Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-10-11
ECLI:NL:RBNHO:2023:10445
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,336 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 10490791 \ CV EXPL 23-2076
Uitspraakdatum: 11 oktober 2023
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap
Budget Thuis B.V., handelend onder de naam BudgetEnergie, voorheen genaamd NutsServices B.V.
gevestigd te Amsterdam
de eisende partij
gemachtigde: gerechtsdeurwaarder J.J. Sikkema
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1Het verdere procesverloop
1.1.
Bij tussenvonnis van 28 juni 2023 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten, hetgeen zij bij akte van 19 juli 2023 (hierna: de akte) heeft gedaan.
2De verdere beoordeling
Verzoek om terug te komen op het tussenvonnis
2.1.
De eisende partij verzoekt in de akte om terug te komen op de beslissing in het tussenvonnis om de gevorderde termijnbedragen van € 200,00 niet toe te wijzen. De eisende partij stelt dat als er is gefactureerd dat niet betekent dat deze bedragen ook betaald zijn. Als de eisende partij de reeds gefactureerde maandtermijnen niet in mindering zou laten strekken op de eindafrekening, zou de gedaagde partij teveel in rekening gebracht krijgen, aldus de eisende partij.
2.2.
De kantonrechter kan terugkomen op een bindende eindbeslissing als is gebleken dat een eerdere door haar gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. In het onderhavige geval is gebleken dat sprake is van een onjuiste feitelijke grondslag. Uit de toelichting van de eisende partij in de akte in combinatie met de stellingen in de dagvaarding begrijpt de kantonrechter nu dat het feit dat de twee termijnbedragen van juli en augustus 2019 van € 100,00 elk in mindering zijn gebracht op de eindfactuur tot doel heeft te voorkomen dat de gedaagde partij teveel in rekening gebracht krijgt en dat dit niet betekent dat deze zijn betaald. Dit betekent dat de kantonrechter terugkomt op het oordeel in 2.3 van het tussenvonnis dat de termijnbedragen over juli en augustus 2019 niet meer verschuldigd zijn. Vast staat dat deze facturen niet zijn betaald en dat de gedaagde partij in verzuim is. Daarmee zijn beide bedragen in beginsel opeisbaar.
2.3.
Dat betekent dat de kantonrechter alsnog moet beoordelen of de eisende partij heeft voldaan aan de (pre)contractuele informatieplichten als bedoeld in de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230t BW.
De precontractuele informatieplichten
2.4.
De eisende partij heeft gesteld dat zij heeft voldaan aan de hiervoor genoemde precontractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230t lid 1 BW. Ter onderbouwing hiervan heeft zij schermafdrukken van het aanmeldproces voorzien van een toelichting overgelegd.
2.5.
Uit deze toelichting en stukken blijkt niet (voldoende) dat de eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan de informatieplichten als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 onder c en p BW heeft voldaan. Immers, het geografische adres waar de handelaar gevestigd is, het telefoonnummer en e-mailadres van de handelaar ontbreken. Anders dan de eisende partij stelt, blijkt uit de schermafdrukken niet dat deze gegevens op de website staan vermeld en ook staan deze niet in de Algemene Voorwaarden voor de levering van elektriciteit en gas aan kleinverbruikers 2017 (hierna: algemene voorwaarden). Daarnaast geldt op grond van artikel 6:230m lid 1 onder p BW dat het voor de consument duidelijk moet zijn voor welke periode hij ten minste aan de overeenkomst gebonden is. De consument moet tijdens het bestelproces duidelijk op deze informatie worden gewezen zonder dat hij deze informatie zelf moet opzoeken. In dit geval blijkt uit artikel 21.2 van de algemene voorwaarden dat sprake is van een opzegtermijn van 30 dagen en uit artikel 21.3 van die voorwaarden dat de consument dan wel een opzegvergoeding moet betalen. Uit de stellingen in de dagvaarding en de overgelegde stukken blijkt echter niet dat de gedaagde partij op die informatie is gewezen tijdens het bestelproces. In het bestelproces staat alleen dat bij opzegging na de wettelijke bedenktijd een opzegvergoeding moet worden betaald, maar daar staat niet bij wat de opzegtermijn is. Dat deze informatie ergens op de website staat en/of in de algemene voorwaarden is niet voldoende. De eisende partij heeft niet aangetoond dat aan deze informatieplicht volledig is voldaan.
2.6.
Ook heeft de eisende partij niet voldaan aan de precontractuele informatieplicht van artikel 6:230t lid 1 BW. Hoewel de overeenkomst kwalificeert als een duurzame gegevensdrager bevat dit stuk niet alle in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie.
2.7.
De kantonrechter is dan ook van oordeel dat niet is voldaan aan de artikelen 6:230m lid 1 onder c en p en 6:230t lid 1 BW en zal voor deze drie schendingen een sanctie toepassen.
De contractuele informatieplicht
2.8.
Voor wat betreft de contractuele informatieplicht (artikel 6:230t lid 2 BW) heeft de eisende partij voldoende gesteld en onderbouwd dat deze is nagekomen.
Welke sancties horen hierbij?
2.9.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
2.10.
In deze zaak heeft de eisende partij de essentiële precontractuele informatieplicht(en) zoals opgenomen in artikel 6:230m lid 1 onder c en p en 6:230t lid 1 BW geschonden. geschonden. Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk te vernietigen, te weten voor 25% van de door de gedaagde partij verschuldigde hoofdsom. Daarbij wordt (mede) toepassing gegeven aan de artikelen 3:40 lid 2 en 3:41 BW, en aan de artikelen 6:193b, 6:193d, 6:193f en 6:193j BW, omdat de schending van de informatieplichten ook een oneerlijke handelspraktijk is.
Wat is toewijsbaar?
2.11.
Uit de eindfactuur van 18 september 2019 blijkt dat in totaal voor € 652,48 aan energie is verbruikt, terwijl voor € 683,00 aan termijnbedragen in rekening is gebracht. Dat betekent dat er feitelijk € 30,52 teveel in rekening is gebracht. Gelet op de gevorderde betaling van de termijnfacturen van juli en augustus 2019 van in totaal € 200,00 resteert daarvan feitelijk een vordering van € 169,48 ( € 200,00 - € 30,52). Gelet op het voorgaande is van die hoofdsom een bedrag van € 127,11 (€ 169,48 x 0,75) toewijsbaar.
2.12.
Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter ook aanleiding ziet om terug te komen op de bindende eindbeslissing in rechtsoverweging 2.5. van het tussenvonnis voor wat betreft het toe te wijzen bedrag aan opzegvergoeding. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.11 is overwogen dient het bedrag van € 30,52 immers al in mindering te komen op de termijnfacturen. Dat betekent dat dat bedrag niet (ook nog) in mindering komt op de gevorderde opzegvergoeding. Anders dan is overwogen in rechtsoverweging 2.5. van het tussenvonnis is de in rekening gebrachte opzegvergoeding van € 100,00 dan ook geheel toewijsbaar.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 227,11, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 april 2023 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
€ 107,84 wegens dagvaardingskosten,
€ 128,00 wegens griffierecht en
€ 39,00 wegens salaris gemachtigde;
3.3.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van € 19,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de eisende partij worden gemaakt
3.4.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter