Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2018-06-28
ECLI:NL:RBNHO:2018:6358
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,597 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 17/4782
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2018 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats 1] , eiseres,
(gemachtigde: mr. T. van der Weijde),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen, verweerder,
(gemachtigden: mr. A. Brouwer en W. Dooijes).
Procesverloop
Bij besluit van 11 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres gelast diverse overtredingen op het perceel [perceel nummer] te [plaats 2] binnen zes maanden te beëindigen en beëindigd te houden.
Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 28 juni 2017 heeft verweerder de begunstigingstermijn met drie maanden verlengd.
Bij besluit van 12 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder:
- bepaald dat indien de erfafscheiding voor afloop van de begunstigingstermijn is verlaagd tot 1 meter de bijbehorende last onder dwangsom van rechtswege is vervallen;
- bepaald dat indien voor afloop van de begunstigingstermijn een ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag voor het dagverblijf in verkleinde vorm is ingediend de bijbehorende last onder dwangsom van rechtswege is vervallen;
- het primaire besluit voor het overige in stand gelaten.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij brief aan de rechtbank van 15 november 2017 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de uitspraak op het beroep.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank partijen datum en tijdstip van de mondelinge uitspraak in deze zaak aangezegd.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het primaire besluit voor zover daarbij de lasten onder dwangsom met betrekking tot het stalcomplex en het dagverblijf zijn opgelegd;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit voor zover daarbij de lasten onder dwangsom met betrekking tot het stalcomplex en het dagverblijf zijn gehandhaafd;
draagt verweerder op opnieuw te beslissen op bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
treft de voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot zes weken na de nieuwe beslissing op bezwaar;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiseres te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.004,-.
Overwegingen
1. Eiseres is eigenaar van het perceel [perceel nummer] te [plaats 2] . De bij het primaire besluit opgelegde lasten onder dwangsom strekken tot het verwijderen en verwijderd houden van een erfafscheiding, het hek van de paardenbak, een schuilhok, een mesthok, een stalcomplex en een dagverblijf.
2.1.
Op deze gronden rust ingevolge het geldende bestemmingsplan 'De Biezen' de bestemming 'Recreatie - 1'.
Ingevolge artikel 11.1 van de planregels zijn de voor 'Recreatie - 1' aangewezen gronden bestemd voor:
a. a. een volkstuincomplex met een daarbij behorend verenigingsgebouw, dagverblijven en plantenkassen;
(…(…)
Ingevolge 11.2.2 van de planregels gelden voor het bouwen op de gronden ten behoeve van de bestemming de volgende bouwregels:
d. d. per tuin van minimaal 200 m2 mag maximaal 1 dagverblijf en 1 plantenkas worden opgericht;
e. e. de maximale bouwhoogte van een dagverblijf of plantenkas is 3,5 m;
f. f. de maximale goothoogte van een dagverblijf of plantenkas is 3,0 m;
g. g. de maximum oppervlakte van een dagverblijf is 16,0 m2;
h. h. de maximum oppervlakte van een plantenkas is 18,0 m2.
Ingevolge artikel 11.2.3 van de regels gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende bouwregels:
i. i. i. op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend vergunningsvrije bouwwerken worden gebouwd;
j. j. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen binnen het bouwvlak is 2,0 m;
k. k. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen buiten het bouwvlak is 1,0 m.
Ingevolge artikel 34.1 aanhef en onder a en b, van de planregels (Overgangsrecht bouwwerken) mag een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot
a. a. a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
b. b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
Ingevolge artikel 34.1.2 van de planregels is het eerste lid niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
2.2.
Van 1995 tot 7 mei 2014 gold ter plaatse het bestemmingsplan 'De Biezen 1994'.
Ingevolge artikel 19 onder I van de planvoorschriften van dat bestemmingsplan (Overgangsbepaling), voor zover hier van belang, mogen bouwwerken, welke op het moment van de ter inzagelegging van het ontwerp van dit plan aanwezig of in uitvoering zijn (…):a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
b. geheel of gedeeltelijk worden vernieuwd (…) indien de bouwwerken zijn verwoest door een calamiteit, mits (…).
Tussen partijen is niet in geschil dat de peildatum voor de toepassing van deze overgangsbepaling 25 oktober 1995 is.
3. Eiseres gebruikt het perceel voor het houden van paarden. Dit is in strijd met het bestemmingsplan, maar door verweerder is erkend dat het gebruik van het perceel voor het houden paarden wordt beschermd door het gebruiksovergangsrecht.
4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de bouwwerken op het perceel in strijd zijn met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en dat eiseres door het in stand laten van de bouwwerken zonder vergunning handelt in strijd met artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo.
5.1.
Eiseres betoogt dat de erfafscheiding vergunningvrij is op grond van het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder 12, aanhef en onder b, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).
5.2.
Artikel 2 aanhef en onder 12, aanhef en onder b van bijlage II bij het Bor luidt:
Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op: een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
b. niet hoger dan 2 m, en
1°. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat,
2°. achter de voorgevelrooilijn, en
3°. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
Artikel 5, tweede lid, van bijlage II bij het Bor luidt:
De artikelen 2 en 3 zijn niet van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in, aan, op of bij een bouwwerk dat in strijd met artikel 2.1 van de wet is gebouwd of wordt gebruikt.
5.3.
Nu voor geen van de op het perceel aanwezige bouwwerken bouwvergunningen/omgevingsvergunningen voor het bouwen zijn verleend, is de erfafscheiding niet functioneel verbonden met een legaal gebouwd bouwwerk. Dat betekent, gelet op genoemde bepalingen, dat de erfafscheiding niet vergunningvrij is. Het beroep op het bouwovergangsrecht - eiseres stelt dat het stalcomplex onder het overgangsrecht valt en daarom legaal is - kan eiseres in dit verband ook niet helpen, gelet op hetgeen hierna onder 7 wordt overwogen.
6. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de bouwwerken op het perceel van eiseres waarop de aanschrijving ziet geen bouwvergunningen/omgevingsvergunningen voor het bouwen zijn verleend. Voorts is niet in geschil dat deze bouwwerken in strijd zijn met de bouwregels van het huidige bestemmingsplan.
7. Het beroep van eiseres op het bouwovergangsrecht staat er, anders dan eiseres betoogt, niet aan in de weg dat tegen de diverse bouwwerken op het perceel van eiseres handhavend kan worden opgetreden wegens het ontbreken van de daarvoor vereiste bouwvergunning/ omgevingsvergunning voor het bouwen. Het overgangsrecht verschaft immers voor deze bouwwerken geen omgevingsvergunning vervangende titel en de bouwwerken worden daardoor evenmin anderszins gelegaliseerd. Een omgevingsvergunning blijft dus vereist. Dit is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraken van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:262 en 31 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1423.
8.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder niet handhavend kan optreden tegen de aanwezigheid van de bouwwerken op perceel [nummer] omdat eiseres dit perceel voor 1 april 2007 heeft aangekocht en de bebouwing daar toen al aanwezig was. Zij verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:
BL7766).
8.2.
Zoals de Afdeling vaker heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1380 en 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1987) verzet de rechtszekerheid zich er in beginsel tegen dat verweerder handhavend optreedt wegens overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo in gevallen waarin de huidige eigenaar niet zelf bouwwerken zonder of in afwijking van een bouwvergunning heeft gebouwd, maar het gebouwde voor 1 april 2007 heeft verworven en aldus in stand laat. Dit is alleen anders indien de huidige eigenaar ten tijde van de verkrijging concrete aanwijzingen had dat zonder of in afwijking van een bouwvergunning was gebouwd.
8.3.
Het is dus relevant of eiseres de opstallen en andere bouwwerken heeft gebouwd of dat die er al stonden toen zij het perceel in 1991 kocht.
Conclusie
17. Het beroep is gegrond. De rechtsoordelen in 8.10 en 12.2 in combinatie bezien leiden ertoe dat het bestreden besluit in zijn geheel wordt vernietigd. De rechtbank voorziet ten dele zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen voor zover daarbij de lasten onder dwangsom met betrekking tot het stalcomplex en het dagverblijf zijn opgelegd en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Dat betekent dat het handhavingsbesluit ten aanzien van het stalcomplex en het dagverblijf van de baan is. Voor het overige geldt dat verweerder opnieuw op het bezwaar moet beslissen. Verder treft de rechtbank de in 12.4 genoemde voorlopige voorziening.
18. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.004,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar) met een waarde per punt van € 501,-- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Overwegingen
In dat laatste geval verzet de rechtszekerheid zich immers tegen handhaving.
8.4.
Het ligt het op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat eiseres overtreder is van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo en de daartoe vereiste feiten te stellen. Het is vervolgens aan eiseres om die feiten, indien daartoe aanleiding bestaat, te weerleggen of nader te verklaren, bij gebreke waarvan de rechter in beginsel van de juistheid van de feiten, zoals verweerder die heeft vastgesteld, dient uit te gaan. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1987).
8.5.
Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder in beginsel als uitgangspunt nemen dat bouwwerken die aanwezig zijn op percelen die al geruime tijd, in dit geval al sinds 1991, bij de eigenaar in eigendom zijn ook door de eigenaar zijn gebouwd. Dit is anders wanneer de eigenaar concreet weerspreekt dat hij één of meer van de betreffende bouwwerken zelf heeft gebouwd, maar heeft 'overgenomen' van de vorige eigenaar. In dat geval ligt het op de weg van verweerder feiten te stellen die aannemelijk maken dat de huidige eigenaar de bouwwerken zelf heeft gebouwd.
8.6.
Ter zitting heeft eiseres verklaard dat het stalcomplex en het dagverblijf er al stonden toen zij het perceel in 1991 kocht. Daarmee heeft zij concreet weersproken
dat het stalcomplex en het dagverblijf door haar zijn gebouwd.
8.7.
Verweerder stelt dat de opstallen op perceel [nummer] door eiseres zijn gebouwd. Verweerder verwijst ter onderbouwing van die stelling in de eerste plaats naar de in het inspectierapport van 12 mei 2016 weergegeven verklaring van eiseres dat zij alle bebouwing op het perceel zelf heeft opgericht. Eiseres heeft ter zitting echter verklaard dat haar verklaring niet juist is weergeven in het inspectierapport en dat zij steeds heeft gezegd dat het stalcomplex en het dagverblijf er al stonden toen zij het perceel in eigendom kreeg. Hetgeen door eiseres in de door haar ingediende zienswijze en in bezwaar is aangevoerd is hiermee in lijn. Verder heeft eiseres aan de hand van door haar in bezwaar overgelegde foto's aannemelijk gemaakt dat de stal er in ieder geval in 1992/1993 al stond.
Verweerder heeft er verder in dit verband eerst ter zitting op gewezen dat uit luchtfoto's lijkt te volgen dat het dagverblijf is vergroot, zodat aangenomen moet worden dat eiseres het dagverblijf heeft vervangen. Eiseres heeft hierover verklaard en met foto's geïllustreerd dat zij het dagverblijf niet heeft vernieuwd, maar alleen het dak heeft vervangen door een groter, overstekend dak.
8.8.
