Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2018-02-05
ECLI:NL:RBNHO:2018:10297
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,672 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 16/5665
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2018 in de zaak tussen
[eiser]
, te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: ing. F. Zomers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder
(gemachtigde: mr. H.R. Nieman).
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 24 augustus 2016 heeft verweerder lasten onder dwangsom opgelegd ten aanzien van de percelen [perceel 1] en [perceel 2] en heeft verweerder het verzoek van eiser om handhavend op te treden ten aanzien van het perceel [perceel 3] afgewezen.
Daarnaast heeft verweerder bij brief van 24 augustus 2016 de zienswijzen van eiser ten aanzien van de vooraankondigingen van [perceel 3] en [perceel 2] beantwoord.
Bij besluit van 15 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Op het perceel [perceel 4] was een agrarisch bedrijf gelegen. De agrarische bedrijfsvoering is gestaakt en het perceel is kadastraal gesplitst in de percelen [perceel 4] , [perceel 5] , [perceel 1] , [perceel 3] en [perceel 2] . Eiser was ten tijde van het primaire besluit woonachtig aan de [adres 1] . Op 23 december 2016 is eiser als verkoper een overeenkomst van koop en verkoop aangegaan ten aanzien van het perceel [perceel 1] met opstallen. Op 25 juli 2017 is het verkochte geleverd. Eiser is inmiddels woonachtig op het adres [adres 2] .
2. Bij besluit van 24 augustus 2016 (kenmerk verweerder 16 UIT04412, hierna: het primaire besluit I) heeft verweerder eiser gelast om voor 29 december 2016 op het perceel [perceel 1] het bijgebouw (schuurtje/tuinhuis), hierna schuur, achter de grote loods te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 10.000,- ineens en het bouwwerk op het voorerf (het kippenhok) te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 10.000,- ineens.
Bij besluit van 24 augustus 2016 (kenmerk verweerder 16UIT04407, hierna: het primaire besluit II) heeft verweerder [naam 1] en [naam 2] gelast om voor 29 december 2016 op het perceel [perceel 2] het bijbehorende bouwwerk (de carport) te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 10.000,- ineens en de paardenbak te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 10.000,- ineens.
Bij besluit van 24 augustus 2016 (kenmerk verweerder 16UIT04895, hierna: het primaire besluit III) heeft verweerder eisers verzoek om handhavend op te treden tegen illegale bebouwing op het adres [perceel 3] afgewezen.
Bij brief van 24 augustus 2016 (kenmerk verweerder 16UIT05044, hierna: de brief) heeft verweerder de zienswijzen van eiser op de vooraankondiging van [perceel 3] en [perceel 2] beantwoord.
3. Bij brief van 28 augustus 2016 heeft eiser tegen voornoemde besluiten en de brief van 24 augustus 2016 bezwaar gemaakt.
4. In het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren gericht tegen de primaire besluiten I en III ongegrond verklaard.
Ten aanzien van het bezwaar gericht tegen het primaire besluit I heeft verweerder overwogen dat voor het oprichten van de schuur en het kippenhok geen omgevingsvergunning is verleend. Deze bouwwerken zijn niet vergunningsvrij nu het op het perceel maximaal te realiseren vergunningsvrij oppervlak reeds is overschreden. Daarnaast is het kippenhok op het voorerf geplaatst en is het niet toegestaan om vergunningsvrije bouwwerken te realiseren bij een bouwwerk dat illegaal wordt gebruikt. Er is geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel nu de bewoners van de [perceel 3] en [perceel 2] een persoonsgebonden ontheffing hebben gekregen die inmiddels onherroepelijk is.
Ten aanzien van het bezwaar gericht tegen het primaire besluit III heeft verweerder overwogen dat hij nog slechts bevoegd is om handhavend op te treden als er sprake is van een overtreding. De overtreding is evenwel naar aanleiding van de vooraankondiging beëindigd. Nu er geen bevoegdheid meer bestaat om handhavend op te treden heeft verweerder eisers verzoek om handhavend op te treden afgewezen.
Verweerder heeft de bezwaren tegen het primaire besluit II en de brief van 24 augustus 2017 met kenmerk 16UIT05044 niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat eiser geen belanghebbende is bij het primaire besluit II nu dit besluit niet tot hem is gericht. Ten aanzien van de brief stelt verweerder dat dit geen besluit is zodat het niet mogelijk is om daartegen bezwaar in te stellen.
5. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser voert aan niet te kunnen inzien waarom ten aanzien van het perceel [perceel 3] niet handhavend wordt opgetreden en ten aanzien van zijn perceel wel.
Eiser voert verder aan dat de stelling van verweerder dat sprake is van één bouwkavel onjuist is nu volgens het bestemmingplan “Landelijk Gebied Noord”, [perceel 4] een zelfstandig bouwperceel is waarop volgens dat plan zelfstandige bebouwing mogelijk is. Er is daarmee geen sprake van hetzelfde bouwperceel waarbij andere kadastrale percelen onderdeel zijn van het bouwperceel [perceel 4] .
Verder stelt eiser dat de wet geen mogelijkheid biedt waarbij bebouwing ten dienste staat van en ondergeschikt is aan een bijgebouw. Het besluit om handhavend op te treden is dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid onderbouwd. Wanneer het kippenhok en de schuur wel ondergeschikt zouden zijn aan de bestaande bebouwing op [perceel 1] dan betekent dit dat het bestaande gebouw op [perceel 1] een hoofdgebouw is.
Eiser stelt vervolgens dat de schuur en het kippenhok, anders dan verweerder stelt, niet op het voorerf staan. De voorgevel met daarin de voordeur van de woning [perceel 4] bevindt zich aan de zijde van de [straat] waar de weg loopt van west naar oost en van oost naar west. Het perceel [perceel 1] ligt volledig achter deze voorgevel, waardoor het hele perceel [perceel 1] achtererf is.
Eiser stelt dat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2748 een dwaling betreft, nu de Afdeling heeft miskend dat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden.
Ten slotte doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eiser stelt anders te worden behandeld dan de bewoners van de percelen [perceel 3] en [perceel 2] terwijl er sprake is van vergelijkbare situaties.
6. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser niet ziet op het bestreden besluit voor zover verweerder heeft besloten om het bezwaar van eiser gericht tegen de brief van 24 augustus 2016 niet-ontvankelijk te verklaren omdat dit geen besluit is zodat het niet mogelijk is om daartegen bezwaar in te stellen. De rechtbank zal zich hierover derhalve niet uitlaten.
7. De rechtbank stelt voorop dat eiser ten tijde van het indienen van het beroep belanghebbende was als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat hij destijds eigenaar van het perceel [perceel 1] was. Eiser is inmiddels evenwel verhuisd en heeft het perceel [adres 1] verkochten geleverd. De rechtbank ziet zich derhalve ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser thans nog procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep.
8. Volgens vaste rechtspraak is de bestuursrechter alleen tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen, indien het resultaat dat de indiener van het beroepschrift met het indienen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor betrokkene feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE9272). Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) processueel belang.
9. De rechtbank stelt vast dat eiser thans geen eigenaar meer is van het perceel [adres 1] . Daarenboven zijn de overtredingen op het perceel [perceel 1] ongedaan gemaakt en zijn door eiser geen dwangsommen verbeurd.
10. Desgevraagd heeft eiser ter zitting aangegeven dat hij schade heeft geleden door de besluitvorming van verweerder. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat mede door de opgelegde dwangsommen die zijn geregistreerd bij het Bureau Krediet Registratie hij geen hypotheek heeft kunnen krijgen voor de aanschaf van een nieuwe woning en hij ook problemen ondervindt bij het huren van een huis waardoor hij nu genoodzaakt is om in een te duur huurhuis te wonen.
Daarnaast heeft hij zich bij de levering van de onroerende zaak [adres 1] verplicht tot een inspanningsverplichting ten aanzien van de (lopende) procedures in relatie tot [perceel 1] .
11.
Dictum
Het beroep:
ten aanzien van [perceel 1] te [plaats] is ongegrond;
ten aanzien van [perceel 3] te [plaats] is niet-ontvankelijk;
ten aanzien van [perceel 2] te [plaats] is niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel - Kuneman, rechter, in aanwezigheid van mr. C. van Steenoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Overwegingen
Ten aanzien van het procesbelang inzake het bestreden besluit voor zover dit ziet op [adres 1] vindt de rechtbank het niet onaannemelijk dat eiser door de besluitvorming van verweerder schade heeft geleden. Daarnaast is ten aanzien van het perceel [perceel 1] in de akte van levering(en) een inspanningsverplichting opgenomen wat betreft de te voeren procedures met betrekking tot [perceel 1] .
De rechtbank is derhalve van oordeel dat er sprake is van procesbelang voor zover het bestreden besluit hierop betrekking heeft. Het beroep zal – voor zover dit hierop betrekking heeft – dan ook inhoudelijk worden behandeld.
12. Ten aanzien van het procesbelang inzake het bestreden besluit voor zover dit ziet op [perceel 3] en [perceel 2] is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij behandeling van zijn beroep. Daartoe wordt overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser schade heeft geleden door het niet handhavend optreden jegens de bewoners van de percelen [perceel 3] en [perceel 2] . Daarnaast heeft de in de akte van levering(en) opgenomen inspanningsverplichting geen betrekking op deze percelen . Voor zover het beroep betrekking heeft op voornoemde percelen wordt het beroep derhalve niet-ontvankelijk verklaard wegens het vervallen zijn van procesbelang. Het beroep zal in zoverre dan ook niet inhoudelijk worden beoordeeld.
13. De rechtbank ziet zich derhalve (slechts) voor de vraag gesteld of verweerder op goede gronden aan eiser twee lasten onder dwangsom heeft opgelegd teneinde de schuur achter de grote loods en het kippenhok op het voorerf te verwijderen en verwijderd te houden.
