Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-06-23
ECLI:NL:RBMNE:2026:4282
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5064 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. J.P.C. Obbink), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris (gemachtigde: mr. R. Stehouwer). Samenvatting Deze uitspraak gaat over de aan eiseres opgelegde boete wegens overtreding van artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de opgelegde boete. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de boete terecht is opgelegd en dat er geen reden is om deze te matigen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop Bij besluit van 1 mei 2025 heeft de staatssecretaris aan eiseres een boete opgelegd van € 8.000,-. Met het bestreden besluit van 22 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is de staatssecretaris bij dat besluit gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft daarop schriftelijk gereageerd. De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [A] en [B] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de staatssecretaris. Beoordeling door de rechtbank Aan eiseres is bij besluit van 1 juli 2022 een vergunning verleend voor het in stand houden van een particuliere beveiligingsorganisatie. De staatssecretaris heeft op 14 oktober 2024 een ambtsbericht ontvangen van de korpschef. Hieruit blijkt dat er tussen 22 en 25 augustus 2024 meerdere overtredingen zijn geconstateerd tijdens het evenement “ [evenement] ” in [plaats] . Tijdens het evenement werden er beveiligingswerkzaamheden uitgevoerd door eiseres. Uit controles is gebleken dat vier personen niet in het bezit waren van een geldige politietoestemming en een geldig beveiligingslegitimatiebewijs op naam van eiseres. De staatssecretaris heeft daarop een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 7, tweede lid, van de Wpbr van vier maal € 2.000,- (totaal € 8.000,-), conform zijn beleid over samenloop van overtredingen. Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wpbr stelt een beveiligingsorganisatie geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wpbr draagt een beveiligingsorganisatie aan welke een vergunning is verleend er zorg voor dat de personen die zijn belast met beveiligingswerkzaamheden, bij de uitvoering van deze werkzaamheden een door Onze Minister goedgekeurd uniform dragen. Op grond van het achtste lid draagt een beveiligingsorganisatie aan welke een vergunning is verleend, er zorg voor dat de personen die zijn belast met beveiligingswerkzaamheden, bij de uitvoering van hun werkzaamheden een legitimatiebewijs bij zich dragen waarvan een model is vastgesteld door Onze Minister en dat zij dit op verzoek tonen. In onderdeel 7 van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 staat dat beveiligingsorganisaties personeel kunnen inlenen van andere beveiligingsorganisaties. Daarbij moet wel aan de reguliere voorwaarden voor het tewerkstellen van personeel worden voldaan. Dat betekent dat het ingeleende personeel over een uniform en legitimatiebewijs moet beschikken van de inlenende organisatie. Op die regel kan een uitzondering worden gemaakt als er grote spoed is bij het inlenen van personeel. Inlenen zonder een legitimatiebewijs van de inlenende organisatie is dan toch mogelijk als die organisatie de politie daarover informeert. Tussen par