Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2016-05-19
ECLI:NL:RBNHO:2016:4308
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,747 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 15/3089
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 mei 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: R. de Nekker),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder.
Procesverloop
Bij brief van 23 maart 2015 heeft gemachtigde namens eiser bij de gemeente Haarlemmermeer q.q. opsporingsinstantie (p/a het College van B&W) inzake de Wahv-kwestie met CJIB-nr. [# 1] de volgende (bestuurlijke) documenten opgevraagd:
1. Het brondocument en/of PV m.b.t. zaaknummer [# 2] );
2. Foto’s van de gedraging met zaaknummer [# 2] ).
Bij besluit van 20 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser het digitale brondocument verstrekt en aangegeven dat de foto’s in het brondocument zijn opgenomen.
Bij besluit van 9 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2016. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder voorafgaande kennisgeving daarvan aan de rechtbank, niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde T.H. van Donge.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.
Overwegingen
1. Artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) bepaalt dat een ieder een verzoek om informatie, neergelegd in documenten, over een bestuurlijke aangelegenheid kan richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
2. Bij brief van 23 maart 2015 heeft gemachtigde namens eiser bij de gemeente Haarlemmermeer q.q. opsporingsinstantie het in het procesverloop vermelde informatieverzoek ingediend. Hij heeft aangegeven dat betrokkene hem om zijn juridische bijstand heeft verzocht en hem heeft verzocht de in het verzoek vermelde (bestuurlijke) documenten op te vragen.
3. Verweerder heeft deze brief, blijkens het primaire besluit van 20 april 2015, aangemerkt als een verzoek op grond van de Wob en het verzoek ingewilligd. Bij het bestreden besluit is het primaire besluit gehandhaafd.
4.1
Eiser stelt zich in de gronden van beroep op het standpunt dat verweerder zijn verzoek om informatie ten onrechte heeft aangemerkt als een verzoek op grond van de Wob. De stukken zijn derhalve ten onrechte openbaar gemaakt. Hij verzoekt de rechtbank het bestreden besluit te vernietigen, zodat de stukken niet langer openbaar zijn, waardoor eisers privacy wordt gewaarborgd. Hij verzoekt voorts verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten.
4.2
Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:465), 20 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3106) en 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4185) overweegt de rechtbank dat het bestuursorgaan, ongeacht of al dan niet een beroep op de Wob wordt gedaan, moet beoordelen of een verzoek is gedaan om openbaarmaking op grond van die wet of dat sprake is van een verzoek om inzage op grond van een andere wettelijke regeling.
4.3
Hoewel in de brief van 23 maart 2015 de Wob niet is genoemd, is wel uitdrukkelijk verzocht om overlegging van de documenten binnen de in de Wob genoemde termijn van vier weken. Uit het verzoek kan voorts niet worden afgeleid om welke reden de informatie is opgevraagd; anders dan in de aan voornoemde Afdelingsuitspraken ten grondslag liggende verzoeken blijkt uit de brief van 23 maart 2015 niet dat het verzoek is gedaan in het kader van een administratief beroep tegen de aan eiser opgelegde boete. Het enkel noemen van een “Wahv-kwestie” is daartoe onvoldoende. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser zich – ook reeds ten tijde van het verzoek – heeft laten bijstaan door een gemachtigde die bekend is met het procederen tegen opgelegde zogenoemde “Mulder” boetes. Bekend kan worden verondersteld dat voor zover was beoogd in dát kader stukken te verkrijgen, een daartoe strekkend verzoek bij de Officier van Justitie kon worden ingediend en niet bij verweerder.
Onder deze omstandigheden is de rechtbank – anders derhalve dan de rechtbank in de uitspraak waarvan eiser enige overwegingen heeft overgelegd als bijlage bij zijn faxbericht van 5 januari 2016 – van oordeel dat verweerder het aan hem gerichte verzoek van eiser om informatie terecht heeft opgevat als een verzoek op grond van de Wob. Eisers stelling eerst in beroep gedaan dat verweerder het verzoek niet als zodanig had mogen duiden, is naar het oordeel van de rechtbank tardief; van eiser had mogen worden verwacht tegen deze duiding al in bezwaar op te komen. Daarvan is in geen sprake geweest, integendeel, eiser heeft een inhoudelijke grond aangevoerd tegen het genomen besluit. Ook uit eisers opmerking in bezwaar dat verweerder wat hem betreft in het op bezwaar te nemen besluit niet hoeft in te gaan op zijn eerder geponeerde stelling dat door de openbaarmaking zijn privacy zou zijn geschonden volgt dat eiser kennis had genomen van de duiding van zijn verzoek als Wob-verzoek. De door eiser in beroep overgelegde uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 oktober 2015 (zaaknummer AWB 15/12620) leidt voorts niet tot een ander oordeel, reeds nu betrokkene in die zaak de duiding van het verzoek al in bezwaar heeft betwist.
5. Nu sprake is van een verzoek op grond van de Wob, komt de rechtbank toe aan verweerders betoog, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129), dat sprake is van misbruik van recht. De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat in de voorliggende zaak sprake is van misbruik van recht.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries - van den Heuvel, voorzitter, en mr. M.P. de Valk en mr. J.M. Janse van Mantgem, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2016.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.