Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-01-28
ECLI:NL:RBMNE:2026:419
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,088 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:419 text/xml public 2026-02-13T08:46:37 2026-02-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-28 11648791 \ LC EXPL 25-854 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Civiel recht Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2025:6054 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:419 text/html public 2026-02-13T08:42:47 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:419 Rechtbank Midden-Nederland , 28-01-2026 / 11648791 \ LC EXPL 25-854 Eindvonnis. Oneerlijk annuleringsbeding in een overeenkomst op grond waarvan een leerling is geplaatst in de onderwijsinstelling en het internaat van eiser. Vernietiging en afwijzing vordering. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: 11648791 \ LC EXPL 25-854 Vonnis van 28 januari 2026 (bij vervroeging) in de zaak van [eiseres] B.V. , te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: Gerechtsdeurwaarders mr. Th. van Wijngaarden en H. Makkinga, tegen 1 [gedaagde sub 1] , te [woonplaats] , 2. [gedaagde sub 2] , te [woonplaats] , gemachtigde: Legal Advice Wanted, gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 12 november 2025; - de akte van [gedaagde sub 1] c.s.; - de akte van [eiseres] . 1.2. Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt uitgesproken. 2 De kern van de zaak 2.1. De zoon van [gedaagde sub 1] c.s. heeft op de school van [eiseres] gezeten. In de loop van het schooljaar heeft de zoon de school verlaten. [gedaagde sub 1] c.s. heeft een deel van het lesgeld van het betreffende schooljaar betaald. [eiseres] wil dat hij ook de rest betaalt. [gedaagde sub 1] c.s. is het daar niet mee eens. 2.2. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen voornemens te zijn een oneerlijk beding uit de overeenkomst tussen partijen te vernietigen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Die reactie heeft de kantonrechter niet op andere gedachten gebracht. De kantonrechter zal het oneerlijke beding daarom vernietigen en de vorderingen van [eiseres] afwijzen. 3 De verdere beoordeling Het tussenvonnis 3.1. [eiseres] baseert haar vordering tot betaling van het lesgeld op artikel 5.4 van de overeenkomst. Daaruit volgt dat als de ouders ervoor kiezen de leerling gedurende het schooljaar van school te halen en daarmee de overeenkomst opzeggen, zij in alle gevallen en omstandigheden het lesgeld voor het volledige schooljaar verschuldigd zijn. 3.2. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter het voorlopige oordeel uitgesproken dat er door artikel 5.4 geen reële mogelijkheid bestaat tot tussentijdse opzegging van de overeenkomst, en dat het beding daarmee in strijd is met (de geest van) artikel 7:408 lid 1 BW en artikel 7:411 BW. In artikel 7:408 lid 1 BW staat dat de opdrachtgever de overeenkomst te allen tijde kan opzeggen, en in artikel 7:411 BW zijn de gevolgen voor de verschuldigdheid van loon geregeld in het geval de overeenkomst vroegtijdig wordt beëindigd. Beide artikelen zijn dwingendrechtelijk in het geval van een consument-opdrachtgever. 3.3. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het voorlopige oordeel uitgesproken dat artikel 5.4 oneerlijk is en daarmee onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 aanhef en onder a BW, en overwogen voornemens te zijn het artikel te vernietigen. De reactie van partijen 3.4. [gedaagde sub 1] c.s. is het eens met het voorlopige oordeel van de kantonrechter en het voornemen tot vernietiging van artikel 5.4. 3.5. [eiseres] is het om meerdere redenen niet eens met het voorlopige oordeel en maakt bezwaar tegen de voorgenomen vernietiging. De bezwaren van [gedaagde sub 1] c.s. worden hierna achtereenvolgens besproken. Er is sprake van een algemene voorwaarde 3.6. [eiseres] voert ten eerste aan dat artikel 5.4 niet als algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 aanhef en onder a BW moet worden aangemerkt. Partijen zouden volgens [eiseres] wel over artikel 5.4 hebben onderhandeld. Uit artikel 17 van de overeenkomst volgt namelijk dat [gedaagde sub 1] c.s. door de ondertekening van overeenkomst verklaart kennis te hebben genomen van de inhoud van overeenkomst en zich daarin te hebben verdiept. Bovendien, zo stelt [eiseres] , heeft [gedaagde sub 1] c.s. de overeenkomst op meerdere plaatsen voorzien van (persoons)gegevens en ondertekeningen. 3.7. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat aangenomen moet worden dat artikel 5.4 een beding is dat is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Dat [gedaagde sub 1] c.s. de inhoud van de overeenkomst heeft gelezen en op verschillende plaatsen de (persoons)gegevens van de zoon heeft ingevuld en de overeenkomst heeft ondertekend, betekent nog niet dat artikel 5.4 niet is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en dat daarover daadwerkelijk afzonderlijk is onderhandeld. Daarover heeft [eiseres] niets gesteld en daarvan is ook niets gebleken. Vast staat daarom dat sprake is van een algemene voorwaarde, waarvan de kantonrechter ambtshalve moet toetsen of deze naar Europees recht oneerlijk en naar Nederlands recht onredelijk bezwarend is. Artikel 5.4 is onredelijk bezwarend 3.8. [eiseres] stelt ten tweede dat er geen sprake is van een oneerlijk beding. De kosten voor het gehele onderwijsprogramma en het verblijf van de leerling zouden bij aanvang van het schooljaar al zijn gemaakt, en in ieder geval ten tijde van de opzegging van de overeenkomst (zeven maanden na aanvang van het schooljaar). De betaling van het volledige lesgeld is volgens [eiseres] daarom een redelijk loon in de zin van artikel 7:411 lid 1 BW. Bovendien heeft [eiseres] het lesgeld al verminderd met € 10.406,00. 3.9. De kantonrechter stelt voorop dat het feit dat [eiseres] eigenhandig een korting op het lesgeld heeft gegeven niet kan afdoen aan het oneerlijke karakter van artikel 5.4. Of het beding oneerlijk is, moet worden beoordeeld naar het moment van het sluiten van de overeenkomst. Toen de overeenkomst werd gesloten, bevatte het beding de onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van het lesgeld voor het volledige schooljaar. Dat [eiseres] op een later moment een korting toepast, doet daar niet aan af. [gedaagde sub 1] c.s. stelt terecht dat dit zou afdoen aan de afschrikkende werking van de Richtlijn oneerlijke bedingen. 3.10. De stelling van [eiseres] dat betaling van het volledige lesgeld in dit geval redelijk is, is onvoldoende onderbouwd. [eiseres] heeft slechts in algemene zin gesteld dat alle kosten voor het onderwijsprogramma en het verblijf van de leerling ten tijde van de opzegging al waren gemaakt. Zij laat echter na dit te concretiseren. Duidelijk is dat [eiseres] bepaalde vaste kosten heeft. Maar denkbaar is net zo goed dat er sprake is van bepaalde variabele kosten zoals voeding, energie, lesmateriaal, verzorging en personeel, en mogelijk kan een vrijgekomen plaats door een andere leerling worden ingenomen. Hierover is geen duidelijkheid gegeven, terwijl artikel 5.4 wel alle kosten volledig bij de consument legt, ongeacht het moment binnen het schooljaar waarop de overeenkomst wordt opgezegd. Zonder nader inzicht in de kosten die door [eiseres] op het moment van opzegging zijn gemaakt, is het niet redelijk om het volledige (bedrijfs)risico van een tussentijdse beëindiging van de overeenkomst onder alle omstandigheden financieel op de consument af te wentelen. 3.11. [eiseres] verwijst naar een uitspraak van het Hof Amsterdam van 12 april 2016. Dit betreft een vergelijkbare zaak als de zaak van het Hof Den Haag van 8 maart 2016, naar welk arrest de kantonrechter in het tussenvonnis heeft verwezen. Anders dan het Hof Den Haag oordeelde het Hof Amsterdam dat de opdrachtgever wel het volledige lesgeld verschuldigd is. Echter, het hof Amsterdam heeft in het geheel niet getoetst of het annuleringsbeding onredelijk bezwarend is. Bovendien is alleen in de zaak van het Hof Den Haag cassatieberoep ingesteld, waarbij de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand heeft gelaten.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:419 text/xml public 2026-02-13T08:46:37 2026-02-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-28 11648791 \ LC EXPL 25-854 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Civiel recht Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2025:6054 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:419 text/html public 2026-02-13T08:42:47 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:419 Rechtbank Midden-Nederland , 28-01-2026 / 11648791 \ LC EXPL 25-854 Eindvonnis. Oneerlijk annuleringsbeding in een overeenkomst op grond waarvan een leerling is geplaatst in de onderwijsinstelling en het internaat van eiser. Vernietiging en afwijzing vordering. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: 11648791 \ LC EXPL 25-854 Vonnis van 28 januari 2026 (bij vervroeging) in de zaak van [eiseres] B.V. , te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: Gerechtsdeurwaarders mr. Th. van Wijngaarden en H. Makkinga, tegen 1 [gedaagde sub 1] , te [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2] , te [woonplaats] , gemachtigde: Legal Advice Wanted, gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 12 november 2025; - de akte van [gedaagde sub 1] c.s.; - de akte van [eiseres] . 1.2. Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt uitgesproken. 2 De kern van de zaak 2.1. De zoon van [gedaagde sub 1] c.s. heeft op de school van [eiseres] gezeten. In de loop van het schooljaar heeft de zoon de school verlaten. [gedaagde sub 1] c.s. heeft een deel van het lesgeld van het betreffende schooljaar betaald. [eiseres] wil dat hij ook de rest betaalt. [gedaagde sub 1] c.s. is het daar niet mee eens. 2.2. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen voornemens te zijn een oneerlijk beding uit de overeenkomst tussen partijen te vernietigen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Die reactie heeft de kantonrechter niet op andere gedachten gebracht. De kantonrechter zal het oneerlijke beding daarom vernietigen en de vorderingen van [eiseres] afwijzen. 3 De verdere beoordeling Het tussenvonnis 3.1. [eiseres] baseert haar vordering tot betaling van het lesgeld op artikel 5.4 van de overeenkomst. Daaruit volgt dat als de ouders ervoor kiezen de leerling gedurende het schooljaar van school te halen en daarmee de overeenkomst opzeggen, zij in alle gevallen en omstandigheden het lesgeld voor het volledige schooljaar verschuldigd zijn. 3.2. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter het voorlopige oordeel uitgesproken dat er door artikel 5.4 geen reële mogelijkheid bestaat tot tussentijdse opzegging van de overeenkomst, en dat het beding daarmee in strijd is met (de geest van) artikel 7:408 lid 1 BW en artikel 7:411 BW. In artikel 7:408 lid 1 BW staat dat de opdrachtgever de overeenkomst te allen tijde kan opzeggen, en in artikel 7:411 BW zijn de gevolgen voor de verschuldigdheid van loon geregeld in het geval de overeenkomst vroegtijdig wordt beëindigd. Beide artikelen zijn dwingendrechtelijk in het geval van een consument-opdrachtgever. 3.3. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het voorlopige oordeel uitgesproken dat artikel 5.4 oneerlijk is en daarmee onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 aanhef en onder a BW, en overwogen voornemens te zijn het artikel te vernietigen. De reactie van partijen 3.4. [gedaagde sub 1] c.s. is het eens met het voorlopige oordeel van de kantonrechter en het voornemen tot vernietiging van artikel 5.4. 3.5. [eiseres] is het om meerdere redenen niet eens met het voorlopige oordeel en maakt bezwaar tegen de voorgenomen vernietiging. De bezwaren van [gedaagde sub 1] c.s. worden hierna achtereenvolgens besproken. Er is sprake van een algemene voorwaarde 3.6. [eiseres] voert ten eerste aan dat artikel 5.4 niet als algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 aanhef en onder a BW moet worden aangemerkt. Partijen zouden volgens [eiseres] wel over artikel 5.4 hebben onderhandeld. Uit artikel 17 van de overeenkomst volgt namelijk dat [gedaagde sub 1] c.s. door de ondertekening van overeenkomst verklaart kennis te hebben genomen van de inhoud van overeenkomst en zich daarin te hebben verdiept. Bovendien, zo stelt [eiseres] , heeft [gedaagde sub 1] c.s. de overeenkomst op meerdere plaatsen voorzien van (persoons)gegevens en ondertekeningen. 3.7. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat aangenomen moet worden dat artikel 5.4 een beding is dat is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Dat [gedaagde sub 1] c.s. de inhoud van de overeenkomst heeft gelezen en op verschillende plaatsen de (persoons)gegevens van de zoon heeft ingevuld en de overeenkomst heeft ondertekend, betekent nog niet dat artikel 5.4 niet is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en dat daarover daadwerkelijk afzonderlijk is onderhandeld. Daarover heeft [eiseres] niets gesteld en daarvan is ook niets gebleken. Vast staat daarom dat sprake is van een algemene voorwaarde, waarvan de kantonrechter ambtshalve moet toetsen of deze naar Europees recht oneerlijk en naar Nederlands recht onredelijk bezwarend is. Artikel 5.4 is onredelijk bezwarend 3.8. [eiseres] stelt ten tweede dat er geen sprake is van een oneerlijk beding. De kosten voor het gehele onderwijsprogramma en het verblijf van de leerling zouden bij aanvang van het schooljaar al zijn gemaakt, en in ieder geval ten tijde van de opzegging van de overeenkomst (zeven maanden na aanvang van het schooljaar). De betaling van het volledige lesgeld is volgens [eiseres] daarom een redelijk loon in de zin van artikel 7:411 lid 1 BW. Bovendien heeft [eiseres] het lesgeld al verminderd met € 10.406,00. 3.9. De kantonrechter stelt voorop dat het feit dat [eiseres] eigenhandig een korting op het lesgeld heeft gegeven niet kan afdoen aan het oneerlijke karakter van artikel 5.4. Of het beding oneerlijk is, moet worden beoordeeld naar het moment van het sluiten van de overeenkomst. Toen de overeenkomst werd gesloten, bevatte het beding de onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van het lesgeld voor het volledige schooljaar. Dat [eiseres] op een later moment een korting toepast, doet daar niet aan af. [gedaagde sub 1] c.s. stelt terecht dat dit zou afdoen aan de afschrikkende werking van de Richtlijn oneerlijke bedingen. 3.10. De stelling van [eiseres] dat betaling van het volledige lesgeld in dit geval redelijk is, is onvoldoende onderbouwd. [eiseres] heeft slechts in algemene zin gesteld dat alle kosten voor het onderwijsprogramma en het verblijf van de leerling ten tijde van de opzegging al waren gemaakt. Zij laat echter na dit te concretiseren. Duidelijk is dat [eiseres] bepaalde vaste kosten heeft. Maar denkbaar is net zo goed dat er sprake is van bepaalde variabele kosten zoals voeding, energie, lesmateriaal, verzorging en personeel, en mogelijk kan een vrijgekomen plaats door een andere leerling worden ingenomen. Hierover is geen duidelijkheid gegeven, terwijl artikel 5.4 wel alle kosten volledig bij de consument legt, ongeacht het moment binnen het schooljaar waarop de overeenkomst wordt opgezegd. Zonder nader inzicht in de kosten die door [eiseres] op het moment van opzegging zijn gemaakt, is het niet redelijk om het volledige (bedrijfs)risico van een tussentijdse beëindiging van de overeenkomst onder alle omstandigheden financieel op de consument af te wentelen. 3.11. [eiseres] verwijst naar een uitspraak van het Hof Amsterdam van 12 april 2016. Dit betreft een vergelijkbare zaak als de zaak van het Hof Den Haag van 8 maart 2016, naar welk arrest de kantonrechter in het tussenvonnis heeft verwezen. Anders dan het Hof Den Haag oordeelde het Hof Amsterdam dat de opdrachtgever wel het volledige lesgeld verschuldigd is. Echter, het hof Amsterdam heeft in het geheel niet getoetst of het annuleringsbeding onredelijk bezwarend is. Bovendien is alleen in de zaak van het Hof Den Haag cassatieberoep ingesteld, waarbij de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand heeft gelaten.