Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2017-12-12
ECLI:NL:RBNHO:2017:11703
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 16/4732 en 16/5325 uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2017 in de zaken tussen [eiser] , handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de Stichting [naam 1] , te Zaandam, eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder (gemachtigde: mr. C.E. Houtkooper). Procesverloop Bij besluit van 16 november 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder een drietal subsidies van eiser over het jaar 2013 definitief vastgesteld op respectievelijk € 3.811,40, € 1.951.628,- en € 72.000,-. Bij besluit van 13 april 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder een tweetal subsidies van eiser over het jaar 2014 definitief vastgesteld op respectievelijk € 237.422,82 en € 41.177,29. Bij besluit van 15 september 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I ten aanzien van subsidie 2 gegrond verklaard en het primaire besluit I ten aanzien van die subsidie gewijzigd, in die zin dat subsidie 2 is vastgesteld op € 2.089.264,43. Voort het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 20 oktober 2016 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van mr. S. Toxopeus en K. Contino. Overwegingen 1.1 Aan de per 3 juni 2014 gefailleerde welzijnsorganisatie Stichting [naam 1] (hierna: de stichting), waarvoor eiser als curator optreedt, is over het jaar 2013 een drietal subsidies verleend door verweerder ter hoogte van respectievelijk € 14.140,- voor de activiteit ‘Zwarte Tulp / Alle Troeven in Handen’ (subsidie 1), een bedrag van € 3.252.713,- voor ondersteuning van vrijwilligers, levensloopbestendige wijken, kinderen en jongeren, zinvolle dagbesteding en kwetsbare inwoners (subsidie 2) en € 90.000,- voor het ‘Sociaal programma Assendelft’ (subsidie 3). 1.2 Voor het jaar 2014 is aan de stichting een subsidie verleend ter hoogte van € 2.279.259,98,- voor de activiteit ‘Sociale wijkteams, pilot sociaal wijkteam en stedelijke activiteiten’ (subsidie 4). Voorts is voor de periode 1 januari tot en met 30 juni 2014 een subsidie verleend ter hoogte van € 197.651,- voor de openstelling en het beheer van een drietal buurthuizen (subsidie 5). 1.3 Met het primaire besluit I heeft verweerder de drie subsidies over 2013 definitief vastgesteld, te weten op € 3.811,40 (subsidie 1), € 1.951.628,- (subsidie 2) en € 72.000,- (subsidie 3). Als gevolg van een lagere vaststelling van de subsidies ontstaat een terugvordering van in totaal € 1.166.070,95. Subsidie 1 is lager vastgesteld, omdat uit de financiële en inhoudelijke verantwoording bleek dat een bedrag van € 4.012,- is besteed aan de activiteit, op welk bedrag een korting is toegepast van 5% vanwege het te laat indienen van de verantwoording. Subsidie 2 is eveneens gekort met 5% vanwege de te late verantwoording en voorts is een korting van 30% toegepast voor het ontbreken van inhoudelijke verantwoordingsgegevens en een korting van 5% voor het ontbreken van een handtekening van de accountant op de controleverklaring. Subsidie 3 is gekort met 20% in verband met het ontbreken van een accountantsverklaring. 1.4 Met het primaire besluit II heeft verweerder de twee subsidies over 2014 definitief vastgesteld, te weten op € 237.422,82 (subsidie 4) en € 41.177,29 (subsidie 5). In verband met het faillissement van de stichting is de subsidieperiode ten aanzien van beide subsidies teruggebracht naar 1 januari tot 1 juni 2014 en zijn de subsidiebedragen naar rato verrekend. Als gevolg van een lagere vaststelling van de subsidies ontstaat een terugvordering van in totaal € 1.075.095,01. De lagere vasts Eerst bij brief van 8 mei 2015 is eiser op de hoogte gebracht van de verantwoordingsplicht voor het subsidiejaar 2013. Voor het subsidiejaar 2014 is eiser eerst bij brief van 17 september 2015 gevraagd om een verantwoording te verstrekken. Eiser stelt dat hij dusdanig laat na het faillissement van de stichting op de hoogte is gebracht van de verantwoordingsplicht, dat een redelijke verantwoording op dat moment niet meer mogelijk was. Daarbij komt dat hij ten onrechte ook niet is geïnformeerd over de wijzigingsbeslissing, waarbij subsidie 4 per 1 juli 2014 is overgegaan op de Stichting [naam stichting] ( [naam stichting] ), aldus eiser. 4.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het faillissement van de stichting eiser niet ontslaat van de subsidieverplichtingen, waaronder de verantwoordingsplicht. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 december 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU7072). De verschillende subsidiebesluiten in deze zaken maken telkens melding van de verplichtingen van de subsidieontvanger, waaronder de verantwoordingsplicht. Daarbij komt dat uit de brief van eiser van 24 juli 2014 aan verweerder blijkt dat hij op de hoogte is van de verschillende subsidies die aan de stichting zijn verstrekt. Verder wijst verweerder in zijn brief aan eiser van 28 augustus 2014 erop dat gesubsidieerde activiteiten verantwoord en definitief goedgekeurd moeten worden. Dat na het faillissement nauw overleg heeft plaatsgevonden tussen eiser en verweerder, doet niet af aan de verantwoordingsplicht van eiser en maakt evenmin dat verweerder een bijzondere informatieplicht had jegens eiser. Aldus rustte op eiser de verantwoordingsplicht ten aanzien van de subsidies over 2013 en 2014 en zal in het hiernavolgende worden beoordeeld of verweerder de subsidies in redelijkheid lager vast mocht stellen op de grond dat niet tijdig en volledig aan de verantwoordingsplicht is voldaan. 5.1 Eiser heeft voorts aangevoerd dat de door verweerder toegepaste kortingspercentages niet zijn gebaseerd op enige wet- en regelgeving en dat zij ad hoc zijn bedacht voor deze kwestie. Verder stelt eiser dat de gehanteerde percentages onredelijk zijn. 5.2 Desgevraagd heeft verweerder ter zitting toegelicht dat in gevallen waarin in het geheel niet wordt voldaan aan de verantwoordingsplicht, de subsidie op nihil wordt vastgesteld. In dit geval vond verweerder dat te ver gaan, ook omdat er wel enkele documenten ter verantwoording zijn overgelegd door eiser. Omdat het de eerste keer was dat verweerder een situatie als de onderhavige had voorliggen, heeft verweerder gezocht in de jurisprudentie naar vergelijkbare zaken en is verweerder nagegaan hoe andere gemeenten omgaan met een dergelijke kwestie. Voorts is intern beoordeeld welke documenten verweerder met name van belang acht bij de verantwoording van subsidies. Op basis hiervan heeft verweerder kortingspercentages toegekend per ontbrekend element. Voor het ontbreken van de financiële verantwoording heeft verweerder gekozen voor een korting op de subsidie van 50%. Verweerder ziet de financiële verantwoording als het belangrijkste onderdeel van de verantwoordingsplicht, omdat daarmee inzicht wordt gegeven in de besteding van subsidiebedragen en kan worden gecontroleerd of de gemeentelijke subsidiemiddelen daadwerkelijk zijn besteed aan de activiteiten. Het ontbreken van een inhoudelijke verantwoording leidt tot een korting van 30%. Ook dit acht verweerder van aanmerkelijk belang, omdat hiermee kan worden beoordeeld of de in de uitvoeringsovereenkomst concreet gemaakte afspraken zijn nageleefd en of en in hoeverre de beleidsdoelstellingen zijn gehaald. Voor het ontbreken van een accountantsverklaring wordt een korting van 20% toegepast, nu een controleverklaring van een accountant zekerheid geeft over de getrouwheid van aangeleverde financiële gegevens. In geval de accountantsverklaring niet is onder Mede bezien in het licht van hetgeen in rechtsoverweging 8.2 is overwogen, is dit dan ook onvoldoende. 