Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2020-07-22
ECLI:NL:RBNHO:2020:6028
Civiel recht
Bodemzaak
2,727 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/290394 / HA ZA 19-424
Vonnis van 22 juli 2020
in de zaak van
vennootschap onder firma
FA. KWEKERIJ P. VAN DUIN,
gevestigd te Schagerbrug, gemeente Schagen,
eiseres,
advocaat: mr. I.N.A. Denninger te Haarlem,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
PROVINCIE NOORD-HOLLAND,
zetelend te Haarlem,
gedaagde,
advocaat: mr. J.A.C.M. Nielen te Haarlem.
Partijen zullen hierna Van Duin en de Provincie genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 15 april 2020 en de daarin genoemde stukken;
de akte uitlaten met producties 29 en 30 van de zijde van de Provincie.
1.2.
Van Duin heeft per B-16 formulier van 4 juni 2020 aan de griffie medegedeeld af te zien van het nemen van een antwoordakte, en vonnis gevraagd.
1.3.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
In het tussenvonnis van 15 april 2020 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank de Provincie in de gelegenheid gesteld te reageren op de ter comparitie door Van Duin ingenomen stelling over het verslag van bouwvergadering van 11 juni 2014, alsmede uiteen te zetten waarom het door het Hoogheemraadschap aangetroffen zoutgehalte te hoog was.
schending zorgvuldigheidsnorm - bouwvergadering van 11 juni 2014
2.2.
Van Duin heeft zich ter comparitie op het standpunt gesteld dat uit het verslag van de bouwvergadering van 11 juni 2014 blijkt dat tijdens die vergadering is besproken dat het Hoogheemraadschap een “te hoog” zoutgehalte had aangetroffen in een sloot, en dat zowel door de aannemer als door de Provincie de mogelijke oorzaak uitgezocht dient te worden en eventueel een oplossing dient te worden aangedragen. De datering van het verslag van de bouwvergadering is cruciaal, omdat deze bouwvergadering volgens Van Duin heeft plaatsgevonden op 11 juni 2014, derhalve voordat hij op 21 en/of 22 juni 2014 het water uit de beregeningssloot gebruikte voor de besproeiing van zijn gewassen en schade leed. Volgens Van Duin heeft de Provincie verzuimd de naburige agrariërs, die zichtbaar bezig waren met beregening, te waarschuwen voor de toen al bij haar bekende verzilting, wat volgens Van Duin op zichzelf al onrechtmatig is (zie 4.18 van het tussenvonnis).
2.3.
De Provincie heeft - samengevat - aangevoerd dat dit standpunt van Van Duin niet is gebaseerd op de integrale verslagen van de bouwvergaderingen, maar op een samenvatting van de behandeling van de zoutproblematiek in de bouwvergaderingen, die is opgesteld door een ondersteuner van het projectteam van de Provincie, en die Van Duin van de Provincie heeft verkregen middels een WOB-verzoek. De samensteller van de samenvatting heeft volgens de Provincie een vergissing gemaakt. De meting van het Hoogheemraadschap van een “te hoog” zoutgehalte is volgens de Provincie besproken in de bouwvergadering van 10 juli 2014 (derhalve nadat de schade van Van Duin had plaatsgevonden). Er heeft wel een bouwvergadering plaatsgevonden op 11 juni 2014, maar tijdens die vergadering is geen meting van het Hoogheemraadschap van een (te) hoog zoutgehalte aan de orde geweest. Deze vergissing in de samenvatting kan volgens de Provincie worden verklaard doordat op de eerste pagina van het verslag van de bouwvergadering van 10 juli 2014 weliswaar de juiste datum staat, maar dat bovenaan de overige pagina’s van het verslag van de vergadering van 10 juli 2014 ten onrechte de datum 11 juni 2014 (de datum van de vorige vergadering) is vermeld. De Provincie heeft haar stellingen onderbouwd met het overleggen van de integrale verslagen van de bouwvergaderingen van 11 juni 2014 en 10 juli 2014 waaruit een en ander blijkt. Van Duin heeft afgezien van een reactie op het voorgaande.
2.4.
Omdat Van Duin de met stukken onderbouwde toelichting van de Provincie niet heeft weersproken, zal de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaan. De feitenvaststelling in nr. 2.10 van het tussenvonnis dient daarom aldus te worden gecorrigeerd, dat de geciteerde passage niet is opgenomen in het verslag van de bouwvergadering van 11 juni 2014, maar in het verslag van de bouwvergadering van 10 juli 2014. Dat betekent dat in deze procedure niet is komen vast te staan dat de Provincie tijdens de bouwvergadering van 11 juni 2014 ermee bekend is geworden dat sprake was van een “te hoog” zoutgehalte in een sloot.
2.5.
Dat de Provincie op een ander moment vóór 21 juni 2014 bekend is geworden met de (te) hoge zoutwaarden in de beregeningssloot is voorts niet gesteld of gebleken. Bij deze stand van zaken kan het beroep van Van Duin op het Kelderluik-arrest (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079) en het Jetblast-arrest (HR 28 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4224) niet slagen. Die arresten zien immers op het geval waarin iemand een situatie in het leven roept of laat voortbestaan, die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, en geven antwoord op de vraag of aan diegene de eis kan worden gesteld dat hij met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt. Hieraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat diegene ermee bekend is dat sprake is van een (potentieel) gevaarlijke situatie, terwijl daarvan in het onderhavige geval aan de zijde van de Provincie geen sprake is. Ook gelet op hetgeen in het tussenvonnis is overwogen over de gestelde schending van een zorgvuldigheidsnorm door de Provincie, is immers niet komen vast te staan dat de Provincie voorafgaand aan 21 juni 2014 wist of moest weten dat sprake was van een (te) hoog zoutgehalte in het slootwater, of een (verhoogde) kans daarop.
2.6.
Voor zover uit het overgelegde verslag van de bouwvergadering van 10 juli 2014 blijkt dat de Provincie op die datum wel bekend was met een te hoog zoutgehalte in de beregeningssloot (dat wil zeggen: een voor agrariërs gevaarlijk hoog zoutgehalte), hetgeen de Provincie overigens weerspreekt, leidt dit niet tot het oordeel dat de Provincie onzorgvuldig heeft gehandeld door Van Duin niet te waarschuwen. Op dat moment (10 juli 2014) had de schade bij Van Duin zich reeds voorgedaan (op 21/22 juni 2014) en was de schade ook al door Van Duin geconstateerd (op 23 juni 2014), zodat een waarschuwing van de Provincie aan Van Duin zinloos zou zijn geweest.
2.7.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het betoog van Van Duin dat de Provincie onrechtmatig heeft gehandeld door Van Duin en andere naburige agrariërs, die zichtbaar bezig waren met beregening, niet te waarschuwen voor bij haar bekende verzilting in de sloot, niet kan worden gevolgd.
2.8.
Gelet op hetgeen in het voorgaande en in het tussenvonnis is overwogen, is in deze procedure onvoldoende gebleken dat de Provincie een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden. Nu Van Duin - behalve de reeds in het tussenvonnis besproken argumenten - geen andere gronden aan zijn betoog ten grondslag heeft gelegd, leidt dit tot de conclusie dat de Provincie niet onrechtmatig heeft gehandeld, zodat aan het eerste vereiste voor vestiging van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW niet is voldaan. Aan de vraag of aan de overige vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan, bijvoorbeeld of sprake is van een causaal verband tussen het handelen van de Provincie en de schade van Van Duin, wordt daarom niet toegekomen.
beroep op rechtmatige overheidsdaad (egalité beginsel)
2.9.
Subsidiair heeft Van Duin een beroep gedaan op aansprakelijkheid van de Provincie wegens een rechtmatige overheidsdaad, op grond van het beginsel van de égalité devant les charges publiques. Volgens Van Duin dient de Provincie de schade van Van Duin te vergoeden, omdat de uitvoering van het project het algemeen belang diende en Van Duin disproportioneel is geschaad.
2.10.
Vooropgesteld wordt dat slechts in uitzonderingsgevallen plaats is voor aansprakelijkheid voor schade aan een ander toegebracht door een rechtmatige daad.
Conclusie
2.12.
Nu geen van de Van Duin aangevoerde grondslagen voor de aansprakelijkheid van de Provincie slaagt, zal de vordering van Van Duin worden afgewezen.
2.13.
Van Duin zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Provincie worden begroot op:
- griffierecht € 4.030,00
- salaris advocaat € 3.414,00 (2 punten × tarief € 1.707,00)
Totaal € 7.444,00
Bij de begroting van het salaris van de advocaat van de Provincie wordt geen rekening gehouden met de akte van de Provincie na het tussenvonnis, nu deze extra schriftelijke ronde zijn oorzaak vindt in het feit dat in de door de Provincie gemaakte samenvatting van de verslagen van de bouwvergadering een vergissing is gemaakt door een onjuiste datum te vermelden, zodat die kosten voor rekening van de Provincie behoren te blijven.
2.14.
De gevorderde nakosten zullen worden begroot conform het daarop toepasselijke liquidatietarief. De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
Dictum
De rechtbank
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt Van Duin in de proceskosten, aan de zijde van Provincie tot op heden begroot op € 7.444,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
3.3.
veroordeelt Van Duin in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Van Duin niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;
3.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2020.