten (55 +14 + 11) te wijten aan buitengewone omstandigheden. Nu vertraging van de onderhavige vlucht deels door buitengewone omstandigheden en deels door andere omstandigheden is veroorzaakt, dient te worden vastgesteld of de passagier haar aansluitende vlucht zou hebben gehaald zonder de buitengewone omstandigheden.
4.11.
De passagier is om 07:35 uur lokale tijd, met een vertraging van 1 uur en 41 minuten, aangekomen te Frankfurt. De aansluitende vlucht van de passagier stond om 08:10 uur lokale tijd gepland te vertrekken. Zonder de buitengewone omstandigheid van 1 uur en 20 minutenminuten zou de vlucht om 06:15 uur lokale tijd te Frankfurt zijn gearriveerd. De vervoerder heeft aangevoerd dat de minimumoverstaptijd te Frankfurt 45 minuten bedraagt. De passagier heeft dit niet betwist. . Indien geen buitengewone omstandigheden waren opgetreden, dan zouden de passagier haar aansluitende vlucht hebben gehaald. Hieruit volgt dan ook dat de uiteindelijke vertraging van de passagier op de eindbestemming het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.
4.12.
De volgende vraag die voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen, dan wel te beperken. De passagier stelt dat de vervoerder uitvoerig voorbereid c.q. ingespeeld had kunnen zijn op de (vlieg)veiligheidsprocedure als gevolg van de coronapandemie. De veiligheidscontrole was dan ook voorzienbaar en de vervoerder had hiervoor tijd kunnen (en moeten) reserveren in zijn boardingproces. De vervoerder heeft hiertegen aangevoerd dat tijdens de coronapandemie sprake was van een veranderende situatie en dat daarom niet vooraf ingespeeld kon worden op deze omstandigheden.. De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder de stellingen van de passagiers daarmee onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. De kantonrechter concludeert dan ook dat de vervoerder niet alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de vluchten te voorkomen dan wel te beperken. De vordering tot compensatie zal dan ook worden toegewezen.
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.
4.14.
De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagier buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 708,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 600,00 vanaf 3 oktober 2020, en over € 108,50 vanaf 16 mi 2023,tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 125,03;griffierecht € 214,00;salaris gemachtigde € 264,00;vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 132,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter