Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-01-16
ECLI:NL:RBMNE:2026:777
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
4,087 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:777 text/xml public 2026-03-05T09:04:17 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-16 C/16/598918 / JE RK 25-1342 Uitspraak Beschikking NL Utrecht Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:777 text/html public 2026-03-05T09:03:10 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:777 Rechtbank Midden-Nederland , 16-01-2026 / C/16/598918 / JE RK 25-1342 Verlenging machtiging uithuisplaatsing. Eerder zorgen van kinderrechter of middel van uithuisplaatsing niet eerder was dan de kwaal, nu het met minderjarige van 8 niet beter ging (ECLI:NL:RBMNE:2025:7372). GI is daadkrachtig tewerk gegaan in korte tijd. Heeft het Regionale Omdenk- en Expertteam betrokken, een multidisciplinair overleg waarin vastgelopen of complexe jeugdzorgcasussen worden besproken. Daarnaast is het Centrum voor Consultatie en Expertise aangesloten. GI heeft goed onderbouwd dat thuisplaatsing nu niet kan en waarop wordt ingezet tijdens de verdere uithuisplaatsing. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familie- en Jeugdrecht, locatie Utrecht Zaaknummer: C/16/598918 / JE RK 25-1342 Datum uitspraak: 16 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland , gevestigd in Utrecht, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] , [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] , advocaat mr. H. Hooijer. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter verwijst voor de procedure tot aan 17 oktober 2025 naar de beschikking van die datum. De kinderrechter heeft daarna op 7 januari 2026 een bericht van de GI (met bijlagen) ontvangen. 1.2. De zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2026. Daarbij waren aanwezig: de advocaat van van de vader; de moeder; - [A] , namens de GI. De vader is niet naar de zitting gekomen. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] dit keer niet naar zijn mening gevraagd. De kinderrechter had hem voor de vorige mondelinge behandeling al een uitnodiging gestuurd. [minderjarige] heeft toen geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder hebben het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft bij [organisatie] in [plaats] . 2.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] bij beschikking van 25 april 2024 onder toezicht gesteld van de GI tot 25 april 2025. De kinderrechter heeft toen ook een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De ondertoezichtstelling is voor het laatst verlengd bij beschikking van 7 april 2025 tot 25 april 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing is voor het laatst verlengd bij beschikking van 17 oktober 2025 tot 25 januari 2026, met aanhouding van het resterende deel van het verzoek. 3 Waar de procedure over gaat 3.1. De GI heeft op 28 augustus 2025 verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kinderrechter heeft bij de beschikking van 17 oktober 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd met drie maanden. Het overige deel heeft de kinderrechter aangehouden. Dat betekent dat de kinderrechter nu nog een beslissing moet nemen over de vraag of de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd moet worden tot 25 april 2026. 3.2. De GI vindt dat die verlenging nodig is en handhaaft het resterende deel van het verzoek. 3.3. De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek. 3.4. De vader is het niet eens met het verzoek van de GI. Hij wil dat [minderjarige] zo snel mogelijk bij de moeder, of anders bij de vader, wordt teruggeplaatst. Volgens de vader is de uithuisplaatsing niet in het belang van [minderjarige] . 4 De beoordeling De beslissing 4.1. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen tot 25 april 2026. Zij verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Hierna legt de kinderrechter de beslissing uit. De machtiging tot uithuisplaatsing 4.2. De kinderrechter heeft bij beschikking van 17 oktober 2025 de GI de opdracht gegeven om te beoordelen wat het meest in het belang is van [minderjarige] : een langere uithuisplaatsing of een andere koers zoals bijvoorbeeld een thuisplaatsing met intensieve ondersteuning. Als de GI tot de conclusie zou komen dat een langere uithuisplaatsing noodzakelijk is, wilde de kinderrechter van de GI een duidelijk plan voor de komende periode ontvangen. 4.3. De kinderrechter constateert dat de GI in de afgelopen periode hard heeft gewerkt. De GI heeft een aanmelding gedaan bij ROEL (het Regionale Omdenk- en Expertteam van Lekstroom). ROEL is een multidisciplinair overleg waarin vastgelopen of complexe jeugdzorgcasussen worden besproken. Tijdens het ROEL is ook het CCE (Centrum voor Consultatie en Expertise) aangesloten. 4.4. Het ROEL heeft CLASH-H-behandeling geadviseerd. Daar is [minderjarige] inmiddels ook voor aangemeld. CLAS-H is een systemische therapie die gericht is op het doorbreken van schadelijke patronen binnen gezinnen, vooral in situaties van huiselijk geweld, seksueel misbruik of seksueel grensoverschrijdend gedrag. Volgens het ROEL is het voor [minderjarige] belangrijk dat deze therapie gevolgd wordt. De moeder heeft toegezegd dat zij hieraan zal meewerken. De bereidheid van de vader is nog onduidelijk. De kinderrechter benadrukt via deze weg dat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] heel belangrijk is dat de vader gaat deelnemen. 4.5. Thuisplaatsing van [minderjarige] (met intensieve hulpverlening) is volgens het ROEL nu te risicovol. De kinderrechter kan dat volgen. Ten eerste is het risico te groot dat bij thuisplaatsing de huidige spanningen en gedragsproblemen van [minderjarige] zich van de groep naar thuis verplaatsen. Een thuisplaatsing zal dan voor veel onrust zorgen bij [minderjarige] , terwijl de problematiek vermoedelijk niet zal verminderen. Dat is niet in het belang van [minderjarige] . De trauma’s van [minderjarige] en de doorwerking daarvan in de thuissituatie zijn nog onvoldoende behandeld. Verder is een langere uithuisplaatsing noodzakelijk om te zorgen dat de therapie voor [minderjarige] van de grond komt. Het is namelijk onduidelijk of de moeder, en de rest van het systeem, de opvoedvraag van [minderjarige] en de gevolgen van de therapie op het gedrag van [minderjarige] nu aankunnen. Daarin wordt ook meegewogen dat er eerder een patroon was van escalaties. Het risico op behandeluitval van [minderjarige] , met alle gevolgen van dien, is vervolgens heel groot. 4.6. De kinderrechter kan de GI volgen in de opvatting dat er eerst behandeling moet komen voor het perspectief bepaald kan worden. Hoe de behandeling zich verhoudt tot een perspectiefonderzoek is maatwerk en zal steeds opnieuw beoordeeld moeten worden. De kinderrechter complimenteert de jeugdbeschermer. De kinderrechter realiseert zich dat zij de jeugdbeschermer met een ingewikkelde opdracht ‘op pad’ heeft gestuurd, en dat heeft de jeugdbeschermer zeer kordaat opgepakt. Het is zoeken wat [minderjarige] nodig heeft en hoe hij het beste geholpen kan worden. Het is fijn om te zien dat de jeugdbeschermer steeds opnieuw blijft zoeken naar nieuwe wegen om dat te doen. Daarmee wordt in deze moeilijke situatie het meest recht gedaan aan [minderjarige] . 4.7. De kinderrechter begrijpt dat deze conclusie van de ouders (wederom) veel flexibiliteit vraagt. Het is knap dat de moeder, ondanks de vele tegenslagen, nog steeds haar schouders eronder zet en dat de verhouding tussen moeder en de jeugdbeschermer is verbeterd. De kinderrechter hoopt dat de ouders vertrouwen putten uit het feit dat er nu een plan ligt voor de komende periode. 4.8.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:777 text/xml public 2026-03-05T09:04:17 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-16 C/16/598918 / JE RK 25-1342 Uitspraak Beschikking NL Utrecht Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:777 text/html public 2026-03-05T09:03:10 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:777 Rechtbank Midden-Nederland , 16-01-2026 / C/16/598918 / JE RK 25-1342 Verlenging machtiging uithuisplaatsing. Eerder zorgen van kinderrechter of middel van uithuisplaatsing niet eerder was dan de kwaal, nu het met minderjarige van 8 niet beter ging (ECLI:NL:RBMNE:2025:7372). GI is daadkrachtig tewerk gegaan in korte tijd. Heeft het Regionale Omdenk- en Expertteam betrokken, een multidisciplinair overleg waarin vastgelopen of complexe jeugdzorgcasussen worden besproken. Daarnaast is het Centrum voor Consultatie en Expertise aangesloten. GI heeft goed onderbouwd dat thuisplaatsing nu niet kan en waarop wordt ingezet tijdens de verdere uithuisplaatsing. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familie- en Jeugdrecht, locatie Utrecht Zaaknummer: C/16/598918 / JE RK 25-1342 Datum uitspraak: 16 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland , gevestigd in Utrecht, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] , [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] , advocaat mr. H. Hooijer. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter verwijst voor de procedure tot aan 17 oktober 2025 naar de beschikking van die datum. De kinderrechter heeft daarna op 7 januari 2026 een bericht van de GI (met bijlagen) ontvangen. 1.2. De zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2026. Daarbij waren aanwezig: de advocaat van van de vader; de moeder; - [A] , namens de GI. De vader is niet naar de zitting gekomen. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] dit keer niet naar zijn mening gevraagd. De kinderrechter had hem voor de vorige mondelinge behandeling al een uitnodiging gestuurd. [minderjarige] heeft toen geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder hebben het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft bij [organisatie] in [plaats] . 2.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] bij beschikking van 25 april 2024 onder toezicht gesteld van de GI tot 25 april 2025. De kinderrechter heeft toen ook een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De ondertoezichtstelling is voor het laatst verlengd bij beschikking van 7 april 2025 tot 25 april 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing is voor het laatst verlengd bij beschikking van 17 oktober 2025 tot 25 januari 2026, met aanhouding van het resterende deel van het verzoek. 3 Waar de procedure over gaat 3.1. De GI heeft op 28 augustus 2025 verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kinderrechter heeft bij de beschikking van 17 oktober 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd met drie maanden. Het overige deel heeft de kinderrechter aangehouden. Dat betekent dat de kinderrechter nu nog een beslissing moet nemen over de vraag of de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd moet worden tot 25 april 2026. 3.2. De GI vindt dat die verlenging nodig is en handhaaft het resterende deel van het verzoek. 3.3. De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek. 3.4. De vader is het niet eens met het verzoek van de GI. Hij wil dat [minderjarige] zo snel mogelijk bij de moeder, of anders bij de vader, wordt teruggeplaatst. Volgens de vader is de uithuisplaatsing niet in het belang van [minderjarige] . 4 De beoordeling De beslissing 4.1. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen tot 25 april 2026. Zij verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Hierna legt de kinderrechter de beslissing uit. De machtiging tot uithuisplaatsing 4.2. De kinderrechter heeft bij beschikking van 17 oktober 2025 de GI de opdracht gegeven om te beoordelen wat het meest in het belang is van [minderjarige] : een langere uithuisplaatsing of een andere koers zoals bijvoorbeeld een thuisplaatsing met intensieve ondersteuning. Als de GI tot de conclusie zou komen dat een langere uithuisplaatsing noodzakelijk is, wilde de kinderrechter van de GI een duidelijk plan voor de komende periode ontvangen. 4.3. De kinderrechter constateert dat de GI in de afgelopen periode hard heeft gewerkt. De GI heeft een aanmelding gedaan bij ROEL (het Regionale Omdenk- en Expertteam van Lekstroom). ROEL is een multidisciplinair overleg waarin vastgelopen of complexe jeugdzorgcasussen worden besproken. Tijdens het ROEL is ook het CCE (Centrum voor Consultatie en Expertise) aangesloten. 4.4. Het ROEL heeft CLASH-H-behandeling geadviseerd. Daar is [minderjarige] inmiddels ook voor aangemeld. CLAS-H is een systemische therapie die gericht is op het doorbreken van schadelijke patronen binnen gezinnen, vooral in situaties van huiselijk geweld, seksueel misbruik of seksueel grensoverschrijdend gedrag. Volgens het ROEL is het voor [minderjarige] belangrijk dat deze therapie gevolgd wordt. De moeder heeft toegezegd dat zij hieraan zal meewerken. De bereidheid van de vader is nog onduidelijk. De kinderrechter benadrukt via deze weg dat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] heel belangrijk is dat de vader gaat deelnemen. 4.5. Thuisplaatsing van [minderjarige] (met intensieve hulpverlening) is volgens het ROEL nu te risicovol. De kinderrechter kan dat volgen. Ten eerste is het risico te groot dat bij thuisplaatsing de huidige spanningen en gedragsproblemen van [minderjarige] zich van de groep naar thuis verplaatsen. Een thuisplaatsing zal dan voor veel onrust zorgen bij [minderjarige] , terwijl de problematiek vermoedelijk niet zal verminderen. Dat is niet in het belang van [minderjarige] . De trauma’s van [minderjarige] en de doorwerking daarvan in de thuissituatie zijn nog onvoldoende behandeld. Verder is een langere uithuisplaatsing noodzakelijk om te zorgen dat de therapie voor [minderjarige] van de grond komt. Het is namelijk onduidelijk of de moeder, en de rest van het systeem, de opvoedvraag van [minderjarige] en de gevolgen van de therapie op het gedrag van [minderjarige] nu aankunnen. Daarin wordt ook meegewogen dat er eerder een patroon was van escalaties. Het risico op behandeluitval van [minderjarige] , met alle gevolgen van dien, is vervolgens heel groot. 4.6. De kinderrechter kan de GI volgen in de opvatting dat er eerst behandeling moet komen voor het perspectief bepaald kan worden. Hoe de behandeling zich verhoudt tot een perspectiefonderzoek is maatwerk en zal steeds opnieuw beoordeeld moeten worden. De kinderrechter complimenteert de jeugdbeschermer. De kinderrechter realiseert zich dat zij de jeugdbeschermer met een ingewikkelde opdracht ‘op pad’ heeft gestuurd, en dat heeft de jeugdbeschermer zeer kordaat opgepakt. Het is zoeken wat [minderjarige] nodig heeft en hoe hij het beste geholpen kan worden. Het is fijn om te zien dat de jeugdbeschermer steeds opnieuw blijft zoeken naar nieuwe wegen om dat te doen. Daarmee wordt in deze moeilijke situatie het meest recht gedaan aan [minderjarige] . 4.7. De kinderrechter begrijpt dat deze conclusie van de ouders (wederom) veel flexibiliteit vraagt. Het is knap dat de moeder, ondanks de vele tegenslagen, nog steeds haar schouders eronder zet en dat de verhouding tussen moeder en de jeugdbeschermer is verbeterd. De kinderrechter hoopt dat de ouders vertrouwen putten uit het feit dat er nu een plan ligt voor de komende periode. 4.8.