Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-02-24
ECLI:NL:RBMNE:2026:794
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,028 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:794 text/xml public 2026-03-19T10:39:57 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-24 UTR 25/4994 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:794 text/html public 2026-03-19T10:38:51 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:794 Rechtbank Midden-Nederland , 24-02-2026 / UTR 25/4994 Verzoek om herziening van de beslissing tot terugvordering van WW, ZW en toeslagen. Vrijspraak door politierechter is een novum. Voldoende verband tussen de strafrechtelijke procedure en de voorliggende bestuursrechtelijke procedure. Op grond van de in artikel 6, tweede lid, EVRM vervatte onschuldpresumptie mogen de rechterlijke en andere autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak. Rechtbank oordeelt dat de vrijspraak geen reden is om terug te komen op de beslissing tot terugvordering. De vrijspraak is opgenomen in een aantekening mondeling vonnis (amv). Uit de amv blijkt niet waarom eiser is vrijgesproken en kan niet de conclusie worden getrokken dat de bestuursrechtelijke beslissing tot terugvordering niet in stand kan blijven. De gevolgen van de onduidelijkheid over de motivering van de vrijspraak moeten voor rekening van eiser komen. Het is immers aan eiser om bij een verzoek om herziening aannemelijk te maken dat sprake is van een nieuw gebleken feit dat aanleiding geeft om op de beslissing terug te komen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4994 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.M.P.M. Adank) en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het Uwv (gemachtigde: mr. J.A. Voorn) Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om herziening van de beslissing tot terugvordering van de uitkering van eiser op grond van de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en Toeslagenwet (TW). Eiser heeft om herziening verzocht omdat hij is vrijgesproken door de politierechter. Eiser is het niet eens met de weigering van het Uwv om terug te komen op de beslissing tot terugvordering. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft beslist dat er geen reden is om terug te komen op de eerder beslissing. Uit de aantekening mondeling vonnis blijkt niet waarom eiser is vrijgesproken en kan niet de conclusie worden getrokken dat de bestuursrechtelijke beslissing tot terugvordering niet in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Het Uwv heeft in de beslissing op bezwaar van 18 februari 2019 beslist dat eiser niet als werknemer in de zin van de sociale zekerheidswetten te beschouwen is omdat sprake was van een gefingeerd dienstverband. Met de beslissing van 18 februari 2019 heeft het Uwv daarom de te veel betaalde WW-uitkering en toeslagen (€ 21.695,80) en ZW-uitkering en toeslagen (€ 5.400,21) van eiser teruggevorderd. 2.1. Eiser heeft op 12 november 2024 een verzoek om herziening van de beslissing van 18 februari 2019 gedaan. Aan het herzieningsverzoek legt eiser ten grondslag dat hij op 11 januari 2023 door de politierechter is vrijgesproken van valsheid in geschrifte. 2.2. Op 23 januari 2025 heeft het Uwv het herzieningsverzoek afgewezen. Het Uwv heeft daaraan ten grondslag gelegd dat een enkele verwijzing naar het vonnis van de politierechter niet voldoende is voor de beoordeling van een herzieningsverzoek. 2.3. Eiser heeft bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 17 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij de beslissing tot afwijzing van het herzieningsverzoek gebleven. 2.4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv. Verder was een tolk in de Turkse taal, B. Epözdemir, aanwezig. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht heeft beslist dat er geen aanleiding is om terug te komen op de eerdere beslissing tot terugvordering van teveel betaalde WW-uitkering, ZW-uitkering en toeslagen. Kwijtschelding 4. Het Uwv heeft op de zitting van 4 december 2025 laten weten dat op 5 augustus 2025 de resterende terugvorderingsschuld van eiser door het Uwv ambtshalve is kwijtgescholden. Eiser heeft tot die tijd zijn maandelijkse betalingen van € 67,-- verricht. 4.1. Eiser heeft op de zitting bevestigd dat kwijtschelding heeft plaatsgevonden. Hij heeft erop gewezen dat de beslissing van het Uwv ook tot gevolg heeft gehad dat hij de afgelopen jaren geen recht heeft gehad op een uitkering op grond van de werknemersverzekeringswetten, omdat hij niet als werknemer werd aangemerkt. Omdat hij niet als werknemer wordt beschouwd, kan hij geen ziekmelding doen en inmiddels is hij wel ziek geworden. Bovendien heeft eiser de afgelopen jaren maandelijkse aflossingen verricht. 4.2. De rechtbank is van oordeel dat eiser ondanks de kwijtschelding van de resterende schuld een belang heeft bij beoordeling van zijn beroep. Wat is er in de beslissing van 18 februari 2019 beslist? 5. Eiser verzoekt het Uwv om herziening van de beslissing van 18 februari 2019. Het Uwv heeft in de beslissing op het bezwaar van eiser beslist dat de teveel betaalde WW-uitkering, ZW-uitkering en toeslagen van eiser worden teruggevorderd, omdat eiser niet als werknemer te beschouwen is omdat sprake was van een gefingeerd dienstverband. Het Uwv heeft dit vastgesteld op basis van feiten en omstandigheden die naar voren zin gekomen in een onderzoek van de Inspectie SZW en van de afdeling Handhaving van het Uwv. Waarom vraagt eiser het Uwv om op deze beslissing terug te komen? 6. Eiser verzoekt om herziening omdat hij zegt dat hij wel werknemer was, omdat hij werkte als [functie] voor [bedrijf 1] . Eiser heeft in het strafrechtelijk onderzoek in eerste instantie verklaard dat hij voor [bedrijf 2] werkte als [functie] en dat hij schoonmaakte op tankstations. Eiser heeft in de strafrechtelijke procedure bij de politierechter in september 2018 verklaard dat hij deze verklaring onder druk van [bedrijf 1] heeft afgelegd en dat hij in werkelijkheid voor [bedrijf 1] werkte als [functie] en dat hij schoonmaakte in chalets/vakantiehuisjes. Dit heeft in het strafrechtelijk onderzoek aanleiding gegeven voor het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen. Blijkens de aantekening mondeling vonnis (amv) is eiser op 11 januari 2023 door de politierechter vrijgesproken van valsheid in geschrifte. Toetsingskader 7. Het gaat in deze procedure om een herzieningsverzoek. Dat betekent dat eiser nieuwe feiten of omstandigheden moet aanvoeren als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden – voor zover hier van belang – verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. 7.1. Als sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden, moet worden beoordeeld of dit ook reden geeft om terug te komen op de eerdere beslissing. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval in een bestuursrechtelijke procedure een strafrechtelijke vrijspraak aanleiding moet zijn om desgevraagd terug te komen van eerdere besluitvorming, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van dat geval. De rechter toetst inhoudelijk of de nieuwe informatie aanleiding geeft voor het Uwv om terug te komen op de eerdere beslissing. 7.2. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de rechtbank niettemin aan de hand van wat eiser heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het evident onredelijk is om niet terug te komen op het besluit. 7.3.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:794 text/xml public 2026-03-19T10:39:57 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-24 UTR 25/4994 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:794 text/html public 2026-03-19T10:38:51 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:794 Rechtbank Midden-Nederland , 24-02-2026 / UTR 25/4994 Verzoek om herziening van de beslissing tot terugvordering van WW, ZW en toeslagen. Vrijspraak door politierechter is een novum. Voldoende verband tussen de strafrechtelijke procedure en de voorliggende bestuursrechtelijke procedure. Op grond van de in artikel 6, tweede lid, EVRM vervatte onschuldpresumptie mogen de rechterlijke en andere autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak. Rechtbank oordeelt dat de vrijspraak geen reden is om terug te komen op de beslissing tot terugvordering. De vrijspraak is opgenomen in een aantekening mondeling vonnis (amv). Uit de amv blijkt niet waarom eiser is vrijgesproken en kan niet de conclusie worden getrokken dat de bestuursrechtelijke beslissing tot terugvordering niet in stand kan blijven. De gevolgen van de onduidelijkheid over de motivering van de vrijspraak moeten voor rekening van eiser komen. Het is immers aan eiser om bij een verzoek om herziening aannemelijk te maken dat sprake is van een nieuw gebleken feit dat aanleiding geeft om op de beslissing terug te komen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4994 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.M.P.M. Adank) en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het Uwv (gemachtigde: mr. J.A. Voorn) Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om herziening van de beslissing tot terugvordering van de uitkering van eiser op grond van de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en Toeslagenwet (TW). Eiser heeft om herziening verzocht omdat hij is vrijgesproken door de politierechter. Eiser is het niet eens met de weigering van het Uwv om terug te komen op de beslissing tot terugvordering. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft beslist dat er geen reden is om terug te komen op de eerder beslissing. Uit de aantekening mondeling vonnis blijkt niet waarom eiser is vrijgesproken en kan niet de conclusie worden getrokken dat de bestuursrechtelijke beslissing tot terugvordering niet in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Het Uwv heeft in de beslissing op bezwaar van 18 februari 2019 beslist dat eiser niet als werknemer in de zin van de sociale zekerheidswetten te beschouwen is omdat sprake was van een gefingeerd dienstverband. Met de beslissing van 18 februari 2019 heeft het Uwv daarom de te veel betaalde WW-uitkering en toeslagen (€ 21.695,80) en ZW-uitkering en toeslagen (€ 5.400,21) van eiser teruggevorderd. 2.1. Eiser heeft op 12 november 2024 een verzoek om herziening van de beslissing van 18 februari 2019 gedaan. Aan het herzieningsverzoek legt eiser ten grondslag dat hij op 11 januari 2023 door de politierechter is vrijgesproken van valsheid in geschrifte. 2.2. Op 23 januari 2025 heeft het Uwv het herzieningsverzoek afgewezen. Het Uwv heeft daaraan ten grondslag gelegd dat een enkele verwijzing naar het vonnis van de politierechter niet voldoende is voor de beoordeling van een herzieningsverzoek. 2.3. Eiser heeft bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 17 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij de beslissing tot afwijzing van het herzieningsverzoek gebleven. 2.4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv. Verder was een tolk in de Turkse taal, B. Epözdemir, aanwezig. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht heeft beslist dat er geen aanleiding is om terug te komen op de eerdere beslissing tot terugvordering van teveel betaalde WW-uitkering, ZW-uitkering en toeslagen. Kwijtschelding 4. Het Uwv heeft op de zitting van 4 december 2025 laten weten dat op 5 augustus 2025 de resterende terugvorderingsschuld van eiser door het Uwv ambtshalve is kwijtgescholden. Eiser heeft tot die tijd zijn maandelijkse betalingen van € 67,-- verricht. 4.1. Eiser heeft op de zitting bevestigd dat kwijtschelding heeft plaatsgevonden. Hij heeft erop gewezen dat de beslissing van het Uwv ook tot gevolg heeft gehad dat hij de afgelopen jaren geen recht heeft gehad op een uitkering op grond van de werknemersverzekeringswetten, omdat hij niet als werknemer werd aangemerkt. Omdat hij niet als werknemer wordt beschouwd, kan hij geen ziekmelding doen en inmiddels is hij wel ziek geworden. Bovendien heeft eiser de afgelopen jaren maandelijkse aflossingen verricht. 4.2. De rechtbank is van oordeel dat eiser ondanks de kwijtschelding van de resterende schuld een belang heeft bij beoordeling van zijn beroep. Wat is er in de beslissing van 18 februari 2019 beslist? 5. Eiser verzoekt het Uwv om herziening van de beslissing van 18 februari 2019. Het Uwv heeft in de beslissing op het bezwaar van eiser beslist dat de teveel betaalde WW-uitkering, ZW-uitkering en toeslagen van eiser worden teruggevorderd, omdat eiser niet als werknemer te beschouwen is omdat sprake was van een gefingeerd dienstverband. Het Uwv heeft dit vastgesteld op basis van feiten en omstandigheden die naar voren zin gekomen in een onderzoek van de Inspectie SZW en van de afdeling Handhaving van het Uwv. Waarom vraagt eiser het Uwv om op deze beslissing terug te komen? 6. Eiser verzoekt om herziening omdat hij zegt dat hij wel werknemer was, omdat hij werkte als [functie] voor [bedrijf 1] . Eiser heeft in het strafrechtelijk onderzoek in eerste instantie verklaard dat hij voor [bedrijf 2] werkte als [functie] en dat hij schoonmaakte op tankstations. Eiser heeft in de strafrechtelijke procedure bij de politierechter in september 2018 verklaard dat hij deze verklaring onder druk van [bedrijf 1] heeft afgelegd en dat hij in werkelijkheid voor [bedrijf 1] werkte als [functie] en dat hij schoonmaakte in chalets/vakantiehuisjes. Dit heeft in het strafrechtelijk onderzoek aanleiding gegeven voor het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen. Blijkens de aantekening mondeling vonnis (amv) is eiser op 11 januari 2023 door de politierechter vrijgesproken van valsheid in geschrifte. Toetsingskader 7. Het gaat in deze procedure om een herzieningsverzoek. Dat betekent dat eiser nieuwe feiten of omstandigheden moet aanvoeren als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden – voor zover hier van belang – verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. 7.1. Als sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden, moet worden beoordeeld of dit ook reden geeft om terug te komen op de eerdere beslissing. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval in een bestuursrechtelijke procedure een strafrechtelijke vrijspraak aanleiding moet zijn om desgevraagd terug te komen van eerdere besluitvorming, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van dat geval. De rechter toetst inhoudelijk of de nieuwe informatie aanleiding geeft voor het Uwv om terug te komen op de eerdere beslissing. 7.2. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de rechtbank niettemin aan de hand van wat eiser heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het evident onredelijk is om niet terug te komen op het besluit. 7.3.
Volledig
De rechtbank overweegt dat uit artikel 6 EVRM en de rechtspraak van het EHRM voortvloeit dat het publieke organen en autoriteiten niet is toegestaan om na een strafrechtelijke vrijspraak in een latere bestuursrechtelijke procedure alsnog twijfels te uiten over de onschuld van een betrokkene ten aanzien van het feit waarvan hij is vrijgesproken. Voor een geslaagd beroep op dit aspect van de onschuldpresumptie dient de betrokkene te stellen en te bewijzen dat een voldoende verband bestaat tussen de strafrechtelijke procedure en de latere bejegening door een bestuurlijke autoriteit of de latere gerechtelijke procedure. Voorts vloeit uit de rechtspraak van het EHRM voort dat een voldoende band op zichzelf niet voldoende is voor de conclusie dat het oordeel van de strafrechter eraan in de weg staat dat in een latere bestuursrechtelijke procedure de gedragingen waarvan de betrokkene is vrijgesproken bewezen worden verklaard. Maar wel is van belang dat de rechterlijke en andere autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel dienen te doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak van wat de betrokkene in de strafzaak werd verweten. Is de vrijspraak een novum? 8. Eiser voert als reden voor het herzieningsverzoek aan dat de vrijspraak door de politierechter een nieuw feit is. 8.1. Het Uwv stelt dat een strafrechtelijk oordeel op zich, dat later dan de beslissing van het Uwv volgt, niet als een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht is te beschouwen. 8.2. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden – voor zover hier van belang – verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de vrijspraak door de politierechter, gelet op de datum ervan die na het oorspronkelijke besluit ligt, een nieuw gebleken feit is. Het Uwv heeft in het bestreden besluit daarom ten onrechte geconstateerd dat de vrijspraak geen nieuw gebleken nieuw feit is. Dit heeft echter geen gevolgen voor de beoordeling van het beroep. Het Uwv heeft in het bestreden besluit namelijk wel inhoudelijk beoordeeld of de door eiser aangedragen feiten en omstandigheden aanleiding geven om terug te komen op de eerdere beslissing. Geeft de vrijspraak reden om anders te beslissen? 9. Eiser voert aan dat de vrijspraak reden is om terug te komen op de beslissing tot terugvordering. In het herzieningsverzoek heeft eiser toegelicht dat het Openbaar Ministerie zich in de strafzaak op het standpunt heeft gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan fraude. De politierechter heeft eiser vrijgesproken. Bij het herzieningsverzoek heeft eiser de aantekening mondeling vonnis en de tenlastelegging gevoegd en voor het overige verwezen naar de stukken die bij het bezwaarschrift van 26 september 2018 waren gevoegd. 9.1. Het Uwv vindt de enkele verwijzing naar het vonnis van de politierechter niet voldoende reden is om de beslissing te herzien. Het Uwv stelt dat uit het onderzoek van het Uwv volgt dat eiser geen arbeid heeft verricht bij [bedrijf 1] . De vragen die het Uwv tijdens het onderzoek aan eiser heeft gesteld over zijn werkzaamheden zijn onbeantwoord gebleven. Het is aan eiser om aan te tonen wat de feitelijke situatie was. 9.2. De rechtbank stelt vast dat eiser vóór het hoorgesprek van 7 februari 2019 al naar voren heeft gebracht dat zijn eerdere verklaring, dat hij werkte voor [bedrijf 2] als [functie] in tankstations, onjuist was en dat hij in werkelijkheid werkte voor [bedrijf 1] als [functie] in vakantiehuisjes. Dit standpunt is derhalve niet nieuw en is door het Uwv destijds ook al betrokken in de beslissing van 18 februari 2019. Wat wel nieuw is, is de strafrechtelijke vrijspraak door de politierechter. 9.3. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in dit geval voldoende verband tussen de strafrechtelijke procedure, die heeft geleid tot het mondeling vonnis, en de voorliggende bestuursrechtelijke procedure, waarin het verzoek van eiser om terug te komen van de oorspronkelijke besluiten ter beoordeling staat. Wat eiser ten laste was gelegd en waarvan de politierechter eiser heeft vrijgesproken is immers gebaseerd op hetzelfde feitencomplex als dat wat heeft geleid tot de oorspronkelijke besluiten. Dit betekent dat op grond van de in artikel 6, tweede lid, EVRM vervatte onschuldpresumptie de rechterlijke en andere autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel mogen doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak van wat de betrokkene in de strafzaak werd verweten. 9.4. De rechtbank is van oordeel dat de vrijspraak geen reden is om terug te komen op de beslissing tot terugvordering. Daarbij betrekt de rechtbank het volgende. De vrijspraak is opgenomen in een aantekening mondeling vonnis (amv). Uit de tenlastelegging in de strafzaak blijkt dat aan eiser was tenlastegelegd dat hij zich in de periode van 1 april 2015 tot en met 1 november 2015 schuldig heeft gemaakt aan het (laten) opmaken en (laten) gebruikmaken van valse stukken. De amv vermeldt als beslissing uitsluitend “vrijspraak”. Uit de amv blijkt niet wat de redenen voor de vrijspraak zijn geweest. Daarom kan de stelling van eiser dat hij is vrijgesproken omdat hij wel voor [bedrijf 1] heeft gewerkt, niet worden gevolgd. Eiser geeft aan dat de officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak en dat de politierechter daarom de vrijspraak niet hoefde te motiveren. De rechtbank overweegt op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat het op de weg van eiser had gelegen om te verzoeken om motivering van de vrijspraak op grond van artikel 378, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De gevolgen van de onduidelijkheid over de motivering van de vrijspraak moeten voor rekening van eiser komen. Het is immers aan eiser om bij een verzoek om herziening aannemelijk te maken dat sprake is van een nieuw gebleken feit dat aanleiding geeft om op de beslissing terug te komen. De enkele vrijspraak zonder nadere motivering of duiding is daarvoor onvoldoende. De rechtbank wijst erop dat eiser ook geen andere stukken heeft ingebracht op basis waarvan de bestuursrechter de