Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-03-18
ECLI:NL:RBMNE:2026:668
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,574 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:668 text/xml public 2026-05-13T11:59:23 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-18 11946746 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:668 text/html public 2026-05-13T11:58:31 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:668 Rechtbank Midden-Nederland , 18-03-2026 / 11946746 Eiser heeft voor gedaagde werkzaamheden verricht en wil met deze procedure bereiken dat gedaagde daarvoor een (restant)bedrag van € 3.616,39 betaalt. Ook vordert eiser rente en kosten. Gedaagde erkent dat hij dit bedrag nog aan eiser moet betalen, maar meent dat hij dit bedrag mag verrekenen met een vordering die hij op eiser heeft vanwege de huur van een kettingzaag. Ook meent gedaagde de rente en kosten niet verschuldigd te zijn. Omdat gedaagde meent dat zijn vordering op eiser hoger is dan het bedrag dat eiser in deze procedure vordert, meent hij na verrekening niets meer aan eiser verschuldigd te zijn. Het verrekeningsverweer van gedaagde slaagt niet. De kantonrechter wijst de vorderingen van eiser daarom toe. Hieronder zal dat worden uitgelegd. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 11946746 \ UC EXPL 25-8471 Vonnis van 18 maart 2026 in de zaak van [eiser] , handelende onder de naam [handelsnaam] , wondende in [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: Armaere Incassospecialisten & Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] B.V. , wonende in [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen: - de dagvaarding met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - een nadere akte van [eiser] met een aanvullende productie. 1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 16 februari 2026. [eiser] is verschenen, vergezeld door zijn partner en bijgestaan door [A] . [gedaagde] is in persoon verschenen. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt. 1.3. Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat vonnis zal worden gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1. [eiser] heeft voor [gedaagde] werkzaamheden verricht en wil met deze procedure bereiken dat [gedaagde] daarvoor een (restant)bedrag van € 3.616,39 betaalt. Ook vordert [eiser] rente en kosten. [gedaagde] erkent dat hij dit bedrag nog aan [eiser] moet betalen, maar meent dat hij dit bedrag mag verrekenen met een vordering die hij op [eiser] heeft vanwege de huur van een kettingzaag. Ook meent [gedaagde] de rente en kosten niet verschuldigd te zijn. Omdat [gedaagde] meent dat zijn vordering op [eiser] hoger is dan het bedrag dat [eiser] in deze procedure vordert, meent hij na verrekening niets meer aan [eiser] verschuldigd te zijn. Het verrekeningsverweer van [gedaagde] slaagt niet. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] daarom toe. Hieronder zal dat worden uitgelegd. 3 De achtergrond van de zaak 3.1. [eiser] en [gedaagde] zijn hoveniers die al meer dan 10 jaar met elkaar samenwerken. Zij schakelen elkaar over en weer in voor klussen die zij zelf binnenhalen, maar die zij niet zelfstandig, dus zonder hulp van een ander, kunnen afronden. Ook schakelen ze elkaar in voor het verzorgen van vast groenonderhoud voor klanten. De gangbare praktijk is dat de partij die door de ander wordt ingeschakeld, de gevraagde werkzaamheden verricht met zijn eigen materiaal en het uurloon voor de werkzaamheden en voor het gebruik van dat materiaal aan de ander doorberekent. Degene die de klus heeft binnengehaald, rekent die kosten dan weer door aan de klant. [eiser] en [gedaagde] spreken hierbij van een zogenoemde business-to-business-relatie (hierna: B2B-relatie), waarbij zij elk kwartaal de gemaakte kosten over en weer aan elkaar doorberekenen. Feitelijk zijn partijen dus doorlopend voor elkaar aan het werk op grond van een overeenkomst van opdracht. 4 De beoordeling [gedaagde] is een bedrag van € 3.616,39 aan [eiser] verschuldigd 4.1. Op de mondelinge behandeling hebben partijen toegelicht dat [eiser] door [gedaagde] is ingeschakeld om het vast groenonderhoud voor het project ‘ [naam 1] ’ en ‘ [naam 2] ’ te verrichten. In dat verband heeft [eiser] een viertal facturen aan [gedaagde] gestuurd, waarmee hij betaling vraagt voor die werkzaamheden voor de maanden maart, april, mei 2025 en (deels) juni 2025. Het gaat in totaal om een bedrag van € 8.665,68, gebaseerd op de facturen met de volgende nummers en bedragen: Factuur 2025607 (€ 3.289,53); Factuur 2025618 (€ 1.759,76); Factuur 2025630 (€ 2.487,28); Factuur 2025635 (€ 1.129,11). 4.2. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat de door [eiser] in de facturen genoemde kosten niet in geschil zijn en dat hij die aan [gedaagde] mocht factureren. Verder is gebleken dat [gedaagde] eerder een deelbetaling van € 5.049,29 heeft gedaan, die zag op de voldoening van de facturen met de nummers 2025607 en 2025618. Dit betekent, nu [gedaagde] heeft erkend dat [eiser] de in de facturen genoemde kosten bij hem mocht factureren, dat [gedaagde] het restantbedrag van € 3.616,39 nog aan [eiser] verschuldigd is. Het verrekeningsverweer van [gedaagde] slaagt niet 4.3. [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat hij ook een vordering op [eiser] heeft. Volgens hem gaat het om een totaalbedrag van € 6.189,15, dat [eiser] aan hem verschuldigd is voor de huur van een kettingzaag voor de periode 19 april 2025 tot en met 27 augustus 2025. Ter onderbouwing van dit bedrag heeft [gedaagde] een tweetal facturen overgelegd. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] in de betreffende periode een kettingzaag van [gedaagde] heeft gekregen en gehouden, maar verschillen van mening over de vraag of daarbij sprake was van (ver)huur. 4.4. Volgens [gedaagde] geeft hij nooit kosteloos materiaal aan derden mee en is het op grond van de tussen hem en [eiser] bestaande B2B-relatie gebruikelijk dat hij kosten voor uitgeleend materiaal in rekening brengt. Op grond daarvan is volgens [gedaagde] dus sprake van (ver)huur van de kettingzaag. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] een voorbeeldfactuur overgelegd, waaruit het in rekening brengen van uitgeleend materiaal blijkt. [eiser] heeft de (ver)huur van de kettingzaag betwist. Volgens [eiser] zou de kettingzaag privé door hem worden gebruikt en heeft hij deze uiteindelijk na één dag al in zijn schuur opgeslagen. [gedaagde] zou namelijk hebben gezegd dat hij wel zou bellen als hij de kettingzaag weer nodig had. Dat duidt – zo begrijpt de kantonrechter – volgens [eiser] op bruikleen. Volgens [eiser] had hij de kettingzaag nooit in zijn schuur opgeslagen als het om (ver)huur zou gaan. 4.5. De kantonrechter stelt voorop dat partijen geen schriftelijke afspraken hebben gemaakt over (ver)huur van de kettingzaag. De (ver)huur zou enkel en alleen moeten worden afgeleid uit de tussen partijen bestaande B2B-relatie. De kantonrechter is op grond van die relatie van oordeel dat van (ver)huur van de kettingzaag geen sprake is. [gedaagde] heeft daardoor onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een tegenvordering, waarmee hij de vordering van [eiser] mag verrekenen. Het verrekeningsverweer slaagt daarom niet. Dit zal hieronder worden uitgelegd. 4.6. Op grond van de B2B-relatie is het gebruikelijk dat partijen over en weer kosten in rekening brengen, waarbij het dan gaat om het uurloon voor verrichte werkzaamheden en het eigen materiaal dat zij daarbij hebben gebruikt. Dit volgt ook uit de door [gedaagde] overgelegde voorbeeldfactuur, waarin hij eerder zijn uurloon in combinatie met de kosten voor het gebruik van zijn eigen ‘mini graver 3 tonner’ en ‘shovel’ aan [eiser] heeft doorberekend. In het geval van de kettingzaag gaat het echter niet om eigen materiaal (in combinatie met eigen gebruik) waarvoor [gedaagde] kosten in rekening brengt. De kettingzaag is namelijk van [gedaagde] en die is gebruikt door [eiser] .
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:668 text/xml public 2026-05-13T11:59:23 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-18 11946746 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:668 text/html public 2026-05-13T11:58:31 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:668 Rechtbank Midden-Nederland , 18-03-2026 / 11946746 Eiser heeft voor gedaagde werkzaamheden verricht en wil met deze procedure bereiken dat gedaagde daarvoor een (restant)bedrag van € 3.616,39 betaalt. Ook vordert eiser rente en kosten. Gedaagde erkent dat hij dit bedrag nog aan eiser moet betalen, maar meent dat hij dit bedrag mag verrekenen met een vordering die hij op eiser heeft vanwege de huur van een kettingzaag. Ook meent gedaagde de rente en kosten niet verschuldigd te zijn. Omdat gedaagde meent dat zijn vordering op eiser hoger is dan het bedrag dat eiser in deze procedure vordert, meent hij na verrekening niets meer aan eiser verschuldigd te zijn. Het verrekeningsverweer van gedaagde slaagt niet. De kantonrechter wijst de vorderingen van eiser daarom toe. Hieronder zal dat worden uitgelegd. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 11946746 \ UC EXPL 25-8471 Vonnis van 18 maart 2026 in de zaak van [eiser] , handelende onder de naam [handelsnaam] , wondende in [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: Armaere Incassospecialisten & Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] B.V. , wonende in [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen: - de dagvaarding met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - een nadere akte van [eiser] met een aanvullende productie. 1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 16 februari 2026. [eiser] is verschenen, vergezeld door zijn partner en bijgestaan door [A] . [gedaagde] is in persoon verschenen. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt. 1.3. Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat vonnis zal worden gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1. [eiser] heeft voor [gedaagde] werkzaamheden verricht en wil met deze procedure bereiken dat [gedaagde] daarvoor een (restant)bedrag van € 3.616,39 betaalt. Ook vordert [eiser] rente en kosten. [gedaagde] erkent dat hij dit bedrag nog aan [eiser] moet betalen, maar meent dat hij dit bedrag mag verrekenen met een vordering die hij op [eiser] heeft vanwege de huur van een kettingzaag. Ook meent [gedaagde] de rente en kosten niet verschuldigd te zijn. Omdat [gedaagde] meent dat zijn vordering op [eiser] hoger is dan het bedrag dat [eiser] in deze procedure vordert, meent hij na verrekening niets meer aan [eiser] verschuldigd te zijn. Het verrekeningsverweer van [gedaagde] slaagt niet. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] daarom toe. Hieronder zal dat worden uitgelegd. 3 De achtergrond van de zaak 3.1. [eiser] en [gedaagde] zijn hoveniers die al meer dan 10 jaar met elkaar samenwerken. Zij schakelen elkaar over en weer in voor klussen die zij zelf binnenhalen, maar die zij niet zelfstandig, dus zonder hulp van een ander, kunnen afronden. Ook schakelen ze elkaar in voor het verzorgen van vast groenonderhoud voor klanten. De gangbare praktijk is dat de partij die door de ander wordt ingeschakeld, de gevraagde werkzaamheden verricht met zijn eigen materiaal en het uurloon voor de werkzaamheden en voor het gebruik van dat materiaal aan de ander doorberekent. Degene die de klus heeft binnengehaald, rekent die kosten dan weer door aan de klant. [eiser] en [gedaagde] spreken hierbij van een zogenoemde business-to-business-relatie (hierna: B2B-relatie), waarbij zij elk kwartaal de gemaakte kosten over en weer aan elkaar doorberekenen. Feitelijk zijn partijen dus doorlopend voor elkaar aan het werk op grond van een overeenkomst van opdracht. 4 De beoordeling [gedaagde] is een bedrag van € 3.616,39 aan [eiser] verschuldigd 4.1. Op de mondelinge behandeling hebben partijen toegelicht dat [eiser] door [gedaagde] is ingeschakeld om het vast groenonderhoud voor het project ‘ [naam 1] ’ en ‘ [naam 2] ’ te verrichten. In dat verband heeft [eiser] een viertal facturen aan [gedaagde] gestuurd, waarmee hij betaling vraagt voor die werkzaamheden voor de maanden maart, april, mei 2025 en (deels) juni 2025. Het gaat in totaal om een bedrag van € 8.665,68, gebaseerd op de facturen met de volgende nummers en bedragen: Factuur 2025607 (€ 3.289,53); Factuur 2025618 (€ 1.759,76); Factuur 2025630 (€ 2.487,28); Factuur 2025635 (€ 1.129,11). 4.2. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat de door [eiser] in de facturen genoemde kosten niet in geschil zijn en dat hij die aan [gedaagde] mocht factureren. Verder is gebleken dat [gedaagde] eerder een deelbetaling van € 5.049,29 heeft gedaan, die zag op de voldoening van de facturen met de nummers 2025607 en 2025618. Dit betekent, nu [gedaagde] heeft erkend dat [eiser] de in de facturen genoemde kosten bij hem mocht factureren, dat [gedaagde] het restantbedrag van € 3.616,39 nog aan [eiser] verschuldigd is. Het verrekeningsverweer van [gedaagde] slaagt niet 4.3. [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat hij ook een vordering op [eiser] heeft. Volgens hem gaat het om een totaalbedrag van € 6.189,15, dat [eiser] aan hem verschuldigd is voor de huur van een kettingzaag voor de periode 19 april 2025 tot en met 27 augustus 2025. Ter onderbouwing van dit bedrag heeft [gedaagde] een tweetal facturen overgelegd. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] in de betreffende periode een kettingzaag van [gedaagde] heeft gekregen en gehouden, maar verschillen van mening over de vraag of daarbij sprake was van (ver)huur. 4.4. Volgens [gedaagde] geeft hij nooit kosteloos materiaal aan derden mee en is het op grond van de tussen hem en [eiser] bestaande B2B-relatie gebruikelijk dat hij kosten voor uitgeleend materiaal in rekening brengt. Op grond daarvan is volgens [gedaagde] dus sprake van (ver)huur van de kettingzaag. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] een voorbeeldfactuur overgelegd, waaruit het in rekening brengen van uitgeleend materiaal blijkt. [eiser] heeft de (ver)huur van de kettingzaag betwist. Volgens [eiser] zou de kettingzaag privé door hem worden gebruikt en heeft hij deze uiteindelijk na één dag al in zijn schuur opgeslagen. [gedaagde] zou namelijk hebben gezegd dat hij wel zou bellen als hij de kettingzaag weer nodig had. Dat duidt – zo begrijpt de kantonrechter – volgens [eiser] op bruikleen. Volgens [eiser] had hij de kettingzaag nooit in zijn schuur opgeslagen als het om (ver)huur zou gaan. 4.5. De kantonrechter stelt voorop dat partijen geen schriftelijke afspraken hebben gemaakt over (ver)huur van de kettingzaag. De (ver)huur zou enkel en alleen moeten worden afgeleid uit de tussen partijen bestaande B2B-relatie. De kantonrechter is op grond van die relatie van oordeel dat van (ver)huur van de kettingzaag geen sprake is. [gedaagde] heeft daardoor onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een tegenvordering, waarmee hij de vordering van [eiser] mag verrekenen. Het verrekeningsverweer slaagt daarom niet. Dit zal hieronder worden uitgelegd. 4.6. Op grond van de B2B-relatie is het gebruikelijk dat partijen over en weer kosten in rekening brengen, waarbij het dan gaat om het uurloon voor verrichte werkzaamheden en het eigen materiaal dat zij daarbij hebben gebruikt. Dit volgt ook uit de door [gedaagde] overgelegde voorbeeldfactuur, waarin hij eerder zijn uurloon in combinatie met de kosten voor het gebruik van zijn eigen ‘mini graver 3 tonner’ en ‘shovel’ aan [eiser] heeft doorberekend. In het geval van de kettingzaag gaat het echter niet om eigen materiaal (in combinatie met eigen gebruik) waarvoor [gedaagde] kosten in rekening brengt. De kettingzaag is namelijk van [gedaagde] en die is gebruikt door [eiser] .
Volledig
Op grond van de B2B-relatie mocht [gedaagde] er daarom niet zonder meer vanuit gaan dat hij kosten bij [eiser] in rekening mocht brengen voor het gebruik van de kettingzaag en dat dus sprake was van (ver)huur. Daarbij komt dat het op grond van de B2B-relatie ook gebruikelijk was dat gemaakte kosten uiteindelijk werden doorbrekend aan een klant. In de door [gedaagde] als voorbeeld overgelegde aantekeningen werd inderdaad een prijs per dag gerekend voor gebruik van (bijvoorbeeld) een bladblazer, maar dan ging het telkens om gebruik op een bepaalde dag en in combinatie met gewerkte uren. Van verhuur/gebruik voor een langere periode is geen voorbeeld overgelegd, dus niet gebleken is dat dit in de relatie tussen partijen is voorgekomen. [eiser] heeft daarnaast aangevoerd dat de kettingzaag privé gebruikt zou worden, wat [gedaagde] niet heeft weersproken. Dat had er voor [gedaagde] op moeten wijzen dat er geen situatie aan de orde was die viel onder hun B2B-relatie, omdat er geen kosten door [eiser] konden worden doorberekend aan een klant. Verder zijn de door [gedaagde] berekende kosten vrij hoog (opgelopen) en is ook dat een indicatie dat van (ver)huur geen sprake was. [gedaagde] heeft namelijk niet weersproken dat [eiser] de kettingzaag feitelijk maar één dag heeft gebruikt en daarna heeft opgeslagen in zijn schuur. Dat zou [eiser] natuurlijk nooit hebben gedaan, als hij ervan uitging dat er huurkosten (die per dag opliepen) mee gemoeid waren. [gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen 4.7. [gedaagde] moet de gevorderde wettelijke handelsrente over het bedrag aan onbetaalde facturen betalen. [eiser] heeft namelijk meerdere keren aan [gedaagde] verzocht om het (volledige) verschuldigde bedrag aan hem te betalen en dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Omdat nergens uit volgt dat de betalingstermijn voor de facturen een overeengekomen termijn betreft, zal de rente worden toegewezen vanaf 30 dagen na de factuurdatum. Omdat [gedaagde] de facturen 2025607 en 2025618 met zijn deelbetaling te laat heeft voldaan, is hij ook over die facturen rente verschuldigd. De rente voor factuur 2025607 zal worden toegewezen over het bedrag € 3.289,53, vanaf 4 mei 2025 tot 1 augustus 2025 (moment van deelbetaling). De rente voor factuur 2025618 zal worden toegewezen over het bedrag € 1.759,76, vanaf 2 juni 2025 tot 1 augustus 2025 (moment van deelbetaling). De rente voor de facturen 2025630 en 2025635 zal worden toegewezen over het bedrag € 2.487,28 vanaf 2 juli 2025 en over het bedrag € 1.129,11 vanaf 27 juli 2025, tot aan de dag van volledige betaling. [gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen 4.8. [eiser] maakt ook aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag (€ 808,28) aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 4.9. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,35 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten × € 288,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.099,35 Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard 4.10. De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt. 5 De beslissing De kantonrechter: 5.1. veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.616,39, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag € 3.289,53, vanaf 4 mei 2025 tot 1 augustus 2025, en over het bedrag € 1.759,76, vanaf 2 juni 2025 tot 1 augustus 2025, alsmede over het bedrag € 2.487,28 vanaf 2 juli 2025 en over het bedrag € 1.129,11 vanaf 27 juli 2025, tot aan de dag van volledige betaling; 5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 808,28 aan buitengerechtelijke incassokosten; 5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.099,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026. LHJ/63796
Volledig
Op grond van de B2B-relatie mocht [gedaagde] er daarom niet zonder meer vanuit gaan dat hij kosten bij [eiser] in rekening mocht brengen voor het gebruik van de kettingzaag en dat dus sprake was van (ver)huur. Daarbij komt dat het op grond van de B2B-relatie ook gebruikelijk was dat gemaakte kosten uiteindelijk werden doorbrekend aan een klant. In de door [gedaagde] als voorbeeld overgelegde aantekeningen werd inderdaad een prijs per dag gerekend voor gebruik van (bijvoorbeeld) een bladblazer, maar dan ging het telkens om gebruik op een bepaalde dag en in combinatie met gewerkte uren. Van verhuur/gebruik voor een langere periode is geen voorbeeld overgelegd, dus niet gebleken is dat dit in de relatie tussen partijen is voorgekomen. [eiser] heeft daarnaast aangevoerd dat de kettingzaag privé gebruikt zou worden, wat [gedaagde] niet heeft weersproken. Dat had er voor [gedaagde] op moeten wijzen dat er geen situatie aan de orde was die viel onder hun B2B-relatie, omdat er geen kosten door [eiser] konden worden doorberekend aan een klant. Verder zijn de door [gedaagde] berekende kosten vrij hoog (opgelopen) en is ook dat een indicatie dat van (ver)huur geen sprake was. [gedaagde] heeft namelijk niet weersproken dat [eiser] de kettingzaag feitelijk maar één dag heeft gebruikt en daarna heeft opgeslagen in zijn schuur. Dat zou [eiser] natuurlijk nooit hebben gedaan, als hij ervan uitging dat er huurkosten (die per dag opliepen) mee gemoeid waren. [gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen 4.7. [gedaagde] moet de gevorderde wettelijke handelsrente over het bedrag aan onbetaalde facturen betalen. [eiser] heeft namelijk meerdere keren aan [gedaagde] verzocht om het (volledige) verschuldigde bedrag aan hem te betalen en dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Omdat nergens uit volgt dat de betalingstermijn voor de facturen een overeengekomen termijn betreft, zal de rente worden toegewezen vanaf 30 dagen na de factuurdatum. Omdat [gedaagde] de facturen 2025607 en 2025618 met zijn deelbetaling te laat heeft voldaan, is hij ook over die facturen rente verschuldigd. De rente voor factuur 2025607 zal worden toegewezen over het bedrag € 3.289,53, vanaf 4 mei 2025 tot 1 augustus 2025 (moment van deelbetaling). De rente voor factuur 2025618 zal worden toegewezen over het bedrag € 1.759,76, vanaf 2 juni 2025 tot 1 augustus 2025 (moment van deelbetaling). De rente voor de facturen 2025630 en 2025635 zal worden toegewezen over het bedrag € 2.487,28 vanaf 2 juli 2025 en over het bedrag € 1.129,11 vanaf 27 juli 2025, tot aan de dag van volledige betaling. [gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen 4.8. [eiser] maakt ook aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag (€ 808,28) aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 4.9. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,35 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten × € 288,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.099,35 Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard 4.10. De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt. 5 De beslissing De kantonrechter: 5.1. veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.616,39, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag € 3.289,53, vanaf 4 mei 2025 tot 1 augustus 2025, en over het bedrag € 1.759,76, vanaf 2 juni 2025 tot 1 augustus 2025, alsmede over het bedrag € 2.487,28 vanaf 2 juli 2025 en over het bedrag € 1.129,11 vanaf 27 juli 2025, tot aan de dag van volledige betaling; 5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 808,28 aan buitengerechtelijke incassokosten; 5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.099,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026. LHJ/63796