Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2020-05-06
ECLI:NL:RBNHO:2020:5029
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,717 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 19 / 197
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2020 in de zaak tussen
1. [eiser]te [woonplaats 1] , eiser
2. [eiseres]te [woonplaats 2] , eiseres
tezamen: eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen, verweerder
(gemachtigde: W. Dooijes en mr. R.A.J. de Jong).
Besluit
Bij besluit van 24 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen (vermeend) illegaal bouwen in en gebruik van de achtertuin van de woning aan de [adres 1] in Santpoort-Noord, afgewezen.
Eisers hebben bezwaar gemaakt.
Eisers hebben op 16 januari 2019 beroep ingesteld vanwege het niet tijdig nemen van een beslissing op hun bezwaar.
Bij besluit van 29 januari 2019, verzonden 5 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2020. Eisers zijn in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Het onderzoek ter zitting is geschorst, waarna het vooronderzoek is hervat. Bij brief van 26 maart 2020 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat zij het niet nodig acht opnieuw een zitting te houden, tenzij partijen dat wensen. Aangezien partijen niet binnen vier weken op deze brief hebben gereageerd, is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.1
Op het adres [adres 1] in Santpoort-Noord (het perceel) is [tuincentrum] ( [tuincentrum] ) gevestigd. De activiteiten van [tuincentrum] vinden plaats in de achtertuin van dit perceel. Op het perceel is het bestemmingsplan Santpoort-Noord van toepassing. Eisers wonen op de [adres 2] in Santpoort-Noord. De achtertuin van eisers en de achtertuin van het perceel maken onderdeel uit van een door verschillende woningen met achtertuinen omsloten terrein.
1.2
Op 8 mei 2018 en 14 mei 2018 hebben eisers een verzoek ingediend om handhavend op te treden tegen illegaal bouwen, overlast en gebruik van de achtertuin van het perceel.
1.3
Verweerder heeft de bevoegdheid om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast/milieuaspecten gemandateerd aan de Omgevingsdienst IJmond. De Omgevingsdienst IJmond heeft het handhavingsverzoek voor zover het geluidsoverlast betrof afgewezen en het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Het beroep van eisers daartegen is aanhangig bij deze rechtbank onder zaaknummer HAA 19 / 217. Dat beroep is tegelijkertijd met onderhavig beroep behandeld op de zitting van 20 februari 2020.
Beroep niet tijdig
2. In zowel onderhavige zaak, als in de zaak HAA 19 / 217 hebben eisers aanspraak gemaakt op betaling van een dwangsom en beroep ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het door hen gemaakte bezwaar. Voor het verschuldigd zijn van een dwangsom en het ontvankelijk zijn van een beroep niet tijdig is vereist dat verweerder van eisers een ingebrekestelling heeft ontvangen (artikel 4:17 en 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Eisers stellen verweerder bij twee afzonderlijke brieven van 12 december 2018 in gebreke te hebben gesteld. Eén brief is rechtstreeks aan verweerder verstuurd en de andere brief is aan de Omgevingsdienst IJmond verstuurd, ter attentie van verweerder. Verweerder stelt hij alleen de aan hem verstuurde brief heeft ontvangen. Eisers hebben dit niet weersproken. Dit betekent dat er vanuit gegaan moet worden dat verweerder slechts één ingebrekestelling heeft ontvangen. Verweerder heeft eenmaal een dwangsom van € 1.120,- aan eisers toegekend bij dwangsombeschikking van 8 februari 2019. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de dwangsombeschikking betrekking heeft op zaak HAA 19 / 217. Eisers hebben dit evenmin weersproken. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de ingebrekestelling en de dwangsombeschikking betrekking hebben op zaak HAA 19 / 217. De rechtbank gaat er voorts van uit dat verweerder geen ingebrekestelling in de onderhavige zaak heeft ontvangen. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar in de onderhavige zaak niet-ontvankelijk verklaren.
Handhaving
3.1
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep mede betrekking op het bestreden besluit.
3.2
Eisers zijn het niet eens met de weigering van verweerder om handhavend op te treden.
3.3
Verweerder kan op grond van artikel 125 Gemeentewet in samenhang met titel 5.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) handhavend optreden wanneer sprake is van een overtreding.
3.4
Op grond van artikel 5:1, eerste lid, van de Awb wordt onder overtreding verstaan: ‘een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens een wettelijk voorschrift’.