conclusie kan trekken dat de strafrechtelijke vrijspraak betekent dat de bestuursrechtelijke beslissing niet langer in stand kan blijven. Deze beroepsgrond slaagt niet. 9.5. Voorts kan in dit geval niet worden vastgesteld dat het bestreden besluit in strijd met artikel 6, tweede lid, van het EVRM, twijfel oproept over de juistheid van de gronden van de vrijspraak. De rechtbank wijst er in dat verband op dat in de strafrechtelijke procedure andere rechtsvragen voorlagen en ook andere bewijsregels van toepassing waren dan in de onderhavige bestuursrechtelijke procedure. In de strafzaak ging het om aan eiser tenlastegelegde strafbare feiten, namelijk valsheid in geschrifte. In de hier voorliggende zaak gaat het erom of eiser als werknemer is te beschouwen in de zin van deze sociale verzekeringswetten. Is het bestreden besluit evident onredelijk? 10. In wat eiser heeft aangevoerd wordt ook geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv de eerdere beslissing niet hoeft te herzien. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van J.B. Thépass, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
Volledig
De rechtbank overweegt dat uit artikel 6 EVRM en de rechtspraak van het EHRM voortvloeit dat het publieke organen en autoriteiten niet is toegestaan om na een strafrechtelijke vrijspraak in een latere bestuursrechtelijke procedure alsnog twijfels te uiten over de onschuld van een betrokkene ten aanzien van het feit waarvan hij is vrijgesproken. Voor een geslaagd beroep op dit aspect van de onschuldpresumptie dient de betrokkene te stellen en te bewijzen dat een voldoende verband bestaat tussen de strafrechtelijke procedure en de latere bejegening door een bestuurlijke autoriteit of de latere gerechtelijke procedure. Voorts vloeit uit de rechtspraak van het EHRM voort dat een voldoende band op zichzelf niet voldoende is voor de conclusie dat het oordeel van de strafrechter eraan in de weg staat dat in een latere bestuursrechtelijke procedure de gedragingen waarvan de betrokkene is vrijgesproken bewezen worden verklaard. Maar wel is van belang dat de rechterlijke en andere autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel dienen te doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak van wat de betrokkene in de strafzaak werd verweten. Is de vrijspraak een novum? 8. Eiser voert als reden voor het herzieningsverzoek aan dat de vrijspraak door de politierechter een nieuw feit is. 8.1. Het Uwv stelt dat een strafrechtelijk oordeel op zich, dat later dan de beslissing van het Uwv volgt, niet als een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht is te beschouwen. 8.2. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden – voor zover hier van belang – verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de vrijspraak door de politierechter, gelet op de datum ervan die na het oorspronkelijke besluit ligt, een nieuw gebleken feit is. Het Uwv heeft in het bestreden besluit daarom ten onrechte geconstateerd dat de vrijspraak geen nieuw gebleken nieuw feit is. Dit heeft echter geen gevolgen voor de beoordeling van het beroep. Het Uwv heeft in het bestreden besluit namelijk wel inhoudelijk beoordeeld of de door eiser aangedragen feiten en omstandigheden aanleiding geven om terug te komen op de eerdere beslissing. Geeft de vrijspraak reden om anders te beslissen? 9. Eiser voert aan dat de vrijspraak reden is om terug te komen op de beslissing tot terugvordering. In het herzieningsverzoek heeft eiser toegelicht dat het Openbaar Ministerie zich in de strafzaak op het standpunt heeft gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan fraude. De politierechter heeft eiser vrijgesproken. Bij het herzieningsverzoek heeft eiser de aantekening mondeling vonnis en de tenlastelegging gevoegd en voor het overige verwezen naar de stukken die bij het bezwaarschrift van 26 september 2018 waren gevoegd. 