Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-21
ECLI:NL:RBMNE:2026:85
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Pachtkamer Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: 11982892 \ LC EXPL 25-2536 Vonnis in het incident en de hoofdzaak van 21 januari 2026 in de zaak van [partij 1] , te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [partij 1] , gemachtigde: mr. J.M.M. Kroon, tegen [partij 2] , te [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [partij 2] , gemachtigde: mr. W.J. de Vries. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 18 november 2025 met een incidenteel verzoek ex artikel 195 Rv, met producties 1 tot en met 6; - de conclusie van antwoord in de hoofdzaak en het incident met producties 1 tot en met 9. 1.2. Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1. [partij 1] verpacht ongeveer 13 ha landbouwgrond aan [partij 2] . [partij 1] stelt dat [partij 2] het gepachte niet (meer) bedrijfsmatig voor de landbouw gebruikt. [partij 1] vordert daarom dat de pachtovereenkomst wordt ontbonden. Om dit te kunnen bewijzen, verzoekt [partij 1] in het incident dat [partij 2] de Gecombineerde Opgave en de jaarrekeningen van zijn agrarische onderneming van de afgelopen drie jaren overlegt. [partij 2] is het hier niet mee eens. Volgens hem gebruikt hij het gepachte wel bedrijfsmatig voor de landbouw. De gevraagde stukken wil hij niet overleggen. De pachtkamer zal [partij 2] in het incident veroordelen om de gevraagde stukken te overleggen. In de hoofdzaak wordt een mondelinge behandeling bepaald. Voorafgaand daaraan krijgen partijen de gelegenheid zich uit te laten over de door [partij 2] te overleggen stukken. 3 De beoordeling In het incident Het toetsingskader van het inzageverzoek 3.1. In artikel 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat een partij aan de rechter die de hoofdzaak behandelt, kan verzoeken om de wederpartij te bevelen inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens te verstrekken. Voor toewijzing van zo’n verzoek moet aan de vereisten uit artikel 194 Rv worden voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet (i) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (ii) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet (iii) een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (iv) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken. [partij 1] heeft voldoende belang bij het inzageverzoek 3.2. Partijen verschillen in de hoofdzaak van mening over de vraag of [partij 2] het gepachte (nog) bedrijfsmatig voor de uitoefening van de landbouw gebruikt. Volgens [partij 1] is dit niet het geval, omdat [partij 2] geen melkvee meer zou houden en het gepachte alleen nog gebruikt voor de winning van gras dat hij aan een derde verkoopt. De door [partij 1] gevraagde gegevens, te weten de Gecombineerde Opgave (inclusief perceelregistratie) en de jaarrekeningen over de jaren 2022, 2023 en 2024 kunnen relevant zijn voor de beoordeling van dit geschil. [partij 1] stelt terecht dat daaruit kan worden afgeleid welke en hoeveel dieren [partij 2] in een bepaald jaar hield, of [partij 2] het gepachte zelf nog in gebruik had en of de activiteiten van [partij 2] gerelateerd zijn aan de landbouw en of deze activiteiten bedrijfsmatig zijn. Daarmee is voldoende gebleken dat deze stukken mogelijk steun kunnen geven aan de stelling van [partij 1] dat [partij 2] is tekortgeschoten in de nakoming van de pachtovereenkomst. [partij 1] heeft daarom voldoende belang bij deze informatie. 3.3. [partij 2] is niet bereid de opgevraagde gegevens aan [partij 1] te verstrekken. Hij vindt dat [partij 1] daar geen belang bij heeft, omdat hij al gegevens heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat hij het gepachte gebruikt voor bedrijfsmatige landbouw. Het gaat daarbij om een gedeelte van de conceptjaarrekening 2023 en de stallijsten van het rundvee en de schapen van 31 december 2024. Dit brengt echter niet mee dat [partij 1] geen belang heeft bij de Gecombineerde Opgave Het belang van [partij 1] bij inzage in deze gegevens om zijn vordering te kunnen onderbouwen, weegt naar het oordeel van de pachtkamer zwaarder dan het belang van [partij 2] om bepaalde informatie uit de jaarrekeningen niet te openbaren. [partij 2] heeft subsidiair verzocht om hem slechts te verplichten bepaalde informatie uit de jaarrekeningen te openbaren. Op voorhand kan de pachtkamer echter geen onderscheid maken tussen informatie uit de jaarrekeningen die voor de beoordeling van de vordering wel en niet relevant is. Dit moet in de hoofdzaak worden beoordeeld en daarop kan de pachtkamer in dit incident niet vooruitlopen. Er bestaat in ieder geval geen aanleiding te veronderstellen dat er sprake is van een zogenaamde fishing expedition , waarbij misbruik wordt gemaakt van de regeling van het inzagerecht door informatie op te vragen waarop geen recht bestaat. De AVG verzet zich niet tegen toewijzing van het inzageverzoek 3.10. [partij 2] heeft tot slot aangevoerd dat de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing is en er voor [partij 1] geen grondslag bestaat om de financiële persoonsgegevens van [partij 2] rechtmatig te verwerken. De pachtkamer volgt hem hierin niet. Voor zover de jaarrekeningen al persoonsgegevens bevatten en voor zover het in het kader van een civiele procedure als bewijsmiddel overleggen van die jaarrekeningen al onder het materiële toepassingsgebied van de AVG valt, dan zijn er in deze zaak er wettelijke grondslagen voor rechtmatige verwerking als bedoeld in artikel 6 AVG. Voor het verstrekken van de gegevens door [partij 2] geldt dat een toegewezen verzoek tot inzage (op grond van artikel 194 en 195 Rv) leidt tot een wettelijke verplichting van degene die persoonsgegevens onder zich houdt om die te verstrekken. Op grond van artikel 6 lid 1 sub c AVG is dit een grondslag voor rechtmatige verwerking. Wat betreft het verwerken van de gegevens door [partij 1] geldt dat de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van zijn gerechtvaardigde belangen zoals die hiervoor bij de beoordeling van het inzageverzoek zijn uiteengezet, welke belangen naar het oordeel van de pachtkamer zwaarder wegen dan de belangen van [partij 2] bij de bescherming van zijn persoonsgegevens. Op grond van artikel 6 lid 1 sub f AVG is dit een grondslag voor rechtmatige verwerking. Conclusie, dwangsom en proceskosten 3.11. De conclusie is dat de pachtkamer [partij 2] zal veroordelen om de gevraagde stukken te overleggen en wel binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis. 3.12. [partij 2] maakt bezwaar tegen de gevorderde dwangsom. Hij stelt de gevraagde gegevens te zullen overleggen als hij daartoe wordt veroordeeld. De pachtkamer ziet wel aanleiding om een dwangsom op te leggen. Als [partij 2] doet wat hij schrijft, dan heeft hij van de dwangsom niets te vrezen. De gevorderde dwangsom wordt toegewezen en gemaximeerd tot € 25.000,00. 3.13. [partij 2] wordt in het incident in de kosten veroordeeld, omdat hij ongelijk heeft gekregen. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op € 271,00 aan salaris gemachtigde. In de hoofdzaak Partijen worden in de gelegenheid gesteld een akte te nemen 3.14. In de hoofdzaak zal de pachtkamer [partij 1] in de gelegenheid stellen om zich aan de hand van de ontvangen Gecombineerde Opgaven en jaarrekeningen bij akte nader uit te laten over de vraag of het gepachte nog bedrijfsmatig voor de uitoefening van de landbouw wordt gebruikt. 3.15. [partij 2] wordt daarna in de gelegenheid gesteld om hier bij akte op te reageren. De pachtkamer bepaalt een mondelinge behandeling 3.16. Vervolgens zal een mondelinge behandeling worden bepaald om inlichtingen over de zaak te krijgen, partijen de gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. 3.17. De pachtkamer wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen – ook in het nadeel van