Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2021-10-13
ECLI:NL:RBNHO:2021:8983
Civiel recht, Civiel recht; Goederenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,088 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
Zittingsplaats Alkmaar
zaaknummer / rolnummer: C/15/314756 / HA ZA 21-175
Vonnis van 13 oktober 2021
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. S.R. van der Boom te Alkmaar,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. H.P. Verheyen te Den Burg, Texel.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
De zaak in het kort
Partijen zijn buren die het oneens zijn over de vraag wie eigenaar is van een stuk grond dat in de tuin van [gedaagde] ligt, maar volgens het kadaster bij het perceel van [eiser] hoort. [eiser] stelt dat de grond aan hem toebehoort en dat de feitelijke situatie moet worden aangepast aan de kadastrale registratie. [gedaagde] betwist dit en stelt dat de eigendom van de grond door verjaring op hem is overgegaan. De rechtbank stelt [gedaagde] in het gelijk en oordeelt dat de rechtsvoorgangers van [gedaagde] door verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van de grond.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 30 september 2020 met producties 1 tot en met 4,
de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie met producties 1 tot en met 19 van de zijde van [gedaagde] ,
het tussenvonnis van 2 juni 2021 waarbij een descente en een mondelinge behandeling is gelast,
de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte wijziging eis met productie 5 van de zijde van [eiser] ,
de antwoordakte wijziging van eis van de zijde van [gedaagde] ,
de bij rolbericht van 24 augustus 2021 door [eiser] overgelegde producties 6 en 7,
het proces-verbaal van descente, mondelinge behandeling en getuigenverhoor,
gehouden op 25 augustus 2021,
- het rolbericht van [eiser] van 2 september 2021 met het verzoek om vonnis te wijzen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiser] is sinds 2017 eigenaar van het perceel aan het [adres 1] te [plaats] , kadastraal bekend als [kadastraalnr. 1] .
2.2.
[gedaagde] is sinds 2016 eigenaar van het daarnaast gelegen perceel aan het [adres 2] te [plaats] , kadastraal bekend als [kadastraalnr. 2] . Ook is hij eigenaar van het achter de beide hiervoor genoemde percelen liggende perceel kadastraal bekend als [kadastraalnr. 3] .
2.3.
Het perceel van [eiser] en het perceel van [gedaagde] met [kadastraalnr. 3] worden van elkaar gescheiden door een met klimop overwoekerde schutting van asbestgolfplaten (hierna: de schutting).
2.4.
De schutting staat niet op de kadastrale grens. De kadastrale grens is, gezien vanaf de straatzijde, verder naar achteren gelegen. Dit is te zien op onderstaande kadastrale kaart, waarop met een stippellijn de plaats van de schutting is aangegeven.
kadastrale kaart verwijderd i.v.m. anonimiseren
2.5.
De percelen van [gedaagde] met [kadastraalnr. 2] en [kadastraalnr. 3] zijn respectievelijk van 1969 tot 2014 en 1986 tot 2014 in eigendom geweest van de heer [xxx] (hierna: [xxx] ).
2.6.
Op 21 april 2020 heeft [xxx] ten overstaan van een notaris een verklaring afgelegd met onder meer de volgende inhoud:
“(…) - in de periode dat ik eigenaar ben geweest van de onroerende zaak is nooit enige wijziging geweest van de erfgrenzen;
- op het stuk waarop de heer [eiser] aanspraak maakt hebben wij altijd een groentetuin gehad.”
2.7.
In aanvulling hierop heeft [xxx] in een brief aan [gedaagde] van 17 maart 2021 onder meer het volgende verklaard:
“(…) Toen mijn vrouw en ik in 1969 en 1986 eigenaars werden van de percelen (…) was de situatie al zoals die nu is. (…)
Wij hadden geen idee dat de feitelijke erfgrens met het perceel van (nu) [eiser] (…) bestaande uit schutting met begroeiing, niet op de kadastrale grens stond.
Wij hebben ons derhalve altijd volledig eigenaars gevoeld van de percelen zoals wij die na bezichtiging hebben gekocht.
Wij hebben ons ook altijd als eigenaars gedragen. In het bijzonder door op het gedeelte van de grond waar u nu discussie hebt met de heer [eiser] , een groentuin aan te leggen en te onderhouden.
Wij hebben op deze plek zolang als wij hier woonden, groenten voor onze eigen keuken (maar we gaven ook weg als we teveel hadden) geteeld.
Nimmer hebben we gedacht dat we hier ook maar iets over aan derden/buren zouden hebben moeten vragen of melden. In tegendeel, buren kwamen bij ons (dus op onze grond) bramen plukken. En als we groente/vruchten weggaven aan buren, begrepen zij ook dat het teelt van onze grond was.
Dit is zo gebleven tot 2014 (…)”
2.8.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [xxx] als getuige onder meer nog het volgende verklaard:
“Toen ik het huis kocht toen heb ik het aangetroffen zoals het nu is. Ik heb achter in de tuin een doorbraak gemaakt in de schutting die daar toen stond. In 1986 heb ik namelijk de kapsalon gekocht van mijn schoonmoeder. [opmerking rechtbank: percelen met kadastrale nummers [kadastraalnr. 4] en [kadastraalnr. 3] ] Daardoor kwam het perceel achter de schutting ook in mijn hand. De schutting bestond uit hout en ik heb daar een opening in gemaakt waar ik doorheen kon. (…)
De schutting tussen het andere perceel en die tuin is altijd gebleven zoals het nu is, dus met golfplaten van asbest en daaroverheen begroeiing. (…)
Ik wil nog verduidelijken dat ik al in 1969 op [adres 2] ben komen wonen. In 1986 hebben we de kapsalon erbij gekocht en toen heb ik die moestuin opgericht. (…)
U vraagt mij ook wie die schutting en die asbestplaten daar heeft aangebracht. Dat weet ik ook niet, dat kan wel 60 jaar eerder zijn geweest. Toen ik er in 1969 kwam wonen, toen zat het er al zo.”
2.9.
Ten slotte heeft mevrouw [yyy] , die al sinds 1961 woont aan het [adres 3] , op 20 oktober 2020 een schriftelijke verklaring afgelegd met onder meer de volgende inhoud:
[yyy] (…) verklaart dat de huidige tuinafscheiding tussen [kadastraalnr. 2] en no [kadastraalnr. 3] en met struiken en asbestplaten scheiding met [kadastraalnr. 1] in haar herinnering altijd zo was.
[xxx] hield altijd daar een moestuin bij en [yyy] kwam daar regelmatig om o.a. bramen te plukken.
Terwijl het scheidinggroen van bomen struiken en klimop etc. werd bijgehouden door de [xxx] .”
Geschil
in conventie
3.1.
[eiser] vordert na eiswijziging samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
de juridische grens tussen het perceel van [gedaagde] met nummer [kadastraalnr. 3] en het perceel van [eiser] vaststelt overeenkomstig de kadastrale grens;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 970,- aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 1.093,84 aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente;
[gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt hieraan ten grondslag dat de grond gelegen tussen de schutting en de kadastrale grens (hierna: de grond) aan hem toebehoort en dat de feitelijke grens daarom in overeenstemming moet worden gebracht met de kadastrale grens. Ook moet [gedaagde] volgens [eiser] de kosten vergoeden van de in opdracht van [eiser] uitgevoerde erfgrensreconstructie (€ 970,-).
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert - samengevat - tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding. Zijn verweer komt er in de kern op neer dat de eigendom van de grond door verjaring op hem is overgegaan.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
Onder verwijzing naar hetgeen hij in conventie als verweer heeft aangevoerd, vordert [gedaagde] in reconventie samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
voor recht verklaart dat de vordering tot revindicatie van de grond is verjaard en dat [gedaagde] de grond door bevrijdende dan wel verkrijgende verjaring in eigendom heeft verkregen;
[eiser] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 905,23 aan [gedaagde] , te vermeerderen met de wettelijke rente;
[eiser] veroordeelt in de (na)kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.6.
[eiser] voert verweer en concludeert - samengevat - tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding. Daartoe voert hij kort gezegd aan dat geen sprake is van eigendomsovergang door verjaring.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank deze gezamenlijk behandelen.
4.2.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de grond volgens de kadastrale registratie bij het perceel van [eiser] hoort. In geschil is of [gedaagde] , zoals hij stelt, door verjaring eigenaar van de grond is geworden. Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord en dat daarom de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen, terwijl die van [gedaagde] moeten worden toegewezen. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
Het juridische kader
4.3.
De vraag of de eigendom van de grond door verjaring is overgegaan op [gedaagde] , moet worden beoordeeld aan de hand van het volgende door wet en jurisprudentie gevormde kader.
4.4.
Voor het verkrijgen van eigendom van een registergoed door verkrijgende verjaring is een onafgebroken bezit te goeder trouw van tien jaar vereist. Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen.Goede trouw is niet vereist voor het verkrijgen van een registergoed door middel van bevrijdende verjaring. Degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van een rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, verkrijgt dat goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De termijn voor een bevrijdende verjaring bedraagt in beginsel twintig jaar.
4.5.
Voor een geslaagd beroep op zowel verkrijgende als bevrijdende verjaring moet er sprake zijn van bezit. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf. De vraag of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf doet, wordt beoordeeld naar verkeersopvatting, uiteraard met inachtneming van de wettelijke regels en overigens op grond van uiterlijke feiten. Er geldt dus een objectieve maatstaf. Bij de vraag of sprake is van bezit moet de aard van het betrokken goed (hier: een tuin op een erf) in aanmerking moet worden genomen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat (ook naar huidig recht) het bezit ondubbelzinnig en openbaar (kenbaar) moet zijn. ‘Niet-dubbelzinnig bezit’ is aanwezig wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn.
4.6.
In deze zaak is nog van belang dat bezit kan worden verkregen door inbezitneming. Dat is: het zich de feitelijke macht verschaffen over een goed. Dat moet zodanig gebeuren dat het bezit van de oorspronkelijke eigenaar teniet wordt gedaan.
Stellingen van partijen
4.7.
Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de eigendom van de grond door verjaring is overgegaan, heeft [gedaagde] het volgende aangevoerd. Uit de verklaringen van [xxx] volgt dat de schutting er al stond toen [xxx] en zijn echtgenote op 11 juli 1986 het perceel met nummer [kadastraalnr. 3] in eigendom verkregen en dat de grond dus in ieder geval vanaf dat moment in bezit is geweest van de rechtsvoorgangers van [gedaagde] . De grond was niet eens bereikbaar via het perceel van [eiser] en is dat nog steeds niet. Bovendien is niet slechts sprake geweest van het enkel houden van de grond, maar ook van (onafgebroken) bezit en bezitsdaden. [xxx] en zijn echtgenote hebben op de grond namelijk altijd een moestuin gehad, waarin zij voor zichzelf groenten teelden. Zij hebben zich altijd gedragen als eigenaars, wat ook blijkt uit de verklaring van de al sinds 1961 aan het [adres 3] wonende [yyy] . Omdat [xxx] en zijn echtgenote altijd te goeder trouw hebben gedacht dat de erfafscheiding juist stond, zijn zij op 11 juli 1996 (het moment van verstrijken van de verjaringstermijn van tien jaar) eigenaar geworden van de grond.
Zelfs als de voor verkrijgende verjaring vereiste goede trouw zou ontbreken, geldt dat de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit is verjaard op 11 juli 2006. In dat geval zijn [xxx] en zijn echtgenote op 11 juli 2006 door bevrijdende verjaring eigenaar geworden van de grond.
4.8.
[eiser] heeft dit standpunt van [gedaagde] bestreden met de volgende stellingen. Allereerst geldt dat de grond wél bereikbaar was via het perceel van [eiser] , omdat beplantingen zijn aangebracht waar [eiser] doorheen had kunnen gaan. Verder is met de enkele verklaring van [xxx] dat de grond als groentetuin is gebruikt, niet aangetoond dat [xxx] gedurende tien dan wel twintig jaar de feitelijke macht over de grond heeft uitgeoefend met de pretentie daarvan eigenaar te zijn. Uit de verklaringen van [xxx] kan niet worden afgeleid dat en wanneer er bezitsdaden zijn verricht. Zo is niet duidelijk van welke datum de schutting dateert en of het gestelde bezit van de grond op enig moment onderbroken is geweest. De datum waarop de verjaringstermijn zou zijn aangevangen kan daarom niet worden vastgesteld.
Los van het voorgaande is ook niet voldaan aan het voor een geslaagd beroep op verkrijgende verjaring geldende vereiste van goede trouw. Artikel 3:23 BW bepaalt immers dat een beroep van een verkrijger van een registergoed op goede trouw niet wordt aanvaard wanneer dit beroep insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend.
Een en ander maakt dat niet kan worden vastgesteld dat [xxx] door verjaring eigenaar is geworden van de grond.
Verkrijgende verjaring
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat de eigendom van de grond door verkrijgende verjaring is overgegaan op (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] . Voor dit oordeel is het volgende van belang.
4.10.
