Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-03-06
ECLI:NL:RBMNE:2026:896
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,103 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:896 text/xml public 2026-03-30T09:25:32 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-06 UTR 25/1933 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:896 text/html public 2026-03-30T09:25:14 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:896 Rechtbank Midden-Nederland , 06-03-2026 / UTR 25/1933 Een beroep niet tijdig beslissen, ziet ook op later genomen deelbesluiten. De beoordeling van die deelbesluiten lag voor aan de rechtbank. Verweerder was onbevoegd om daarop te beslissen. De rechtbank vernietigd daarom de na het berope genomen beslissing op bezwaar van verweerder. De rechtbank verwijst de zaak terug naar verweerder op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/1933 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater (gemachtigde: mr. E. Timmerman). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] B.V. uit [plaats] ( [derde belanghebbende] ) (gemachtigde: R. Stekelenburg). Inleiding 1. Eiser heeft op 6 december 2024 een verzoek ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser verzoekt daarin om openbaarmaking van documenten die betrekking hebben op de toekomst van “ [locatie] ” en het stadskantoor. 2. Op 19 februari 2025 heeft eiser het college in gebreke gesteld wegens het niet beslissen op zijn verzoek. 3. Het college heeft bij besluit van 5 maart 2025 beslist op een deel van eisers verzoek (deelbesluit I). 4. Op 10 maart 2025 heeft eiser beroep ingediend wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn Woo-verzoek. 5. Op 12 april 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt. 6. Bij besluit van 15 april 2025 heeft het college beslist op het overige deel van eisers verzoek (deelbesluit II). 7. Eiser heeft op 1 mei 2025 beroepsgronden ingediend. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 8. Op 11 december 2025 heeft het college beslist op het bezwaar gericht tegen deelbesluit I. 9. De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van [derde belanghebbende] . Totstandkoming van de besluiten 10. Eiser heeft op 6 december 2024 een Woo-verzoek ingediend en dit verzoek op 31 december 2024 nader gepreciseerd. Het college heeft op 5 maart 2025 deelbesluit I genomen. In deelbesluit I heeft het college meegedeeld dat zij twee documenten hebben aangetroffen; een Intentieovereenkomst [locatie] (intentieovereenkomst) en het Biedboek met programma van eisen (het Biedboek). Het college maakt in deelbesluit I het Biedboek openbaar. Het college deelt verder mee dat op de intentieovereenkomst geheimhouding rust en zij overeenkomstig vaste jurisprudentie het Woo-verzoek voor dat deel opvat als een verzoek tot opheffing van geheimhouding. Pas nadat de gemeenteraad (de Raad) daarover heeft beslist kan het college verder op het Woo-verzoek beslissen. De Raad heeft op 10 april 2025 besloten over de geheimhouding van de intentieovereenkomst. Het college heeft vervolgens op 15 april 2025 deelbesluit II genomen en daarin beslist tot gedeeltelijke openbaarmaking van de intentieovereenkomst. Op 11 december 2025 heeft de Raad beslist op eisers bezwaar tegen het Raadsbesluit van 10 april 2025 en dit bezwaar ongegrond verklaard. Op 11 december 2025 heeft het college beslist op eisers bezwaar gericht tegen deelbesluit I. Beoordeling door de rechtbank Ten aanzien van het beroep niet tijdig beslissen. 11. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. 12. De rechtbank overweegt als volgt. Het college heeft binnen twee weken na datum van de ingebrekestelling op 5 maart 2025 deelbesluit I genomen. Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 oktober 2021 volgt, dat als een deelbesluit binnen de wettelijke termijn wordt genomen, dat niet betekent dat binnen de termijn op het verzoek is besloten. En verder, dat als tegen een deelbesluit bezwaar of beroep is ingesteld, dat bezwaar en beroep op grond van art 6:19 Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook geldt voor de opvolgende deelbesluiten. Dit betekent dat het college met deelbesluit I niet tijdig heeft beslist op het Woo-verzoek van eiser. In zoverre heeft eiser terecht een beroep niet tijdig beslissen ingediend. Omdat het college echter nadien op 15 april 2025 een tweede en laatste deelbesluit II heeft genomen, heeft eiser nu niet langer belang bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder. De rechtbank zal daarom zijn beroep niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep van eiser 13. Eiser is het niet eens met deelbesluit I en deelbesluit II en heeft op 1 mei 2025 beroepsgronden daartegen ingediend. Eiser voert daarin aan dat het college onvolledig heeft beslist op zijn Woo-verzoek en onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke zoekslag is verricht. Ook verwijst eiser naar zijn bezwaarschrift van 12 april 2025. 14. Het college heeft hierna op 11 december 2025 beslist op het bezwaar van eiser van 12 april 2025, gericht tegen deelbesluit I. Het college heeft besloten om eisers bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren, omdat eiser niet aangemerkt kan worden als belanghebbende. Op zitting heeft het college zich op het nadere standpunt gesteld dat zij, conform het advies van de bezwaarschriftencommissie, vindt dat eisers bezwaar van 12 april 2025 niet ziet op deelbesluit I, maar alleen op het besluit van de Raad van 10 april 2025. 15. De rechtbank merkt op dat zij de door het college ingenomen procedurele standpunten in de beslissing op bezwaar van 11 december 2025 niet volgt. Zo oordeelt de rechtbank dat het (ongemotiveerde) standpunt van het college dat eiser geen belanghebbende zou zijn bij zijn eigen Woo-verzoek onnavolgbaar is, omdat het gaat om het door eiser zelf ingediende Woo-verzoek. Ook volgt de rechtbank het college niet in zijn standpunt dat het bezwaar van 12 april 2025 alleen gericht zou zijn tegen het Raadsbesluit van 10 april 2025. Het bezwaar van 12 april 2025 kan de rechtbank niet anders aanmerken dan als gericht tegen (ook) deelbesluit I. Uit de inhoud van dit bezwaarschrift immers blijkt voldoende duidelijk dat eiser het niet eens is met deelbesluit I. Dit standpunt wordt bevestigd door het bestreden besluit van 11 december 2025 zelf, waarin staat dat er beslist wordt op het bezwaar van 12 april 2025 tegen deelbesluit I. Dat eiser het bezwaarschrift heeft gericht aan de Raad, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, omdat het op de weg ligt van het college om het bezwaarschrift tegen het Woo-besluit inhoudelijk te beoordelen. Ook de mededeling van het college dat eiser ‘expliciet zou hebben meegedeeld dat zijn bezwaar alleen op het Raadbesluit van 10 april 2025 ziet, volgt de rechtbank niet, alleen al omdat deze mededeling nergens uit blijkt. 16. De rechtbank overweegt verder dat artikel 6:20, derde lid, van de Awb bepaalt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking heeft het alsnog genomen besluit. Dat betekent dat het beroep van eiser betrekking heeft op zowel het deelbesluit 1 als het deelbesluit 2 en deze beide besluiten in beroep ter toetsing aan de rechtbank voorliggen. De rechtbank oordeelt dan ook dat het college niet bevoegd was te beslissen op het bezwaar van eiser. De rechtbank zal daarom de beslissing op bezwaar van 11 december 2025 van het college op deelbesluit I vernietigen. 17. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb ligt nu dus het beroep van eiser tegen deelbesluit I en II aan de rechtbank voor.
Volledig
Eiser is het niet eens met deelbesluit I en II van het college en heeft daar op 1 mei 2025 gronden tegen ingediend. De rechtbank stelt vast dat eiser en het college hun verschil in standpunten nog niet inhoudelijk hebben besproken, althans dat het college daar in een besluit nog niet inhoudelijk op heeft gereageerd. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om het beroep gericht tegen deelbesluit I en II op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb terug verwijzen naar het college, om als bezwaarschrift te behandelen. Het college moet dan niet alleen de gronden van beroep van 1 mei 2025 bij zijn oordeel betrekken, maar ook de gronden van het bezwaarschrift van 12 april 2025. De te stellen beslistermijn 18. Het college is gebonden aan de beslistermijnen zoals genoemd in artikel 7:10 van de Awb. De beslistermijn voor het bezwaar is al ruimschoots overschreden. De rechtbank vindt het in de nu voorliggende omstandigheden echter redelijk om het college een beslistermijn op te leggen van 6 weken na dagtekening van deze uitspraak. Indien er een bezwaaradviescommissie wordt ingesteld kan deze termijn met 6 weken worden verlengd. Conclusies en gevolgen 19. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers Woo-verzoek. 20. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar van 11 december 2025, omdat dit besluit onbevoegd is genomen. 21. Het beroep tegen deelbesluit I en II verwijst de rechtbank terug naar het college om daar als bezwaarschrift te behandelen. Het college zal een nieuw besluit moeten nemen op de bezwaren van eiser, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van in beginsel zes weken. Indien er een bezwaaradviescommissie wordt ingesteld kan deze termijn met 6 weken worden verlengd. Het college beschikt al over het beroepschrift en daarom zal de rechtbank dit niet nogmaals naar het college sturen. 22. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat in deze zaak ook door de Raad een besluit tot opheffing van de geheimhouding is genomen en vervolgens door de Raad ook is beslist op het daartegen door eiser gemaakte bezwaar. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat het belang van efficiënte geschilbeslechting met zich brengt dat, indien de verzoeker om informatie tegen de beslissing van het bestuursorgaan op het verzoek tot openbaarmaking bezwaar maakt of daartegen beroep instelt, dit bezwaar of beroep mede moet worden geacht te zijn gericht tegen het opheffingsbesluit. Indien eiser besluit om na het door het college te nemen beslissing op bezwaar daartegen beroep in te stellen, ligt het dan ook voor de hand dat in dat geval ook de door de Raad genomen beslissing op bezwaar ter toetsing aan de rechtbank voor ligt. 23. Omdat eiser terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn Woo-verzoek, dient verweerder het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. Er zijn verder geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank; - verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk; - vernietigt het besluit van 11 december 2025; - verwijst het beroep tegen deelbesluit I van 5 maart 2025 en tegen deelbesluit II van 15 april 2025 ter behandeling als bezwaar naar het college. - draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RVS:2021:2348