4.1
Eisers voeren aan dat het gebruik van het perceel door [tuincentrum] in strijd is met het bestemmingsplan, en dat daarvoor in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geen omgevingsvergunning is gevraagd. Het perceel heeft volgens eisers de bestemming ‘Wonen’, en niet ‘Centrum-2’. Eisers verwijzen daarvoor naar de globale functiekaart (afbeelding 3.1.1.) in de toelichting bij het bestemmingsplan. Eisers zijn van mening dat het feit dat het perceel in de verbeelding bij het bestemmingsplan de bestemming ‘Centrum-2’ heeft, dat niet anders maakt. Alle andere rondom gelegen percelen hebben op de verbeelding de bestemming ‘Wonen’. Op grond van artikel 15 en 23 van het bestemmingsplan is bij de bestemming ‘Wonen’ detailhandel en/of terras niet toegestaan.
4.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van illegaal gebruik. Het perceel heeft de bestemming ‘Centrum – 2’ . Dit blijkt uit de bij het bestemmingplan behorende verbeelding. De verbeelding en de bestemmingsplanregels zijn bindend. De toelichting waar eisers naar verwijzen niet. De andere rondom gelegen percelen hebben een andere bestemming (‘Wonen’), maar dat wijzigt de bestemming van het perceel niet. De buiteninspecteurs hebben tijdens hun controles geconstateerd dat [tuincentrum] planten en aanverwanten verkoopt, die staan uitgestald op tafels in (de toegangspoort van) de achtertuin van het perceel. Deze verkoop valt onder de definitie van het begrip detailhandel in artikel 1.47 van het bestemmingplan. Op grond van artikel 6 van het bestemmingsplan is detailhandel op het perceel toegestaan.
4.3
Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende regels bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of sprake is van strijd met het bestemmingsplan. De toelichting is niet bindend, en heeft slechts betekenis wanneer de bestemming en de bijbehorende voorschriften waaraan moet worden getoetst op zichzelf, noch in samenhang duidelijk zijn. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:791 en van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:682. Dit betekent dat uitgegaan moet worden van de bestemming die staat vermeld op de verbeelding (‘Centrum-2’) en dat het door de buiteninspecteurs aangetroffen gebruik voor detailhandel is toegestaan (artikel 6.1 van het bestemmingsplan). Dat de andere omliggende percelen een andere bestemming hebben (‘Wonen’), doet daaraan niet af. Een eventuele andere vermelding van een bestemming op de globale functiekaart is niet van belang. De beroepsgrond slaagt niet.
5.1
Eisers voeren aan dat de exploitatie van [tuincentrum] een opstapje is om een terras ten behoeve van het horecabedrijf [naam] ( [adres 3] in Santpoort-Noord) op het perceel te realiseren, of om daar evenementen te laten plaatsvinden. Eisers zijn dit van mening omdat de achtertuin van het perceel enkele jaren illegaal door [naam] als horecaterras is gebruikt. Eisers zijn dit verder van mening omdat de Hoofdstraat en de nabijgelegen Terrasweg in het bestemmingsplan de aanduiding ‘evenemententerrein’ hebben.
5.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat er verschillende controles zijn uitgevoerd en een extra controle in de Santpoortse feestweek. Er zijn tijdens deze controles geen terras en ook geen andere overtredingen aangetroffen.
5.3
Gezien gestelde in overweging 3.3 en het feit dat er geen overtredingen zijn geconstateerd, was verweerder niet bevoegd om handhavend op te treden. Het enkele feit dat in het verleden een illegaal terras in de achtertuin op het perceel is geëxploiteerd en de vrees van eisers voor mogelijke nieuwe overtredingen, maakt dat niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
6.1
Eisers voeren aan dat verweerder zijn onderzoeksplicht heeft geschonden. Eisers zijn van mening dat verweerder in aanvulling op de uitgevoerde controles nader onderzoek had moeten verrichten naar de activiteiten op het perceel door het opvragen van het bedrijfsplan.
6.2
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat hij heeft kunnen volstaan met de uitgevoerde controles en de van betrokkenen verkregen informatie. Tijdens deze controles zijn geen overtredingen geconstateerd.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, in aanwezigheid van mr. L. Smit, griffier.
De uitspraak is gedaan op 6 mei 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.