Naar het oordeel van de rechtbank moet het vervangen van het dak worden aangemerkt als gedeeltelijke vernieuwing, waartoe eiseres op grond van het bouwovergangsrecht gerechtigd was. Van nieuwbouw door eiseres is derhalve geen sprake. Nu verweerder verder geen aanvullende feiten heeft gesteld die aannemelijk maken dat eiseres het stalcomplex en dagverblijf zelf heeft gebouwd, is de enkele - door eiseres gemotiveerd bestreden - weergave van haar verklaring in het inspectierapport onvoldoende. Dit geldt temeer gezien de overige aanvullende door eiseres verstrekte informatie. Verweerder heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat eiseres het stalcomplex en het dagverblijf heeft gebouwd. Er moet dan ook vanuit worden gegaan dat deze beide opstallen aanwezig waren toen eiseres het perceel in 1999 in eigendom verkreeg. Gesteld noch gebleken is dat eiseres ten tijde van de aankoop van de percelen concrete aanwijzingen had dat het stalcomplex en het dagverblijf zonder of in afwijking van een bouwvergunning waren gebouwd. Dat betekent dat overtreding van artikel 2.1, aanhef en onder a, van de Wabo niet is komen vast te staan en dat in dit geval de rechtszekerheid zich verzet tegen handhavend optreden ter zake van het stalcomplex en het dagverblijf wegens overtreding van artikel 2.3a, eerste lid van de Wabo.
8.9.
Het stalcomplex en het dagverblijf zijn gebouwd voor 1 oktober 2010. Nu het gebruiken in de zin van bouwen in strijd met regels van het bestemmingsplan eerst met de inwerkingtreding van artikel 2.1, eerst lid, aanhef en onder c, van de Wabo op 1 oktober 2010 verboden is geworden, is er geen sprake van overtreding van artikel 2.1. eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Voor zover verweerder aan de handhaving ten grondslag heeft gelegd dat voor wat betreft het bouwen in strijd met de bouwregels van het bestemmingsplan sprake is van overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo, geldt dat dit artikel geen betrekking heeft op het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. In zoverre is dus van overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo geen sprake. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS: 2015:1714.
8.10.
Gelet op het vorenstaande is het beroep in zoverre gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de lasten onder dwangsom tot het verwijderen en verwijderd houden van het stalcomplex en het dagverblijf zijn gehandhaafd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen voor zover daarbij de lasten onder dwangsom met betrekking tot het stalcomplex en het dagverblijf zijn opgelegd en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Dat betekent dat het handhavingsbesluit ten aanzien van het stalcomplex en het dagverblijf van de baan is.
9. Ten aanzien van de overige bouwwerken staat de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c en artikel 2.3a, eerste lid van de Wabo (in stand laten van zonder bouwvergunning/omgevingsvergunning voor het bouwen gebouwde bouwwerken) vast. Verweerder was dan ook bevoegd daartegen handhavend op te treden.
10. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Dit is vaste rechtspraak van de Afdeling.
11. In dit geval is er geen concreet zich op legalisatie, omdat verweerder niet bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen. Een besluit tot weigering gebruik te maken van deze bevoegdheid is als zodanig in deze procedure niet aan de orde, zodat de rechterlijke toetsing ter zake zeer terughoudend is. De rechtbank ziet in dit geval geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door verweerder ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste bestuurlijke medewerking niet zal kunnen worden geweigerd.
12.1.
Vervolgens ligt de vraag voor of handhavend optreden tegen de overige op het perceel aanwezige bebouwing in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat verweerder van dat optreden behoort af te zien. De rechtbank stelt vast dat indien eiseres wordt gedwongen alle overige bouwwerken te verwijderen, dit onmiskenbaar zeer ingrijpende gevolgen heeft. Zonder de voor het houden van paarden noodzakelijke opstallen is het immers feitelijk onmogelijk om het door het overgangsrecht beschermde gebruik voort te zetten. Elders op korte termijn een vergelijkbaar onderdak vinden is naar eiseres onweersproken heeft gesteld moeilijk en kostbaar.
Overwegingen
Naar het oordeel van de rechtbank is handhavend optreden met betrekking tot de overige bouwwerken in dit geval onevenredig ten opzichte van het belang van verweerder bij handhaving, voor zover daarbij ook handhavend wordt opgetreden tegen de bouwwerken die voor het door het overgangsrecht beschermde gebruik van het perceel noodzakelijk zijn. Verweerders belang bij handhaving wordt in dit geval immers beperkt door het feit dat zolang het gebruik van het perceel voor het houden van paarden wordt voortgezet, het bereiken van het met handhaving nagestreefde doel, namelijk de inrichting van het perceel in overeenstemming brengen met de geldende bestemming en planregels, niet in het verschiet ligt. Daarbij komt dat er geen derde is die om handhaving heeft verzocht.
