Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-10-10
ECLI:NL:RBNHO:2023:10629
Civiel recht
Verschoning
1,378 tokens
Dictum
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]
Verschoningskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/344606/ HA RK 23-133
Dictum
Op het verzoek tot verschoning ingediend door:
Mr. J.J. Dijk
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1
De rechter heeft op 6 oktober 2023 schriftelijk verzocht zich te mogen verschonen in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton & Insolventie aanhangige zaak met als zaaknummer 10036352 CV EXPL 22-4639, hierna te noemen: de hoofdzaak.
Beoordeling
2.1
Een rechter kan verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2
De rechter heeft ter onderbouwing van het verzoek het volgende aangevoerd:
In de kantonzaak [naam 1] vs [naam 2] en [naam 3] , 1003652 CV EXPL 22-4639 ben ik als behandelend kantonrechter aangewezen. De mondelinge behandeling is bepaald op 12 oktober a.s. om 15.00 uur. Ik had mij in deze zaak tot op heden nog niet verdiept.
De raadsman van partij [naam 1] heeft, nadat de griffie aan partijen had doorgegeven dat ik de behandelend kantonrechter ben, bezwaar gemaakt en daartoe aangevoerd dat ik ook de rechter ben geweest die in kort geding tussen partijen op 29 januari 2021 vonnis heeft gewezen. De reconventionele vordering en al hetgeen
daartoe is aangevoerd in dat kort geding is nu (grotendeels) ook het onderwerp waarop de huidige bodemprocedure ziet. De raadsman maakt dan ook bezwaar tegen behandeling van de bodemprocedure door ondergetekende.
Ik onderschrijf dat bezwaar: ik heb door het kort geding vonnis immers al een oordeel gegeven over de materie waarover het nu in de bodemprocedure gaat. Het is verder ook in strijd met het door ons kantongerecht gehanteerde rolreglement als de rechter in het kort geding en in de bodemprocedure één en dezelfde persoon zijn.
2.3
In het licht van het in 2.1 weergegeven uitgangspunt dient beoordeeld te worden of de door de kantonrechter aangevoerde argumenten voldoende grond bieden voor toewijzing van het verzoek tot verschoning. Dat is het geval. Het kort geding waarin de rechter op 29 januari 2021 vonnis heeft gewezen is aanhangig gemaakt door [naam 2] en [naam 3] en had in conventie betrekking op onder meer een vordering uit hoofde van een huurachterstand. In reconventie heeft [naam 1] – onder meer – gesteld dat in het gehuurde sprake was van bij de aanvang van de huur onbekende ernstige gebreken met name op het gebied van brandveiligheid. Volgens die partij rechtvaardigden de feiten in conventie reeds een beroep op dwaling. De kantonrechter heeft het beroep op dwaling gepasseerd en de stellingen van [naam 1] over de gebreken niet gevolgd en [naam 1] veroordeeld tot betaling van de openstaande bedragen uit hoofde van onder meer huurtermijnen en haar veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke kosten en proceskosten en de vordering in reconventie afgewezen. [naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis van de kantonrechter maar het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 20 juli 2021 het kort-gedingvonnis van de kantonrechter grotendeels bekrachtigd.
2.4
De hoofdzaak heeft [naam 1] aanhangig gemaakt tegen [naam 2] en [naam 3] en strekt onder meer tot vernietiging van de huurovereenkomst op grond van dwaling. Aan deze dwaling legt [naam 1] (opnieuw) stellingen over de haar bij het sluiten van de overeenkomst onbekende gebreken in de brandveiligheid van het gehuurde ten grondslag. De rechter heeft over die vordering en – een deel van - de daaraan door [naam 1] ten grondslag gelegde stellingen, zij het in het kader van een kort geding, al een (voorlopig) oordeel gegeven.
2.5
Hetgeen de kantonrechter aan haar verzoek tot verschoning ten grondslag heeft gelegd, kan gelet op die feiten in dit geval bij (een van) de partijen leiden tot objectief gerechtvaardigde vrees van schade aan de rechterlijke onpartijdigheid, omdat de rechter zich in de eerdere zaak over de vergelijkbare vordering tussen dezelfde partijen en daaraan ten grondslag gelegde vergelijkbare feiten reeds heeft uitgesproken.
2.6
De aangevoerde feiten en omstandigheden vormen derhalve een grond voor verschoning. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.
Dictum
De rechtbank
3.1
wijst het verzoek van de rechter tot verschoning toe,
3.2
bepaalt dat de hoofdzaak verder zal worden behandeld door een andere rechter en beveelt dat die zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van het team Handel, Kanton & Insolventie, locatie Haarlem,
3.3
beveelt de griffier onverwijld aan de rechter en de partijen in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.
Deze beslissing is gegeven door mr. L.M. Kos, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en
mr. J.L. Roubos, leden van de verschoningskamer, in tegenwoordigheid van
C. Vis-van Zanden griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2023.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.