Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-02-20
ECLI:NL:RBMNE:2026:532
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,072 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:532 text/xml public 2026-02-20T13:31:07 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-20 16.328145.24; 16-268930-22 (tul) (P) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:532 text/html public 2026-02-19T09:07:48 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:532 Rechtbank Midden-Nederland , 20-02-2026 / 16.328145.24; 16-268930-22 (tul) (P) De rechtbank spreekt verdachte vrij van poging doodslag, dan wel poging zware mishandeling, dan wel bedreiging en bezit van een vuurwapen en vernieling. De rechtbank vindt dat, anders dan de officier van justitie, niet wettig bewezen kan worden dat verdachte aanwezig was op de plaats delict. De vordering na voorwaardelijke veroordeling wordt afgewezen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.328145.24; 16-268930-22 (tul) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 20 februari 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [2007] te [geboorteplaats] wonende aan de [adres] te [woonplaats] hierna te noemen: de verdachte 1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren op 6 februari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R. Craenen en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.J. Jager, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 2 TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: feit 1 op 1 juli 2024 in Hilversum, samen met anderen, geprobeerd heeft [A] en een onbekend gebleven persoon van het leven te beroven door met een (scherpschietend) vuurwapen op een rijdend voertuig van een nog onbekend gebleven persoon te schieten en op de woning van die [A] te schieten, dan wel (subsidiair) geprobeerd heeft [A] en een onbekend gebleven persoon zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel (meer subsidiair) [A] en een onbekend gebleven persoon heeft bedreigd; feit 2 op 1 juli 2024 in Hilversum een vuurwapen van een onbekend merk en type voorhanden heeft gehad; feit 3 op 1 juli 2024 in Hilversum, samen met anderen, een raam van [A] heeft vernield. 3 VRIJSPRAAK 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van feit 1 primair. Het kan namelijk niet worden bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om [A] van het leven te beroven of zwaar te mishandelen. Het overige onder feit 1 primair ten laste gelegde kan wel worden bewezen. Ook feiten 2 en 3 kunnen volgens de officier van justitie worden bewezen. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang – besproken onder 3.3. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw bepleit vrijspraak van alle feiten. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en zal daarom de verdachte hiervan vrijspreken. Hoewel [getuige] heeft verklaard dat hij de verdachte op de plaats delict heeft afgezet en de verdachte door een verbalisant is herkend op camerabeelden in de buurt van de plaats delict, is de rechtbank het niet met de officier van justitie eens dat de aanwezigheid van de verdachte op de plaats van het delict kan worden bewezen. De herkenning door de verbalisant is niet betrouwbaar. Aan de hand van deels dezelfde camerabeelden is in eerste instantie door meerdere verbalisanten – waaronder een herkenning met 100 % zekerheid – [getuige] herkend. Na deze herkenning heeft [getuige] verklaard dat hij niet op de plaats delict was, maar dat hij zijn broer en de verdachte daar heeft afgezet. Volgens [getuige] is het de verdachte die op de camerabeelden staat. Pas hierna heeft de betreffende verbalisant de sterke overtuiging geuit dat de verdachte op de screenshots van de camerabeelden te zien is. Door de eerdere stellige herkenningen van dezelfde persoon als iemand anders dan de verdachte, acht de rechtbank de herkenning niet betrouwbaar en kan het proces-verbaal van herkenning niet worden gebruikt als wettig bewijsmiddel. Daarmee blijft als mogelijk bewijsmiddel alleen de verklaring van [getuige] over, waarin hij stelt dat hij de verdachte heeft afgezet op de plaats delict en dat de verdachte te zien is op de camerabeelden. Gezien het voorgaande vindt deze verklaring geen steun in andere bewijsmiddelen. Hierdoor kan niet wettig worden bewezen dat de verdachte aanwezig was op de plaats delict en daarmee is er ook onvoldoende wettig bewijs dat de verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad, laat staan dat hij daarmee heeft geschoten. De verdachte zal dus van alle ten laste gelegde feiten worden vrijgesproken. 4 VORDERING TENUITVOERLEGGING De rechtbank Midden-Nederland heeft op 7 maart 2024 aan de verdachte in de zaak met zaaknummer 16-268930-22 een voorwaardelijke werkstraf van 40 uren opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar. 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke werkstraf van 40 uren. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit integrale vrijspraak en vindt dat de vordering tenuitvoerlegging daarom moet worden afgewezen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen. Reden daarvoor is dat de verdachte wordt vrijgesproken van alle feiten. 5 BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16-268930-22 - wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging. Dit vonnis is gewezen door mr. C. Van Wambeke, voorzitter, en mrs. O. Böhmer en J.E.S. Dolmans, kinderrechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 februari 2026.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:532 text/xml public 2026-02-20T13:31:07 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-20 16.328145.24; 16-268930-22 (tul) (P) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:532 text/html public 2026-02-19T09:07:48 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:532 Rechtbank Midden-Nederland , 20-02-2026 / 16.328145.24; 16-268930-22 (tul) (P) De rechtbank spreekt verdachte vrij van poging doodslag, dan wel poging zware mishandeling, dan wel bedreiging en bezit van een vuurwapen en vernieling. De rechtbank vindt dat, anders dan de officier van justitie, niet wettig bewezen kan worden dat verdachte aanwezig was op de plaats delict. De vordering na voorwaardelijke veroordeling wordt afgewezen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.328145.24; 16-268930-22 (tul) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 20 februari 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [2007] te [geboorteplaats] wonende aan de [adres] te [woonplaats] hierna te noemen: de verdachte 1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren op 6 februari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R. Craenen en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.J. Jager, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 2 TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: feit 1 op 1 juli 2024 in Hilversum, samen met anderen, geprobeerd heeft [A] en een onbekend gebleven persoon van het leven te beroven door met een (scherpschietend) vuurwapen op een rijdend voertuig van een nog onbekend gebleven persoon te schieten en op de woning van die [A] te schieten, dan wel (subsidiair) geprobeerd heeft [A] en een onbekend gebleven persoon zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel (meer subsidiair) [A] en een onbekend gebleven persoon heeft bedreigd; feit 2 op 1 juli 2024 in Hilversum een vuurwapen van een onbekend merk en type voorhanden heeft gehad; feit 3 op 1 juli 2024 in Hilversum, samen met anderen, een raam van [A] heeft vernield. 3 VRIJSPRAAK 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van feit 1 primair. Het kan namelijk niet worden bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om [A] van het leven te beroven of zwaar te mishandelen. Het overige onder feit 1 primair ten laste gelegde kan wel worden bewezen. Ook feiten 2 en 3 kunnen volgens de officier van justitie worden bewezen. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang – besproken onder 3.3. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw bepleit vrijspraak van alle feiten. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en zal daarom de verdachte hiervan vrijspreken. Hoewel [getuige] heeft verklaard dat hij de verdachte op de plaats delict heeft afgezet en de verdachte door een verbalisant is herkend op camerabeelden in de buurt van de plaats delict, is de rechtbank het niet met de officier van justitie eens dat de aanwezigheid van de verdachte op de plaats van het delict kan worden bewezen. De herkenning door de verbalisant is niet betrouwbaar. Aan de hand van deels dezelfde camerabeelden is in eerste instantie door meerdere verbalisanten – waaronder een herkenning met 100 % zekerheid – [getuige] herkend. Na deze herkenning heeft [getuige] verklaard dat hij niet op de plaats delict was, maar dat hij zijn broer en de verdachte daar heeft afgezet. Volgens [getuige] is het de verdachte die op de camerabeelden staat. Pas hierna heeft de betreffende verbalisant de sterke overtuiging geuit dat de verdachte op de screenshots van de camerabeelden te zien is. Door de eerdere stellige herkenningen van dezelfde persoon als iemand anders dan de verdachte, acht de rechtbank de herkenning niet betrouwbaar en kan het proces-verbaal van herkenning niet worden gebruikt als wettig bewijsmiddel. Daarmee blijft als mogelijk bewijsmiddel alleen de verklaring van [getuige] over, waarin hij stelt dat hij de verdachte heeft afgezet op de plaats delict en dat de verdachte te zien is op de camerabeelden. Gezien het voorgaande vindt deze verklaring geen steun in andere bewijsmiddelen. Hierdoor kan niet wettig worden bewezen dat de verdachte aanwezig was op de plaats delict en daarmee is er ook onvoldoende wettig bewijs dat de verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad, laat staan dat hij daarmee heeft geschoten. De verdachte zal dus van alle ten laste gelegde feiten worden vrijgesproken. 4 VORDERING TENUITVOERLEGGING De rechtbank Midden-Nederland heeft op 7 maart 2024 aan de verdachte in de zaak met zaaknummer 16-268930-22 een voorwaardelijke werkstraf van 40 uren opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar. 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke werkstraf van 40 uren. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit integrale vrijspraak en vindt dat de vordering tenuitvoerlegging daarom moet worden afgewezen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen. Reden daarvoor is dat de verdachte wordt vrijgesproken van alle feiten. 5 BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16-268930-22 - wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging. Dit vonnis is gewezen door mr. C. Van Wambeke, voorzitter, en mrs. O. Böhmer en J.E.S. Dolmans, kinderrechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 februari 2026.