Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-01-21
ECLI:NL:RBMNE:2026:400
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,038 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:400 text/xml public 2026-02-12T09:51:10 2026-02-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-21 11904297 \ LC EXPL 25-2009 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:400 text/html public 2026-02-12T09:50:48 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:400 Rechtbank Midden-Nederland , 21-01-2026 / 11904297 \ LC EXPL 25-2009 Betaling verplicht eigen risico en eigen bijdrage. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: 11904297 \ LC EXPL 25-2009 Vonnis van 21 januari 2026 in de zaak van 1 OHRA ZORGVERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Tilburg, 2. ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ CZ GROEP U.A. , gevestigd te Tilburg, eisende partijen, hierna samen te noemen: Ohra, gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Ohra heeft [gedaagde] op 18 augustus 2025 gedagvaard voor de kantonrechter. Daarbij heeft Ohra drie producties meegestuurd. [gedaagde] heeft op de dagvaarding geantwoord. Daarna is nog een schriftelijke ronde geweest, waarbij Ohra op het antwoord van [gedaagde] heeft gereageerd (repliek met producties 4 tot en met 7d) en [gedaagde] daarop weer heeft gereageerd (dupliek met bijlagen). Ohra heeft vervolgens bij akte op de bijlagen bij de conclusie van dupliek gereageerd. 1.2. De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is. 2 De kern van de zaak 2.1. [gedaagde] is bij Ohra verzekerd tegen ziektekosten. [gedaagde] heeft het verplichte eigen risico van het jaar 2024 van € 385,00 en de eigen bijdrage voor haar minderjarige zoon van € 24,94 niet betaald. Ohra wil dat [gedaagde] deze bedragen alsnog betaalt. [gedaagde] vindt dat zij de eigen bijdrage voor haar minderjarige zoon niet hoeft te betalen. [gedaagde] is het er ook niet mee eens dat de proceskosten (volledig) voor haar rekening komen. De kantonrechter geeft Ohra gelijk. [gedaagde] moet beide bedragen, in totaal € 409,94, en de proceskosten aan Ohra betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom 3 De beoordeling Het eigen risico en de eigen bijdrage Waarom is [gedaagde] het eigen risico van het jaar 2024 verschuldigd? 3.1. Op grond van de verzekeringsovereenkomst geldt een verplicht eigen risico van € 385,00. [gedaagde] erkent ook dat zij dit moet betalen. Het staat dan ook vast dat [gedaagde] het verplichte eigen risico van het jaar 2024 aan Ohra verschuldigd is. Waarom is [gedaagde] de eigen bijdrage voor haar minderjarige zoon verschuldigd? 3.2. De minderjarige zoon van [gedaagde] is meeverzekerd onder de ziektekostenverzekering van [gedaagde] . Voor minderjarigen geldt dat zij een eigen bijdrage verschuldigd zijn voor bepaalde zorg uit het basispakket. Leeftijd speelt daarbij geen rol. Dit blijkt uit de informatie over de eigen bijdrage op de website van Ohra (zie productie 4 van Ohra). 3.3. [gedaagde] beroept zich op artikel 2.17 lid 2 van de Zorgverzekeringswet (de kantonrechter begrijpt: artikel 2.17 lid 2 van het Besluit Zorgverzekering, hierna BZv). Op grond van dat artikel geldt volgens [gedaagde] voor minderjarigen geen eigen bijdrage voor zorg uit het basispakket. Dit verweer van [gedaagde] slaagt niet. Artikel 2.17 lid 2 BZv gaat niet over de eigen bijdrage maar over het verplicht eigen risico. Dat is niet hetzelfde. Uit dit artikel volgt dus niet dat minderjarigen geen eigen bijdrage hoeven te betalen voor verleende zorg uit het basispakket. 3.4. [gedaagde] heeft niet weersproken dat de zorg waarover de eigen bijdrage is berekend, aan haar minderjarige zoon is verleend. 3.5. De conclusie is dat [gedaagde] de eigen bijdrage voor de minderjarige zoon van [gedaagde] aan Ohra verschuldigd is. Waarom moet [gedaagde] deze bedragen aan Ohra betalen? 3.6. [gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek drie betaalbewijzen overgelegd. De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagde] meent dat deze betalingen van de vordering tot betaling van het verplichte eigen risico van het jaar 2024 en de eigen bijdrage voor haar minderjarige zoon moeten worden afgetrokken. De betalingen op de betaalbewijzen worden hierop niet in mindering gebracht. 3.7. De betalingen van € 159,95 van 29 januari 2025 en 24 februari 2025 zijn premiebetalingen voor de maanden januari en maart 2025. De betaling van € 35,00 van 29 januari 2025 is een termijnbetaling van een eerdere betalingsregeling, die Ohra met [gedaagde] had afgesproken (zie productie 5a van Ohra). Die betaling is al verwerkt en weggestreept tegen de oudste openstaande achterstand van die regeling. De betalingen zien niet op de betaling van het eigen risico of eigen bijdragen en zullen daarom niet van het gevorderde bedrag worden afgetrokken. Slotsom ten aanzien van de hoofdsom 3.8. De vordering tot betaling van het verplichte eigen risico van het jaar 2024 en de eigen bijdrage voor de minderjarige zoon wordt toegewezen. [gedaagde] moet € 409,94 (€ 385,00 + € 24,94) aan Ohra betalen. Proceskosten Waarom moet [gedaagde] de proceskosten betalen? 