9.1. Het Uwv vindt de enkele verwijzing naar het vonnis van de politierechter niet voldoende reden is om de beslissing te herzien. Het Uwv stelt dat uit het onderzoek van het Uwv volgt dat eiser geen arbeid heeft verricht bij [bedrijf 1] . De vragen die het Uwv tijdens het onderzoek aan eiser heeft gesteld over zijn werkzaamheden zijn onbeantwoord gebleven. Het is aan eiser om aan te tonen wat de feitelijke situatie was. 9.2. De rechtbank stelt vast dat eiser vóór het hoorgesprek van 7 februari 2019 al naar voren heeft gebracht dat zijn eerdere verklaring, dat hij werkte voor [bedrijf 2] als [functie] in tankstations, onjuist was en dat hij in werkelijkheid werkte voor [bedrijf 1] als [functie] in vakantiehuisjes. Dit standpunt is derhalve niet nieuw en is door het Uwv destijds ook al betrokken in de beslissing van 18 februari 2019. Wat wel nieuw is, is de strafrechtelijke vrijspraak door de politierechter. 9.3. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in dit geval voldoende verband tussen de strafrechtelijke procedure, die heeft geleid tot het mondeling vonnis, en de voorliggende bestuursrechtelijke procedure, waarin het verzoek van eiser om terug te komen van de oorspronkelijke besluiten ter beoordeling staat. Wat eiser ten laste was gelegd en waarvan de politierechter eiser heeft vrijgesproken is immers gebaseerd op hetzelfde feitencomplex als dat wat heeft geleid tot de oorspronkelijke besluiten. Dit betekent dat op grond van de in artikel 6, tweede lid, EVRM vervatte onschuldpresumptie de rechterlijke en andere autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel mogen doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak van wat de betrokkene in de strafzaak werd verweten. 9.4. De rechtbank is van oordeel dat de vrijspraak geen reden is om terug te komen op de beslissing tot terugvordering. Daarbij betrekt de rechtbank het volgende. De vrijspraak is opgenomen in een aantekening mondeling vonnis (amv). Uit de tenlastelegging in de strafzaak blijkt dat aan eiser was tenlastegelegd dat hij zich in de periode van 1 april 2015 tot en met 1 november 2015 schuldig heeft gemaakt aan het (laten) opmaken en (laten) gebruikmaken van valse stukken. De amv vermeldt als beslissing uitsluitend “vrijspraak”. Uit de amv blijkt niet wat de redenen voor de vrijspraak zijn geweest. Daarom kan de stelling van eiser dat hij is vrijgesproken omdat hij wel voor [bedrijf 1] heeft gewerkt, niet worden gevolgd. Eiser geeft aan dat de officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak en dat de politierechter daarom de vrijspraak niet hoefde te motiveren. De rechtbank overweegt op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat het op de weg van eiser had gelegen om te verzoeken om motivering van de vrijspraak op grond van artikel 378, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De gevolgen van de onduidelijkheid over de motivering van de vrijspraak moeten voor rekening van eiser komen. Het is immers aan eiser om bij een verzoek om herziening aannemelijk te maken dat sprake is van een nieuw gebleken feit dat aanleiding geeft om op de beslissing terug te komen. De enkele vrijspraak zonder nadere motivering of duiding is daarvoor onvoldoende. De rechtbank wijst erop dat eiser ook geen andere stukken heeft ingebracht op basis waarvan de bestuursrechter de conclusie kan trekken dat de strafrechtelijke vrijspraak betekent dat de bestuursrechtelijke beslissing niet langer in stand kan blijven. Deze beroepsgrond slaagt niet. 9.5. Voorts kan in dit geval niet worden vastgesteld dat het bestreden besluit in strijd met artikel 6, tweede lid, van het EVRM, twijfel oproept over de juistheid van de gronden van de vrijspraak. De rechtbank wijst er in dat verband op dat in de strafrechtelijke procedure andere rechtsvragen voorlagen en ook andere bewijsregels van toepassing waren dan in de onderhavige bestuursrechtelijke procedure. In de strafzaak ging het om aan eiser tenlastegelegde strafbare feiten, namelijk valsheid in geschrifte. In de hier voorliggende zaak gaat het erom of eiser als werknemer is te beschouwen in de zin van deze sociale verzekeringswetten. Is het bestreden besluit evident onredelijk? 10. In wat eiser heeft aangevoerd wordt ook geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv de eerdere beslissing niet hoeft te herzien. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van J.B. Thépass, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.