Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2016-07-12
ECLI:NL:RBNHO:2016:5589
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,566 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 15/5606
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2016 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder
(gemachtigde: R.C.F. de Vos).
Procesverloop
Bij besluit van 22 mei 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de aan haar nabetaalde uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) tot een bedrag van € 1.300,74 als inkomen wordt aangemerkt en wordt verrekenend met haar bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Door de nabetaling wijzigt haar resterend vrij te laten vermogen per 22 mei 2015 naar € 3.911,59.
Bij besluit van 29 juni 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder het primaire besluit 1 in zoverre gewijzigd dat de nabetaling van de WW-uitkering tot een bedrag van € 950,54 als inkomen wordt aangemerkt en met de bijstandsuitkering van eiseres wordt verrekend. Het restant van de nabetaling wordt als vermogen aangemerkt en hierdoor bedraagt het resterend vrij te laten vermogen per 29 juni 2015 € 3.561,39.
Bij besluit van 5 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten gegrond verklaard in die zin dat besloten is conform het primaire besluit 2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2016. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.
Overwegingen
1.1.
Eiseres ontvangt sinds 3 februari 2015 een bijstandsuitkering.
1.2.
Bij besluit van 22 april 2015 is eiseres door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) per 30 juli 2014 een WW-uitkering toegekend tot en met - naar de rechtbank begrijpt - 29 september 2017.
1.3.
Op 24 april 2015 heeft het UWV aan eiseres een nabetaling WW gedaan over de periode van 30 juli 2014 tot 19 april 2015 ten bedrage van € 3.284,15.
1.4.
Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder de nabetaling WW-uitkering voor de periode van 3 februari 2015 tot en met 19 april 2015 tot een bedrag van € 950,54 als inkomen aangemerkt en met de bijstandsuitkering verrekend. Het restant van de nabetaling van € 2.333,61 (€ 3.284,15 minus € 950,54) betreft de periode vóór aanvang van de bijstandverlening en wordt door verweerder als vermogen aangemerkt. Bij aanvang van de bijstandsuitkering is het resterend vrij te laten vermogen vastgesteld op € 5.895,00. Per 29 juni 2015 bedraagt het resterend vrij te laten vermogen € 3.561,39 (€ 5.895,00 minus
€ 2.333,61). Bij het bestreden besluit heeft verweerder overeenkomstig besloten.
2. In geschil tussen partijen is of de nabetaling WW over de periode van 30 juli 2014 tot 3 februari 2015 ten bedrage van € 2.333,61 als vermogen moet worden beschouwd in het kader van de bijstand.
3.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat WW-uitkering middelen betreft in de zin van artikel 31 PW en dat voor zover die middelen niet tot het inkomen kunnen worden gerekend, tot het vermogen moeten worden gerekend. Uit de middelensystematiek van de PW volgt dat middelen waarover een belanghebbende beschikt die niet tot het inkomen kunnen worden gerekend, tot het vermogen worden gerekend. Verweerder verwijst hierbij naar de Memorie van Toelichting bij de invoering van artikel 32 van de Wet Werk en Bijstand (WWB).
3.2.
Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte het resterend vrij te laten vermogen heeft verlaagd met € 2.333,61 en onderbouwt dat standpunt als volgt. De op 24 april 2015 nabetaalde WW-uitkering ziet op een daarvoor gelegen periode en moet dan ook worden gezien als uitgestelde inkomen in de zin van artikel 32, tweede lid, van de PW. Daarom zijn het ook geen middelen die tot het vermogen kunnen worden gerekend. Eiseres verwijst naar de uitspraak van 21 april 2008 van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2008:BG1710) waarin sprake is van een soortgelijk geval. Ook stelt eiseres dat vanwege administratieve omstandigheden de WW pas laat is nabetaald en zij voorafgaand aan de bijstandsverlening geld bij familie en vrienden heeft moeten lenen.
4. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de PW worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken tot de middelen gerekend. In het tweede lid van dit artikel is opgesomd welke financiële vergoedingen niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend. Een WW-uitkering staat niet in deze opsomming.
Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Ingevolge artikel 32, tweede lid, van de PW worden middelen die het karakter hebben van uitgesteld inkomen in aanmerking genomen naar de periode waarin deze zijn verworven.
Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW wordt onder vermogen verstaan middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33.
5. In de memorie van toelichting van de WWB (Kamerstukken II, 2002-2003, 28870, nr. 3, p. 58 en verder) staat over van artikel 32 van de WWB (thans de PW) het volgende:
“In dit artikel wordt aangegeven welke middelen als inkomen worden aangemerkt. Een eerste criterium …. Een tweede criterium (eerste lid, onderdeel b) voor het in aanmerking nemen van middelen als inkomen is de periode waarop de inkomsten betrekking hebben. Daarbij is het uitgangspunt gehanteerd dat het inkomen dient te worden toegerekend aan de periode waarop dit betrekking heeft. …Bij uitkeringen (sociale zekerheidsinkomsten…) is dat de periode waarvoor de uitkering bestemd is. Bij bedragen ineens dient evenzeer te worden beoordeeld op welke periode deze kunnen worden geacht betrekking hebben. ...Het niet als inkomen in aanmerking nemen van inkomsten omdat zij geen betrekking hebben op een periode waar over beroep op bijstand wordt gedaan betekent overigens niet op voorhand dat deze middelen buiten beschouwing blijven. Op grond van artikel 34, eerste lid, onderdeel b, worden de tijdens de bijstandsperiode ontvangen middelen, die niet als inkomen worden beschouwd, immers als vermogen aangemerkt.”
Over van artikel 34 staat in de memorie van toelichting het volgende:
“Ook tijdens de bijstandsperiode kan de belanghebbende middelen ontvangen die niet als inkomen, maar als vermogen dienen te worden aangemerkt. Dit is aangegeven in onderdeel b van het eerste lid. Deze bepaling is het complement van artikel 32. Tijdens de bijstand ontvangen middelen die op grond van dat artikel niet als inkomen worden aangemerkt, worden dus als vermogen beschouwd. Het gaat hierbij enerzijds om middelen die naar hun aard niet als inkomen kunnen worden beschouwd, zoals de teruggave van belasting en premies die de zelfstandige eventueel ontvangt, en anderzijds om middelen die weliswaar het karakter van inkomen hebben, doch die geen betrekking hebben op de bijstandsperiode.”
6. Anders dan de rechtbank Amsterdam leidt deze rechtbank uit de memorie van toelichting bij met name artikel 34 van de WWB af dat een nabetaalde sociale zekerheidsuitkering als een WW-uitkering (in de uitspraak van Amsterdam betrof het nabetaalde WAZ-uitkering) wel tot het vermogen van de bijstandsgerechtigde moet worden gerekend, althans, voor zover de nabetaling is gedaan in de periode waarin bijstand wordt ontvangen maar geen betrekking heeft op die periode. Steun voor die uitleg ziet de rechtbank ook in de door verweerder ingeroepen bepaling van (thans) artikel 31, tweede lid, van de PW waarin de WW-uitkering niet is genoemd in de opsomming van financiële vergoedingen die niet tot de middelen van een belanghebbende worden gerekend. Dat de nabetaling van deze sociale zekerheidsuitkering betrekking heeft op een aanspraak over een al voorbije periode, betekent naar het oordeel van deze rechtbank niet dat die betaling een middel is die het karakter heeft van uitgesteld inkomen als bedoeld in artikel 32, tweede lid, PW. Bij uitgesteld inkomen in de zin van deze bepaling moet gedacht worden aan betalingen als vakantiegeld, vakantietoeslag of een winstdelingsregeling die naar hun aard op een later tijdstip worden uitbetaald dan waarop ze betrekking hebben, te weten de periode waarop de aanspraak daarop betrekking heeft. Van een dergelijke betaling is in dit geval geen sprake. Of het vrij te laten vermogen bij aanvang van de bijstandsverlening juist is vastgesteld vanwege de gestelde gemaakte schulden, kan in deze procedure niet aan de orde komen.
7. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van D.M.M. Luijckx, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2016.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.