Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2021-08-27
ECLI:NL:RBNHO:2021:10864
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,832 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknummer : 9310701 \ WM VERZ 21-298
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 27 augustus 2021
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
[betrokkene]
gemachtigde : Bezwaartegenverkeersboetes.nl
Het verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 27 augustus 2021. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. De gemachtigde van betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd.
Met betrekking tot de gedraging
De sanctie is opgelegd wegens het handelen in strijd met artikel 72 van de Wegenverkeerswet 1994. De verplichting een voertuig periodiek te laten keuren is gekoppeld aan de registratie van het voertuig. De kentekenhouder of de eventuele bestuurder is hiervoor verantwoordelijk. De keuringsverplichting kan door de kentekenhouder slechts worden opgeheven door de geldigheid van het kentekenbewijs van dat voertuig te schorsen. Gelet op de mogelijkheid tot het schorsen van het kenteken dienen de omstandigheden waarom onmiddellijke reparatie en keuring van het voertuig niet mogelijk waren voor rekening van betrokkene te blijven. De boete is dus terecht opgelegd.
Tot slot wordt overwogen dat de door betrokkene aangevoerde financiële omstandigheden onvoldoende zijn onderbouwd, zodat er geen aanleiding is het bedrag van de opgelegde boete te matigen. De kantonrechter wijst de betrokkene erop dat hij voor het eventueel treffen van een betalingsregeling zich met een gemotiveerd verzoek kan wenden tot het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), dat belast is met de inning van de sanctie.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Met betrekking tot de dwangsom
Op grond van artikel 4:17 lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de eerste dag waarover een dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Voor de vraag of een dwangsom verschuldigd is wegens niet tijdig beslissen op een aanvraag, is bepalend wanneer de beschikking op de aanvraag is gegeven (vgl. ECLI:NL:HR:2018:86). Daaronder moet worden verstaan de bekendmaking van de beschikking (vgl. ECLI:NL:CRVB:2019:1522).
De gemachtigde heeft de officier van justitie op 18 maart 2021 in gebreke gesteld. De beslissing van de officier van justitie heeft als dagtekening 13 april 2021. De gemachtigde betwist dat de beslissing van de officier van justitie op 13 april 2021 is verzonden, omdat deze beslissing pas op 21 april 2021 is ontvangen en in het zaakoverzicht als datum actief ’21 april 2021’ staat wat volgens de gemachtigde impliceert dat de beslissing pas op 21 april 2021 is verzonden. Het ligt - gegeven het hierboven vermelde uitgangspunt - vervolgens op de weg van de officier van justitie om aannemelijk te maken dat de beslissing is verzonden op 13 april 2021. De verzendadministratie van deze brief ontbreekt, zodat de kantonrechter uitgaat van de stelling van gemachtigde van betrokkene dat de brief pas 21 april 2021 is verzonden.
Dat betekent dat de beslissing van de officier buiten de termijn van veertien dagen is gegeven. Er is dan ook een dwangsom verschuldigd. In artikel 4:17 van de Awb (in samenhang met artikel 7:14) is bepaald dat als een beslissing niet op tijd wordt genomen, het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd is voor elke dag dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag.
De hoogte van de verbeurde dwangsom over de periode van 18 dagen (de periode van 3 april 2021 tot 21 april 2021) bedraagt € 462,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2021.
De gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding. De betrokkene is niet in het gelijk gesteld als bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336. Anders dan waar het gaat om de vaststelling van de juiste proceskostenvergoeding indien een betrokkene in het gelijk is gesteld (vergelijk het arrest van het hof van 1 april 2021, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2021:1786) staat de juiste vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom naar het oordeel van het hof niet in zodanig verband tot het in het gelijk stellen van de betrokkene dat toekenning van een vergoeding daarvoor redelijk is. De kantonrechter oordeelt gelet op voorgaande dat het verzoek op de vergoeding van de proceskosten wordt afgewezen.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep tegen de beschikking waarbij de boete is opgelegd ongegrond;
‒ wijst het verzoek op vergoeding van de proceskosten af;
‒ stelt de hoogte van de dwangsom vast op € 462,00 en bepaalt dat de officier van justitie dit bedrag aan gemachtigde van betrokkene dient te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 462,00 vanaf 21 april tot aan de dag van algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.H. Lips, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: