Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-08-18
ECLI:NL:RBMNE:2026:5640
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummers: 16-132889-25, 16-223643-25, 16-256593-25 en 16-258657-25 (t.t.z. gevoegd) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 18 augustus 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [1988] in [geboorteplaats] (Turkije), ingeschreven op het adres [adres] , [woonplaats] , hierna: de verdachte. 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 4 augustus 2026. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. M.L. Kruit; de advocaat van de verdachte: mr. F. Visser (hierna: de advocaat). 2 Tenlasteleggingen De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: in de zaak met parketnummer 16-132889-25 op 30 januari 2025 te Blaricum, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem met gebalde vuist tegen de borst te slaan, waardoor die [slachtoffer 1] viel; in de zaak met parketnummer 16-223643-25 op 14 augustus 2025 te Blaricum, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft mishandeld door [slachtoffer 2] een kopstoot te geven en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te slaan; in de zaak met parketnummer 16-256593-25 1. op 12 september 2025 in Blaricum, een verkeersongeval heeft veroorzaakt en de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij wist dat daarbij aan [slachtoffer 4] schade was toegebracht; 2. op 12 september 2025 te Blaricum, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft mishandeld door hen een kopstoot te geven, te slaan en te schoppen; 3. op 28 september 2025 te Blaricum, primair: [slachtoffer 6] zwaar heeft mishandeld door hem een glas in het gezicht te gooien; subsidiair: heeft geprobeerd [slachtoffer 6] zwaar te mishandelen door hem een glas in het gezicht te gooien; meer subsidiair: [slachtoffer 6] heeft mishandeld door hem een glas in het gezicht te gooien; 4. op 28 september 2025 te Blaricum, een verkeersongeval heeft veroorzaakt en de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij wist dat daarbij aan [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] schade was toegebracht; 5. op 28 september 2025 te Blaricum, zich met geweld heeft verzet bij zijn aanhouding tegen [politieagent 1] , [politieagent 2] en [politieagent 3] , politieagenten werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening; in de zaak met parketnummer 16-258657-25 1. op 1 oktober 2025 te Eemnes, diefstal van pakken sigaretten van [bedrijf 1] B.V. gevolgd door bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 7] , door een schroevendraaier te tonen en daarmee te zwaaien en stekende bewegingen te maken; 2. op 1 oktober 2025 te Blaricum, diefstal van een fatbike van [benadeelde 4] ; 3. op 1 oktober 2025 te Blaricum, bedreiging van [benadeelde 4] door een schroevendraaier te tonen en daarmee te zwaaien en stekende bewegingen te maken. De volledige tekst van de beschuldigingen staat in bijlage I bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de zaak met parketnummer 16-256593-25 onder 3. primair, maar het subsidiair tenlastegelegde is (wel) te bewijzen. Ook is te bewijzen dat verdachte al de overige tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. De onderbouwing van het standpunt van de officier van justitie wordt – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken in paragraaf 3.3.3. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken in de zaak met parketnummer 16-256593-25 onder 1. en 4. van het toebrengen van letsel; in de zaak met parketnummer 16-256593-25 onder 3. van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde, omdat aannemelijk is dat verdachte met het glas heeft ‘geslagen’, terwijl ‘gooien’ is tenlastegelegd; Verder dient de verdachte van het onder 3 primair te worden vrijgesproken omdat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 6] . De advocaat heeft zich voor het overige wat h op 28 september 2025 te Blaricum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 6] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een glas tegen het hoofd van die [slachtoffer 6] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 4. als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Blaricum op/aan de [straat] en/of de [straat] , op 28 september 2025 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist aan een of meer anderen te weten [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] schade was toegebracht; 5. op 28 september 2025 te Blaricum, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, te weten [politieagent 1] (aspirant bij de Eenheid Midden-Nederland) en [politieagent 2] (hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland) en [politieagent 3] (agent bij de Eenheid Midden-Nederland),werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door met kracht- in tegengestelde richting te lopen en/of bewegen en - met zijn bovenlichaam voornoemde ambtenaren weg te duwen en - trappende bewegingen te maken tegen voornoemde ambtenaren en het dienstvoertuig; De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: in de zaak met parketnummer 16-132889-25 mishandeling; in de zaak met parketnummer 16-223643-25 mishandeling, meermalen gepleegd; in de zaak met parketnummer 16-256593-25 1. overtreding van artikel 7 lid 1 Wegenverkeerswet 1994; 2. mishandeling, meermalen gepleegd; 3. poging tot zware mishandeling; 4. overtreding van artikel 7 lid 1 Wegenverkeerswet 1994; 5. wederspannigheid; in de zaak met parketnummer 16-258657-25 1. diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren; 2. diefstal. 4.2. Strafbaarheid feiten De feiten zijn strafbaar. 4.3. Strafbaarheid van de verdachte 4.3.1. Beroep op schulduitsluitingsgrond De raadsman verzoekt verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging omdat volgens de psycholoog geen van de feiten aan hem kan worden toegerekend. 4.3.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat uit het rapport van de psycholoog en haar toelichting daarop ter zitting volgt dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar is voor de strafbare feiten. De verdachte kon op het moment waarop de feiten zijn gepleegd wel begrijpen dat zijn handelen wederrechtelijk was, maar was niet in staat in overeenstemming daarmee te handelen. 4.3.3. Oordeel van de rechtbank In artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend. Uit de jurisprudentie over dit wetsartikel volgt dat de rechtbank kan beslissen dat een feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis, en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was, of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit. Uit het advies van de psycholoog L.F.P.Q. van der Vis van 16 mei 2026 volgt dat de verdachte ten tijde van de strafbare feiten leed aan, kort gezegd, een psychotische stoornis. De psycholoog zegt dat de verdachte waarschij 5.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank zal aan de verdachte geen (voorwaardelijke) straf of maatregel opleggen en ziet ook (ambtshalve) geen aanleiding om een zorgmachtiging af te geven of te laten voorbereiden. De rechtbank licht dat toe. Uit het rapport van de psycholoog van 16 mei 2026 volgt dat er een laag herhalingsgevaar is zolang de verdachte zijn medicatie neemt, behandeling volgt en begeleiding krijgt voor praktische zaken. Volgens de psycholoog heeft de verdachte ook geen ‘forensisch profiel’. De rechtbank begrijpt dat de psycholoog daarmee uitdrukt dat de verdachte vooral hulp nodig heeft voor zijn psychische problematiek en dat de inschatting van de psycholoog is dat er dan ook geen strafbare feiten meer worden gepleegd. De psycholoog adviseert in haar rapport om géén dwingend forensisch kader op te leggen en de zorg te verplichten door een zorgmachtiging af te geven. De psycholoog vindt een zorgmachtiging noodzakelijk ten behoeve van de stabiliteit en het voorkomen van terugval. Hoewel de verdachte openstaat voor hulp en medicatie, is de behandeling pas recent opgestart en daarmee kwetsbaar. Naar aanleiding van het rapport van de psycholoog heeft de officier van justitie een geneesheer-directeur aangewezen en daaraan verzocht om zich uit te laten over de noodzaak van een zorgmachtiging. Uit de bevindingen van de geneesheer-directeur van 18 juni 2026 volgt dat de geneesheer-directeur negatief adviseert over een zorgmachtiging. De geneesheer-directeur beschrijft dat er contact is geweest met de huidige behandelaar van de verdachte, psychiater S. Akyazi die dezelfde taal spreekt als verdachte. Zij heeft bevestigd dat de verdachte bij haar in behandeling is en gemotiveerd is om dat door te zetten inclusief de inname van medicatie. Een zorgmachtiging is volgens de geneesheer-directeur niet nodig, en zou zelfs nadelig kunnen werken omdat de verdachte niet bij dezelfde behandelaar zou kunnen blijven en nieuwe behandelaar mogelijk niet dezelfde taal spreekt. Uit het reclasseringsadvies van 16 juli 2026 blijkt dat de verdachte sinds de voorlopige hechtenis medicatie gebruikt waardoor hij geen psychotische klachten meer ervaart, gestabiliseerd is en niet meer met de politie in aanraking is geweest. De verdachte is inmiddels op vrijwillige basis onder behandeling bij een psychiater, S. Akyazi, gebruikt antipsychotische medicatie en is gemotiveerd de behandeling voort te zetten. Verdachte heeft een baan, een stabiel inkomen en huisvesting en er zijn geen aanwijzingen dat hij weer verdovende middelen gebruikt. Ook heeft hij een beperkt, maar sterk sociaal netwerk, wat beschermend voor hem is. De reclassering wijst erop dat de positieve ontwikkelingen nog pril zijn (de voorlopige hechtenis is op 2 april 2026 geschorst) en dat er stress- of risicofactoren zijn omdat verdachte schulden heeft en hij op dit moment geen contact heeft met zijn kinderen. De reclassering schat het recidiverisico daarom in als gemiddeld en adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, de verplichting om mee te werken aan ambulante behandeling met de mogelijkheid van een kortdurende opname, de verplichting om mee te werken aan het aflossen van zijn schulden en de verplichting om mee te werken aan drugscontroles om zicht te krijgen op eventueel drugsgebruik. De rechtbank leidt uit de rapporten af dat de verdachte medicatie, psychiatrische behandeling en praktische begeleiding nodig heeft. Hoewel het nog pril is, blijkt daaruit ook dat de psychische en persoonlijke situatie van verdachte sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis op 2 april 2026 is gestabiliseerd. Hij lijkt op dit moment ook voldoende ingebed in de (psychiatrische) zorg en wordt gesteund door zijn netwerk. De rechtbank ziet in deze zaak verder geen mogelijkheden om de verdere medewerking van de verdachte daaraan af te dwingen. Doordat de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging is het n Hierdoor wordt niet voldaan aan een van de ontvankelijkheidsvereisten zoals genoemd in voornoemd artikel. De benadeelde partijen worden daarom in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, zullen kosten worden gecompenseerd, in die zin dat de benadeelde partijen en de verdachte hun eigen kosten dragen. De rechtbank legt ook geen schadevergoedingsmaatregel op. In artikel 36f Sr is bepaald dat een schadevergoeding kan worden opgelegd aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld tot een straf of aan wie bij rechterlijke uitspraak een maatregel wordt opgelegd of voor wie met toepassing van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg een zorgmachtiging of rechterlijke machtiging is afgegeven op de gronden, genoemd in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel 1°, 2° of 4°, van de Wet forensische zorg. Omdat van al deze situaties geen sprake is bestaat er voor oplegging van een schadevergoedingsmaatregel voor de slachtoffers geen rechtsgrond. De rechtbank kan daarom ook geen schadevergoedingsmaatregel opleggen. 7 De beslissing De rechtbank: vrijspraak in de zaak met parketnummer 16-256593-25 - verklaart het onder 3 primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; in de zaak met parketnummer 16-258657-25 - verklaart het onder 3 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte de overige feiten heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; strafbaarheid feiten - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van deze feiten; vordering tot schadevergoeding van benadeelde partijen [benadeelde 1] in de zaak met parketnummer 16-256593-25 onder 4. verklaart [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering; compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt; [benadeelde 3] in de zaak met parketnummer 16-256593-25 onder 4. verklaart [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering; compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt; [benadeelde 5] in de zaak met parketnummer 16-258657-25 onder 1. verklaart [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering; compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt; [benadeelde 4] in de zaak met parketnummer 16-258657-25 onder 2. en 3. verklaart [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering; compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt; voorlopige hechtenis - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mr. S.D. Groen en mr. M. Coenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen, griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026. Bijlage I: De tenlasteleggingen Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: in de zaak met parketnummer 16-132889-25 hij op of omstreeks 30 januari 2025 te Blaricum[slachtoffer 1] heeft mishandeld, door met gebalde vuist tegen de borst van die [slachtoffer 1]te slaan en/of te duwen, waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen; in de zaak met parketnummer 16-223643-25 hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Blaricum [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door- die [slachtoffer 2] meermaals althans eenmaal een kopstoot te geven in het gezicht en/of- die [slachtoffer 2] meermaals althans eenmaal te slaan tegen het lichaam, althans in het gezicht en/of- die [slachtoffer 3] meermaals 2hij op of omstreeks 1 oktober 2025 te Blaricum een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 3hij op of omstreeks 1 oktober 2025 te Eemnes [benadeelde 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (op korte afstand) een schroevendraaier, althans een scherp voorwerp, tetonen en/of voor te houden en/of met voornoemde schroevendraaier een of meerdere zwaaiende en/of stekende bewegingen te maken naar, althans in de richting van die [benadeelde 4] . Bijlage II: Bewijsmiddelen Ieder bewijsmiddel is – ook in onderdelen – slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. in de zaak met parketnummer 16-132889-25 In een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] staat onder meer vermeld: “Ik was met vier vrienden op 30 januari 2025 op de Caleskamp/Bergweg in Blaricum. Ik zag dat er een auto stil ging staan, een grijze Honda Jazz voorzien van kenteken [kenteken] . Ik zag dat hij uit zijn auto stapte en zei “stop looking at me”. Ik zag dat de rechterhand van de man een gebalde vuist had en deze hand kwam met kracht tegen mijn borstkast aan. Ik voelde hierna een bonkende pijn op de rechterkant van mijn borstkast, ik raakte uit balans en viel achterover. “ In een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] staat onder meer vermeld: “Een grijze Honda Jazz met kenteken [kenteken] stopte bij ons, een man stapte uit. Vervolgens gaf de man [slachtoffer 1] een duw/stoot waardoor [slachtoffer 1] naar achter viel. ” In een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] staat onder meer vermeld: “Toen we stonden te wachten stopte er opeens een grijze Honda met kenteken [kenteken] . Er stapte een man uit. De man liep richting [slachtoffer 1] en gaf een stomp/duw met gebalde vuist tegen de borstkas van [slachtoffer 1] die hierdoor viel. ” Verdachte heeft in het politieverhoor van 25 maart 2025 onder meer het volgende verklaard: V: En wat voor voertuig heeft u?A: Honda Jazz.V: En welke kleur is de autoA: Grijs.V: Wat is het kenteken van u autoA: dit is [kenteken] . Uit een proces-verbaal blijkt onder meer het volgende: Ik zag in de politiesystemen dat de tenaamgestelde van het voertuig met kenteken [kenteken] , [verdachte] is. [verdachte] is geboren op [1988] in Turkije. Dit betekent dat [verdachte] 36 jaar oud is. Ik zag dat [verdachte] ingeschreven staat op de [adres] in [woonplaats] . Dit adres komt dus overeen met de eerder genoemde plaats waar het voertuig later werd gesignaleerd. Ik zag in het RDW register een foto van [verdachte] . Naar aanleiding van deze foto in het RDW register en naar aanleiding van het signalement wat ik heb gekregen van de getuigen, zag ik dat de licht getinte huidskleur en het zwarte, korte haar overeen komen met elkaar. De leeftijd komt ook overeen met het eerder genoemde signalement. in de zaak met parketnummer 16-223643-25 In een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] staat onder meer vermeld: “Op 14 augustus 2025, omstreeks 01:35 uur bevond ik mij op de [straat] te Blaricum. Ik was hier samen met 2 vrienden: [slachtoffer 3] en [getuige 5] . Wij werken allemaal bij de [winkel 1] te Blaricum. We verlieten [winkel 1] en gingen nog een drankje doen in de kroeg. Rond 01:00 uur ging de kroeg sluiten, dus vertrokken wij. Ik zag dat de man op ons kwam aflopen en hoorde dat hij meerdere keren in het Engels zei: 'waarom lachen jullie?' Ik zag dat de man recht op mij af kwam. Zonder wat te zeggen gaf hij mij een kopstoot in mijn gezicht. Ik voelde dat zijn hoofd op mijn neus en bovenlip terecht kwam. Ik voelde direct pijn aan mijn neus en mijn voortanden. Ik voelde direct dat mijn neus begon te bloeden. Na de kopstoot heeft de man mij ook op mijn gezicht geslagen. Ik voelde dat ik op mijn rechterwang werd geraakt door de klap. Ik voelde een brandende, prikkende pijn. Hi ” In een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] staat onder meer vermeld: “Ik zag dat [slachtoffer 4] naar de man toeliep om hem over de aanrijding aan te spreken. Toen [slachtoffer 4] hem aansprak zag ik dat de man neus aan neus ging staan met [slachtoffer 4] en dat de man een kopstoot gaf tegen de neus van [slachtoffer 4] . Ik zag dat [slachtoffer 4] zijn hoofd naar achter ging en dat [slachtoffer 4] zijn beiden handen naar zijn neus bracht. Ik voelde dat de man mij schopte tegen mijn linkerbeen en dat hij naar mijn hoofd uithaalde met gebalde vuist. Hij heeft mij een keer geraakt op mijn linkerwang. Daarna zag ik dat hij wegreed ” In een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] staat onder meer vermeld: “Ik herken die man. Hij woont op de [adres] te [woonplaats] . Ik weet dat die auto van hem is en hij rijdt ermee. Uit een proces-verbaal blijkt onder meer het volgende: Bij navraag van het kenteken [kenteken] bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer bleek dat dit kenteken was afgegeven voor eenHONDA JAZZ; 1.4I in de kleur GRIJS. De kentekenhouder betrof de volgende natuurlijk persoon: [verdachte] Bij onderzoek in het BRP naar het adres: [adres] te [woonplaats] zag ik de volgende persoon daar ingeschreven stond: [verdachte] SIGNALEMENT Ik, verbalisant, bekeek de SKDB/politie-foto van [verdachte] , geboren op [1988] en woonachtig op de [adres] [woonplaats] . Dit betreft een vrij recente foto, gemaakt op 14 augustus 2025. Op deze foto zag ik dat [verdachte] zwart sluik haar had, zwarte wenkbrauwen en korte baardgroei. Ik zag dat [verdachte] donkere ogen had en een licht-getinte huidskleur. Wat betreft de gelaatseigenschappen zag ik dat [verdachte] overeenkwam met het signalement zoals omschreven. In een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] staat onder meer vermeld: “Op 28 september 2025 zat ik samen met mijn vrienden buiten op het terras een wijntje te drinken te Blaricum. Opeens voelde ik een harde klap op de linkerkant van mijn hoofd. Ik had niemand aan zien komen. Ik was even weg. Toen ik weer bij kwam, voelde ik mij duizelig. Ik zag dat ik bloed op mijn hoofd had. Ik ben enorm geschrokken. Het gebeurde allemaal heel snel. Ik vind het heel erg dat dit gebeurd is en voel mij nog steeds een beetje duizelig. " In een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] staat onder meer vermeld: "Ik zat samen met mijn vrienden buiten op het terras. Ik zag een onbekende man voor mij het terras op lopen. Ik zag dat hij in onze richting liep, alsof hij één van ons kende. Ik zag dat de man een wijnglas in zijn hand had, dat hij met dit wijnglas boven en achter zijn hoofd ging en uithaalde. Ik zag dat hij het glas op de linkerzijkant van het hoofd mijn vriend [slachtoffer 6] kapot gooide. Ik zag het glas kapot spatten. Ik zag direct daarna bloed op het hoofd van [slachtoffer 6] mijn vriend. ” In een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] staat onder meer vermeld: “Ik zat op het terras met vrienden toen ik zag ik dat een man met een glas het terras op kwam gelopen. Ik zag dat de man een glas kapot sloeg op het hoofd van onze vriend. Ik hoorde dat de man vervolgens riep: "Dit is mijn straat! " In een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 7] staat onder meer vermeld: "Op 28 september 2025 omstreeks 15:30 uur hoorde ik een harde knal. Ik zag dat er een auto stil stond, dat de auto draaiende banden had en zichzelf aan het ingraven was. Ik zag dat het voertuig een lekke band had en dat de auto niet wegkwam van zijn plek. Ik zag dat een man uit de auto stapte, dat hij met zijn rechtervoet een trap tegen de bestuurdersdeur gaf en "VICA" riep. Ik hoorde dat hij nog wat riep in een voor mij onbekende taal. Ik zag dat het voertuig voorzien was van kenteken [kenteken] . Ik zag dat het voertuig meerdere krassen en deuken had. Ik kan het voertuig als volgt omschrijven: Honda Jazz. ” In een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 8] staat onder meer vermeld: "Ik zag dat er een grijze auto aan Wij wilden hem richting de auto hebben, maar dat lukte niet. Ik hoorde collega [collega 2] zeggen dat hij mee moet werken. Dit deed hij niet en ik voelde dat hij meer kracht gebruikte om de andere kant op te gaan dan wij wilde. Zijn verzet werd zo heftig dat we hem lastig in bedwang konden houden. We duwden hem vervolgens in de politieauto. Dit ging met veel verzet. Ik zag dat hij met zijn rug op de achterbank lag en trappende beweging maakte in onze richting. Wij slaagden erin op het portier dicht te doen. Terwijl ik dat deed voelde en zag ik dat hij meerdere malen tegen het portier trapte. ” “Op 28 september 2025 was ik, verbalisant [politieagent 1] , belast met de incidentenafhandeling voor het Basisteam Gooi- en Vechtstreek Noord. Ik was in als zodanig herkenbaar politie-uniform gekleed. Ik hoorde van mijn collega dat wij de verdachte in het politievoertuig moesten plaatsen. Ik zag dat mijn collega's de verdachte optilden om hem op zijn benen te krijgen. Ik zag dat de verdachte op zijn benen stond. Ik zag dat de verdachte in verzet ging. Ik zag dat de verdachte met zijn benen tegen de collega's trapte. Ik zag dat de verdachte met zijn bovenlichaam de collega's weg duwde. Samen met de collega's duwden wij de verdachte het politievoertuig in. Ik zag dat de verdachte bleef trappen met zijn benen tegen ons en tegen het portier van het politievoertuig. Ik probeerde plaats te nemen naast de verdachte. Ik zag dat de verdachte een trap tegen mijn linkerknie gaf. Ik nam gelijk afstand en duwde het portier gelijk dicht. ” Ik zag dat de verdachte wederom in verzet ging. Ik zag dat hij zich probeerde los te trekken en ik zag dat hij trapte. in de zaak met parketnummer 16-258657-25 In een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 7] staat onder meer vermeld: " Ik ben voor [bedrijf 1] B.V. werkzaam bij het tankstation in Eemnes. Op 1 oktober 2025, omstreeks 13:40 uur, stond ik achter de kassa aan de balie. De man vroeg of hij twee pakjes Malboro rood mocht. Ik pakte de pakjes sigaretten en legde de pakjes op de balie. Ik hoorde de man zei: "Ik moet even geld pakken buiten." Ik zag dat de man de pakjes beetpakte en weg liep richting de uitgang van de winkel. Toen de man buiten de winkel was zag ik dat de man wegrende. Ik zag dat de man een schroevendraaier uit zijn broeksband pakte, een stap in mijn richting zette en de schroevendraaier boven zijn hoofd uit stak en een stekende beweging maakte naar mijn hoofd. Ik had sterk de indruk dat hij mij wilde neersteken met de schroevendraaier. Ik zag dat hij direct daarna wegrende . ” Uit een proces-verbaal blijkt dat op de camerabeelden van het tankstation onder meer het volgende: - Op 1 oktober 2025 om 13.43 uur staat een man met een blauwe blouse en een beige rugzak voor de winkel van [winkel 2] in Eemnes. - De man met de blauwe blouse besteld in winkel twee pakjes sigaretten en neemt deze mee zonder daarvoor betaald te hebben - de man rent de winkel uit en twee klanten en een winkelmedewerker rennen achter de man aan. Uit een proces-verbaal van de politie blijkt onder meer het volgende: “Wij hielden de verdachte aan, terwijl hij op een bankje zat ter hoogte van de Capittenweg, waar deze weg kruist met de Tweede Molenweg. Ik zag dat de verdachte een sigaret aan het roken was en dat hij in zijn rechterhand een schroevendraaier vasthield. Ik zag dat het een kruiskop schroevendraaier betrof, waarvan het ijzeren gedeelte ongeveer 10 centimeter lang was. Ik zag dat het handvat grijs gekleurd was met oranje accenten. Verdachte: [verdachte] Geboren: [1988] Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Turkije ” In een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 4] staat onder meer het volgende vermeld: “Op 1 oktober 2025, omstreeks 13:15 uur, bevond ik mij te Blaricum. Ik parkeerde mijn fatbike bij het bankje. Ik was aan het bellen. Ik hoorde ineens achter mij dat de standaard van mijn fatbike werd ingeklapt. Ik keek om en zag een man ineens met mijn fatbike weg fietsen. Ik heb niemand het recht of de t