14. De rechtbank stelt daarbij voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:444), in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik zal moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
15. Vast staat, en tussen partijen is niet in geschil, dat de schuur en het kippenhok zonder omgevingsvergunning zijn gerealiseerd.
Schuur
16. Volgens het geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied Noord” (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel [perceel 1] , waarop de schuur zich bevindt, de bestemming “Wonen-2”(W-2).
17. In artikel 1, lid 43, van de planvoorschriften is bepaald dat onder gebouw wordt verstaan: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
Op grond van artikel 20, derde lid, aanhef, van de planregels mogen op gronden met de bestemming “Wonen-2” uitsluitend worden gebouwd:
a. hoofdgebouwen en aan- en uitbouwen;
b. bijgebouwen;
c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van paardenbakken, bouwwerken voor mestopslag, tredmolens en lichtmasten.
Op grond van artikel 20, vierde lid, aanhef, van de planregels, voor zover van belang, gelden voor het bouwen de aanduidingen op de plankaart en de volgende regels:
k. de gezamenlijke oppervlakte aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen, recreatiewoningen en
overkappingen mag niet meer bedragen dan 50 m², met dien verstande dat een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 25 m² van het gezamenlijke zij- en achtererf onbebouwd en onoverdekt dient te blijven;
l. in afwijking van het bepaalde onder sub k mag de maximale oppervlakte aan aan- en
uitbouwen, bijgebouwen, recreatiewoningen en overkappingen bij bouwpercelen met een
oppervlakte:
- tussen de 500 m² en 600 m² : ten hoogste 55 m² bedragen;
- tussen de 600 m² en 700 m² : ten hoogste 60 m² bedragen;
- tussen de 700 m² en 800 m² : ten hoogste 65 m² bedragen;
- tussen de 800 m² en 900 m² : ten hoogste 70 m² bedragen;
- vanaf 900 m² : ten hoogste 75 m² bedragen;
18. Op het perceel [perceel 1] is de maximale oppervlakte aan bouwwerken groter dan op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. De schuur is daarmee in strijd met het bestemmingsplan.
19.1
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de schuur vergunningsvrij kon worden opgericht.
19.2
In artikel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is bepaald dat onder bijbehorend bouwwerk wordt verstaan de uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
In artikel 2, aanhef en onder f ten derde, van bijlage II van het Bor is bepaald dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer bedraagt dan in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m².
20.1
Voor beantwoording van de vraag of sprake is van een vergunningsvrij bouwwerk is de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2748, van belang. Hierin was de zaak van eiser aan de orde, waarbij aan eiser een last onder dwangsom is opgelegd (onder andere) om de bewoning van de loods op het perceel [perceel 1] te staken en gestaakt te houden. In deze uitspraak heeft de Afdeling in rechtsoverweging 5.1 geoordeeld dat de percelen [perceel 4] , [perceel 5] , [perceel 1] , [perceel 3] en [perceel 2] een aaneengesloten stuk grond betreffen waarop krachtens het bestemmingsplan “Landelijk Gebied Noord” zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. De percelen vormen daarmee samen één bouwperceel in de zin van artikel 1, onder 27, van de planregels van het bestemmingsplan. Deze uitspraak is onherroepelijk en staat derhalve tussen partijen in rechte vast zodat ook de rechtbank van het oordeel van de Afdeling moet uitgaan.
20.2
In voornoemde uitspraak heeft de Afdeling verder geoordeeld dat gelet op het bepaalde in artikel 1, onder 24, van de planvoorschriften, waarin is bepaald dat een hoofdgebouw het belangrijkste gebouw op een bouwperceel is, slechts één gebouw op het bouwperceel het hoofdgebouw kan zijn. De voormalige boerderij op het perceel [perceel 4] wordt door de Afdeling door haar constructie en afmetingen als belangrijkste gebouw en daarmee als hoofdgebouw aangemerkt. Slechts bijgebouwen die functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindende hoofdgebouw zijn verbonden, kunnen als bijbehorende bouwwerk als bedoeld in artikel 1, van bijlage II van Bor worden aangemerkt.
In 1965 is een bouwvergunning ingevolge de Woningwet verleend voor een kippenschuur, dit betreft de loods op het perceel [perceel 1] . Een kippenschuur staat naar zijn aard ten dienste van een bijbehorende boerderij. De loods is derhalve opgericht als gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en is, nu aan de overige vereisten van artikel 1, onder 24, wordt voldaan, te beschouwen als bijgebouw. De omstandigheid dat nadien het gebruik van de loods is gewijzigd, maakt niet dat de loods planologisch niet langer als bijgebouw moet worden aangemerkt. De omstandigheid dat aan de loods een huisnummer is toegekend, doet aan het zijn van een bijgebouw evenmin af.
21. Eiser stelt zich op het standpunt dat voornoemd oordeel van de Afdeling onjuist is.