12.2.
Gelet hierop kan het bestreden besluit voor zover dit betreft de handhaving van de lasten om de overige bouwwerken te verwijderen en verwijderd te houden niet in stand blijven. Het bestreden besluit zal ook in zoverre worden vernietigd.
12.3.
Verweerder dient opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en moet in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar bepalen welke opstallen ten behoeve van het toegestane gebruik als 'noodzakelijke opstallen' moeten worden beschouwd. Daarbij geeft de rechtbank verweerder mee dat zo op eerste gezicht toch ten minste een erfafscheiding nodig is.
12.4.
De rechtbank zal op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht een voorlopige voorziening treffen, inhoudende dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot 6 weken na de nieuw te nemen beslissing op bezwaar.
13. De rechtbank zal uit proceseconomische overwegingen en met het oog op een finale geschilbeslechting in het navolgende de overige beroepsgronden bespreken.
14. De rechtbank acht, anders dan eiseres betoogt, het bestreden besluit niet in strijd met het vertrouwensbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel. Dat, naar eiseres stelt, een gemeenteambtenaar sinds 1994 en de gemeente in ieder geval vanaf 2004 op de hoogte zijn van de illegale situatie op het volkstuincomplex, maakt niet dat verweerder tegen de in het geding zijnde overtredingen niet meer zou kunnen optreden. Hetgeen overigens nog in dit verband naar voren is gebracht, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
15. Naar het oordeel van de rechtbank is, anders dan eiseres betoogt, in dit geval geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Eiseres heeft in dit verband in de eerste plaats gewezen op een nabij haar perceel gelegen caravanstalling, die (ook) al lange tijd zijn gronden en bouwwerken gebruikt in strijd met de geldende bestemming en waarvoor in het huidige bestemmingsplan een uitsterfconstructie is opgenomen. Juist vanwege de omstandigheid dat voor de caravanstalling wel en voor eiseres niet een uitsterfconstructie is opgenomen in het bestemmingsplan is geen sprake van gelijke gevallen. De bestemmingsplanprocedure, waarin aan de orde had kunnen komen of er gronden zijn die maken dat ook ten behoeve van eiseres een uitsterfconstructie of andere regeling had moeten worden opgenomen, ligt hier niet ter beoordeling voor, zodat de rechtbank de beroepsgronden die daarop zien onbesproken laat.
Verder heeft eiseres gewezen op de nabijgelegen Volkstuinvereniging IJmond waar grotere huisjes staan waartegen verweerder niet optreedt. Namens verweerder is aangegeven dat op termijn ook handhavend zal worden opgetreden tegen illegale situaties bij Volkstuinvereniging IJmond. De rechtbank heeft geen grond om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen.
16. Het betoog van eiseres ten slotte dat de begunstigingstermijn te kort is en dat het voor haar niet mogelijk om aan de lasten te voldoen zonder een dwangsom te verbeuren, volgt de rechtbank niet. De in het primaire besluit neergelegde begunstigingstermijn van zes maanden acht de rechtbank voldoende lang om de handelingen en werkzaamheden te verrichten die nodig zijn om aan de lasten te voldoen, waarna verweerder hangende deze procedure de begunstigingstermijn nog tweemaal heeft verlengd en deze termijn gelet op de door de rechtbank getroffen voorlopige voorziening thans is verlengd tot 6 weken na de nieuw te nemen beslissing op bezwaar.
Ook acht de rechtbank het bedrag van de opgelegde dwangsommen, die zijn vastgesteld conform de specifiek voor dit handhavingstraject opgestelde ‘Aangepaste richtlijn hoogte dwangsommen project De Biezen [perceel nummer] ’, niet te hoog.