9.1 Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder de korting van 5% wegens het ontbreken van een handtekening op de controleverklaring van de accountant over subsidie 2 weliswaar heeft verlaagd naar een bedrag van € 25.000,-, maar dat dit nog altijd onredelijk hoog is. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat in bezwaar alsnog een ondertekend exemplaar van de controleverklaring is overgelegd. 9.2 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit I op het standpunt gesteld dat 5% korting op subsidie 2, hetgeen feitelijk neerkomt op een bedrag van € 162.635,65, in dit concrete geval onredelijk is. Daarom heeft verweerder de korting gemaximeerd op € 25.000,-. 9.3 De rechtbank acht een korting van € 25.000,- in dit geval niet onredelijk. Vooropgesteld moet worden dat ten tijde van belang een ondertekende controleverklaring van de accountant ontbrak. Bij brief van 23 juli 2015 is eiser erop gewezen dat de controleverklaring niet is voorzien van een handtekening van de accountant. Eerst in bezwaar heeft eiser een ondertekend exemplaar overgelegd. Door de korting op de betreffende subsidie te verlagen van 5% naar een bedrag van € 25.000,- heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende recht gedaan aan de situatie. Beroepsgronden ten aanzien van het subsidiejaar 2014 (zaak 16/5325) 10.1 Eiser heeft aangevoerd dat hij over het jaar 2014 geen verantwoordingsplicht had, omdat de subsidies zijn overgegaan op [naam stichting] , als gevolg waarvan de verantwoordingsplicht op [naam stichting] is komen te rusten. 10.2 De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Subsidie 4 is uitsluitend voor wat betreft het tweede half jaar van 2014 overgegaan op [naam stichting] . Subsidie 5 is niet overgegaan op [naam stichting] . Dat betekent dat eiser de subsidies over het eerste half jaar van 2014 nog diende te verantwoorden. 11.1 Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder de subsidieperiode voor het jaar 2014 ten onrechte heeft vastgesteld op januari tot juni. Hiermee wordt de subsidie in feite gekort met de maand juni, terwijl in deze maand wel subsidieactiviteiten zijn uitgevoerd en de buurthuizen zijn open gehouden, aldus eiser. 11.2 De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat geen subsidie kan worden verleend aan een failliete stichting. Nu de stichting op 3 juni 2014 is gefailleerd, heeft verweerder dan ook terecht de subsidieperiode beëindigd met ingang van juni 2014. 12.1 Eiser stelt voorts dat verweerder erkent dat alle subsidieactiviteiten zijn uitgevoerd en dat het daarom onredelijk is om de subsidies lager vast te stellen. 12.2 Verweerder heeft aangegeven dat voor het ontbreken van een inhoudelijk verslag, waaruit zou moeten blijken dat de gesubsidieerde activiteiten zijn uitgevoerd, in dit geval geen korting is toegepast. Voor verweerder is voldoende duidelijk dat de buurthuizen open zijn geweest en dat het beheer daarvan heeft plaatsgevonden. Dat laat naar het oordeel van de rechtbank evenwel onverlet dat een financiële verantwoording dient te worden afgelegd over de verstrekte subsidies, mede gelet op het feit dat het gaat om de besteding van publieke middelen en verweerder inzicht dient te verkrijgen in de wijze waarop en mate waarin de subsidiegelden zijn besteed. Dat verweerder ervan uitgaat dat de activiteiten zijn uitgevoerd, betekent dan ook niet dat verweerder de subsidie niet lager mocht vaststellen. 13.1 Eiser stelt verder dat hij voldoende financiële verantwoording heeft afgelegd over de in 2014 toegekende subsidies. Op 8 december 2015 en 4 maart 2016 zijn financiële rapportages overgelegd. Een jaarrapport kan niet worden gevraagd, nu de subsidieperiode slechts op een half jaar zag, aldus eiser. 13.2 De rechtbank stelt vast dat eiser voor subsidie 4 in het geheel geen financiële verantwoording heeft afgelegd. Voor subsidie 5 heeft eiser in ieder geval op 4 maart 2016 financiële overzichten overgelegd.