Tijdens de plaatsopneming heeft de rechtbank geconstateerd dat de tuin van [eiser] wordt gescheiden van de grond door een ondoordringbare schutting van asbestplaten. Die schutting stond daar al toen [xxx] en zijn echtgenote op 11 juli 1986 de eigendom verkregen van het perceel met nummer [kadastraalnr. 3] , zo blijkt uit de verklaringen van [xxx] . Uit die verklaringen en de verklaringen van de (voormalige) bewoners van het [adres 4] en [adres 3] blijkt ook dat de situatie ter plaatse van de erfafscheiding tussentijds nooit is gewijzigd. Anders dan [eiser] in de dagvaarding stelt, is de grond dus in ieder geval al sinds 1986 niet bereikbaar via zijn perceel. Daar komt bij dat [xxx] en zijn echtgenote toen zij eigenaar werden van het perceel met nummer [kadastraalnr. 3] een doorgang hebben gemaakt naar dat perceel, en een moestuin hebben aangelegd op de grond in kwestie. Dit laat naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat zij de grond vanaf dat moment voor zichzelf hebben gehouden met de – voor de rechtsvoorgangers van [eiser] – kenbare pretentie daarvan eigenaar te zijn. De laatsten hadden immers, in ieder geval vanaf dat moment, geen enkele feitelijke macht meer over de grond. De rechtsvoorgangers van [gedaagde] hadden dus het ondubbelzinnig bezit van de grond en dat bezit was voor iedereen kenbaar.
4.11.
Er moet bovendien van worden uitgegaan dat [xxx] en zijn echtgenote (en hun rechtsvoorgangers) de grond te goeder trouw in hun bezit hadden. Niet alleen volgt uit de verklaringen van [xxx] dat hij en zijn echtgenote dachten dat de grond bij hun perceel hoorde (wat de rechtbank gelet op de feitelijke situatie redelijk voorkomt), ook bepaalt artikel 3:118 lid 3 BW dat goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn. Het was dus aan [eiser] om feiten en omstandigheden te stellen waaruit het ontbreken van goede trouw zou blijken, wat hij niet heeft gedaan. Zijn beroep op artikel 3:23 BW kan hem in dit verband niet baten, omdat kadastrale kaarten niet behoren tot de openbare registers als bedoeld in dat artikel.
Conclusie
4.14.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de eigendom van de grond door verkrijgende verjaring is overgegaan op de rechtsvoorgangers van [gedaagde] . De grond behoort met andere woorden toe aan [gedaagde] (aan wie de grond is overgedragen) en niet aan [eiser] . Omdat [eiser] in het ongelijk is gesteld, is er geen grondslag voor vergoeding van zijn buitengerechtelijke kosten en de kosten van de erfgrensreconstructie. Alle vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen. De door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht dat hij – kort gezegd – door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de grond zal worden toegewezen.
Buitengerechtelijke kosten
4.15.
[gedaagde] vordert een bedrag voor buitengerechtelijke kosten. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is en wordt daarom getoetst aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport BGK-integraal. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden – anders dan ter voorbereiding van deze procedure – zijn verricht. Het rapport BGK-integraal adviseert om de omvang van de vergoeding bij zaken van onbepaalde waarde op € 925,- te stellen. Het gevorderde bedrag van € 905,23 aan buitengerechtelijke kosten is lager dan de in het rapport geadviseerde vergoeding en zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2020, de dag waarop de kosten door [gedaagde] zijn gemaakt.
Proceskosten
4.16.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie en reconventie worden veroordeeld.
4.17.
De kosten aan de zijde van [gedaagde] in conventie worden begroot op:
- griffierecht € 952,00
- salaris advocaat € 1.970,50 (3,5 punten × tarief € 563,00)
Totaal € 2.922,50
4.18.
De kosten aan de zijde van [gedaagde] in reconventie worden op basis van de in reconventie gevorderde verklaring voor recht en het feit dat de vordering in reconventie voortvloeit uit het verweer in conventie begroot op € 563,00 aan salaris advocaat (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 563,00).
4.19.
De proceskostenveroordeling zal zoals gevorderd worden vermeerderd met de nakosten conform het liquidatietarief op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
Dictum
De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.922,50, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,
in reconventie
5.3.
verklaart voor recht dat [gedaagde] het stuk grond, gelegen tussen de feitelijk aanwezige erfafscheiding en de kadastrale grens (zoals partijen bekend is en zoals is weergegeven op de kadastrale tekening opgenomen onder 2.4 van dit vonnis) door verkrijgende verjaring in eigendom heeft verkregen,
5.4.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 905,23, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 7 mei 2020 tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 563,00, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,
in conventie en in reconventie
5.6.
veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 255,00 aan salaris advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de onderdelen 5.2, 5.4, 5.5 en 5.6.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2021.
Artikel 3:99 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)
Artikel 3:118 BW
Artikel 3:105 BW
Artikel 3:306 BW
Artikel 3:107 BW
Artikel 3:108 BW
Hoge Raad 24 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:309
Hoge Raad 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993: ZC0826
Artikel 3:112 BW en artikel 3:113 lid 1 BW
Hoge Raad 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743
Hoge Raad 20 februari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5543
Artikel 3:117 BW
type: MR
coll: