Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2019-09-17
ECLI:NL:RBNHO:2019:11463
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,508 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 19/3333
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
Stichting Flora & Faunabescherming, te Weesp, verzoekster
en
Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Sassen en mr. H.A. Schoordijk).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: GEM Bloemendalerpolder C.V., te Amsterdam, gemachtigde: mr. J.C. Ellerman.
Procesverloop
Bij besluit van 31 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij (hierna: GEM) ten aanzien van een aantal diersoorten ontheffing verleend van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor een viertal locaties in de Bloemendalerpolder en voorschrift 13 van de reeds verleende ontheffing van de Wnb van 1 november 2017 gewijzigd.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2019. Verzoekster is vertegenwoordigd door [naam 1] ( [functie ] ) en [naam 2] ( [functie ] ), vergezeld van [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij is vertegenwoordigd door [naam 4] ( [functie ] ), bijgestaan door de gemachtigde.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen als dat gezien de betrokken belangen met spoed nodig is. Voor het treffen van een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarfase, zoals hier aan de orde, in beginsel alleen aanleiding als het primaire besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging in bezwaar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand zal kunnen blijven. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Bij de hiernavolgende beoordeling neemt de voorzieningenrechter als vaststaand aan dat verzoekster in het kader van deze procedure als belanghebbende kan worden aangemerkt. Ook is sprake van een spoedeisende belang.
2.1
Met het primaire besluit (hierna: de veegontheffing) is op grond van artikel 3.8, eerste lid, artikel 3.10, tweede lid en artikel 3.34, derde lid, van de Wnb ten behoeve van de locaties:
1) gemeentewerf (locatie 1 op de kaart behorende bij de veegontheffing)
2) stadspark (locatie 5 op de kaart behorende bij de veegontheffing)
3) het tracé van de ontsluitingsweg inclusief transitiestrook (locatie 8 op de kaart behorende bij de veegontheffing)
4) de transitiestrook voor de woningbouw (locatie 9 op de kaart behorende bij de veegontheffing)
ontheffing verleend van:
- artikel 3.5, eerste lid, van de Wnb voor zover het betreft het opzettelijk vangen van de heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren;
- artikel 3.5, eerste lid, van de Wnb voor zover het betreft het doden van de platte schijfhoren;
- artikel 3.5, tweede lid, van de Wnb voor zover het betreft het opzettelijk verstoren van de heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren;
- artikel 3.5, derde lid, van de Wnb voor zover het betreft het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van de platte schijfhoren;
- artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb voor zover het betreft het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren;
- artikel 3.6, tweede lid, van de Wnb voor zover het betreft het onder zich hebben en vervoeren van exemplaren van de heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren;
- artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb voor zover het betreft het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de ringslang, wezel en hermelijn;
- artikel 3.34, eerste lid, van de Wnb voor het uitzetten van de heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren.
De veegontheffing betreft een aanvullende ontheffing op de door verweerder aan de GEM verleende ontheffing van 1 november 2017 voor het project ‘Bloemendalerpolder’ (hierna: de totaalontheffing). Verweerder heeft alle bepalingen, voorschriften en beperkingen verbonden aan de totaalontheffing integraal van toepassing verklaard op de vier hiervoor genoemde locaties.
Voorts heeft verweerder bij de veegontheffing voorschrift 13 van de totaalontheffing gewijzigd, zodat die thans luidt:
13. Bij de aanleg of aanpassing van wegen en watergangen in het compensatiegebied mag het daarvoor benodigde werkgebied niet breder zijn dan:
a. de totale breedte van de wet inclusief de wegberm, aan beide zijden vermeerderd met een werkstrook en een strook waarin faunaschermen worden geplaatst;
b. de totale breedte van de watergang inclusief oever, aan beide zijden vermeerderd met een werkstrook en een strook waarin faunaschermen worden geplaatst.
2.2
Met de totaalontheffing van 1 november 2017 heeft verweerder aan GEM op grond van artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb ontheffing verleend van:
- artikel 3.5, eerste lid, van de Wnb voor zover het betreft het vangen van de heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren;
- artikel 3.5, eerste lid, van de Wnb voor zover het betreft het doden van de platte schijfhoren;
- artikel 3.5, tweede lid, van de Wnb voor zover het betreft het opzettelijk verstoren van de buizerd, havik, ransuil, heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren;
- artikel 3.5, derde lid, van de Wnb voor zover het betreft het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van de platte schijfhoren;
- artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb voor zover het betreft het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren;
- artikel 3.6, tweede lid, van de Wnb voor zover het betreft het onder zich hebben en vervoeren van exemplaren van de heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren;
- artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb voor zover het betreft het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de ringslang, wezel en hermelijn;
op grond van artikel 3.34, derde lid, van de Wnb ontheffing verleend van:
- artikel 3.34, eerste lid, van de Wnb voor het uitzetten van de heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren;
op grond van artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb geen ontheffing verleend van:
- artikel 3.1, vierde lid, van de Wnb voor zover het betreft het opzettelijk storen van de buizerd, havik en ransuil;
- artikel 3.5, derde lid, van de Wnb, voor zover het betreft het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van de heikikker en de rugstreeppad;
- artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb voor zover het betreft het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de bunzing en de molmuis.
De totaalontheffing is verleend voor de realisatie van 2.750 woningen met bijbehorende voorzieningen en de aanleg van een ontsluitingsweg (hierna ook: het project “Bloemendalerpolder”) en ziet op de gronden die, op de bij het besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, zijn gelegen in het aangegeven oranje vlak en op de eveneens in oranje aangegeven ontsluitingsweg en watergangen.
2.3
Verzoekster heeft ook tegen de totaalontheffing geprocedeerd. Bij uitspraak van 16 juli 2018 heeft deze rechtbank het door verzoekster ingestelde beroep ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBNHO:2018:60128). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft vervolgens bij uitspraak van 8 mei 2019 deze uitspraak bevestigd (ECLI:NL:RVSL:2019:1491). Daarmee is de totaalontheffing van 1 november 2017 onherroepelijk geworden en deze moet in het kader van deze procedure als een vaststaand gegeven worden beschouwd. De voorzieningenrechter stelt in dit kader voorop dat, indien en voor zover de door verzoekster in deze procedure naar voren gebrachte bezwaren zien op aspecten die de totaalontheffing betreffen, deze buiten de reikwijdte van deze procedure vallen. Dat geldt ook voor zover verzoekster zich op het standpunt heeft willen stellen dat GEM zich niet houdt aan de aan de totaalontheffing verbonden voorschriften. Een en ander is - gelijk door verweerder terecht is opgemerkt - een handhavingskwestie en dit moet in het kader van deze procedure buiten inhoudelijke beoordeling blijven.
2.4
Vast staat verder dat de onderhavige veegontheffing is aangevraagd met het oog op werkzaamheden op een viertal specifieke locaties welke niet worden bestreken door de totaalontheffing. Zoals ook hiervoor reeds is overwogen heeft GEM verzocht om de totaalontheffing integraal van toepassing te verklaren op de bij de aanvraag nader genoemde aanvullende locaties. Dit is ook gebeurd.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
17 september 2019.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.