3.9. Het uitgangspunt is dat de partij die ongelijk krijgt, wordt veroordeeld in de proceskosten. Dit houdt in dat diegene de proceskosten van de andere partij moet vergoeden en geen vergoeding krijgt voor de eigen proceskosten. [gedaagde] krijgt in deze zaak ongelijk. [gedaagde] voert verschillende redenen aan waarom van dit uitgangspunt moet worden afgeweken en de proceskosten voor rekening van Ohra moeten komen of moeten worden gematigd. De kantonrechter volgt [gedaagde] daarin niet. [gedaagde] moet de proceskosten betalen. Hierna wordt dit uitgelegd. 3.10. [gedaagde] voert aan dat Ohra onterecht heeft gedagvaard omdat sprake was van een lopende betalingsregeling. Dit verweer slaagt niet. Het staat vast dat partijen eerder een betalingsregeling hebben afgesproken. [gedaagde] is de betalingsregeling niet correct nagekomen. [gedaagde] heeft op 17 januari 2025 een brief van Ohra ontvangen, waarin staat dat [gedaagde] een gemiste termijnbetaling vóór 31 januari 2025 moet betalen, omdat anders de betalingsregeling zou worden beëindigd. [gedaagde] heeft op 29 januari 2025 de gemiste termijn betaald, maar daarna heeft zij geen termijnbetalingen meer gedaan. De betalingsregeling is daarom alsnog definitief komen te vervallen. In de brief van 7 maart 2025 heeft Ohra [gedaagde] daarover bericht. Ohra kan dan het volledige openstaande bedrag ineens bij [gedaagde] opeisen. Omdat betaling uitbleef, heeft Ohra de vordering ter incasso aan Flanderijn overgedragen. Ook na aanmaning van Flanderijn heeft [gedaagde] de vordering niet betaald en/of op de vordering gereageerd. Ohra is op 18 augustus 2025 dan ook terecht tot dagvaarding van [gedaagde] overgegaan. 3.11. [gedaagde] voert ook aan dat zij Ohra/Flanderijn meerdere keren om een betalingsregeling heeft verzocht omdat zij een bijstandsuitkering en een beperkte aflossingscapaciteit heeft, maar dat Ohra/Flanderijn hierop niet heeft gereageerd. Ook dit verweer van [gedaagde] slaagt niet. De verzoeken om een betalingsregeling die [gedaagde] heeft gedaan en waarvan zij schermprints laat zien, dateren uit 2023. De vordering waar het in deze zaak over gaat bestond toen nog niet. De verzoeken gaan over iets anders, namelijk de vordering tot betaling van het verplicht eigen risico van het jaar 2022 (bij Flanderijn bekend onder dossiernummer [nummer] ). Bovendien geldt dat Ohra op grond van artikel 6:29 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) niet verplicht is een betalingsregeling af te spreken. Ohra mag namelijk zelf kiezen of zij akkoord gaat met een voorstel tot afbetaling in termijnen. 3.12. [gedaagde] doet daarnaast een beroep op de redelijkheid en billijkheid voor matiging van de proceskosten. Volgens [gedaagde] zou een volledige proceskostenveroordeling haar onevenredig zwaar treffen en staat die niet in verhouding tot de aard en omvang van het geschil. De kantonrechter gaat niet mee in het verzoek tot matiging van de proceskosten.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:400 text/xml public 2026-02-12T09:51:10 2026-02-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-21 11904297 \ LC EXPL 25-2009 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:400 text/html public 2026-02-12T09:50:48 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:400 Rechtbank Midden-Nederland , 21-01-2026 / 11904297 \ LC EXPL 25-2009 Betaling verplicht eigen risico en eigen bijdrage. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: 11904297 \ LC EXPL 25-2009 Vonnis van 21 januari 2026 in de zaak van 1 OHRA ZORGVERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Tilburg,2. ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ CZ GROEP U.A. , gevestigd te Tilburg, eisende partijen, hierna samen te noemen: Ohra, gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Ohra heeft [gedaagde] op 18 augustus 2025 gedagvaard voor de kantonrechter. Daarbij heeft Ohra drie producties meegestuurd. [gedaagde] heeft op de dagvaarding geantwoord. Daarna is nog een schriftelijke ronde geweest, waarbij Ohra op het antwoord van [gedaagde] heeft gereageerd (repliek met producties 4 tot en met 7d) en [gedaagde] daarop weer heeft gereageerd (dupliek met bijlagen). Ohra heeft vervolgens bij akte op de bijlagen bij de conclusie van dupliek gereageerd. 1.2. De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is. 2 De kern van de zaak 2.1. [gedaagde] is bij Ohra verzekerd tegen ziektekosten. [gedaagde] heeft het verplichte eigen risico van het jaar 2024 van € 385,00 en de eigen bijdrage voor haar minderjarige zoon van € 24,94 niet betaald. Ohra wil dat [gedaagde] deze bedragen alsnog betaalt. [gedaagde] vindt dat zij de eigen bijdrage voor haar minderjarige zoon niet hoeft te betalen. [gedaagde] is het er ook niet mee eens dat de proceskosten (volledig) voor haar rekening komen. De kantonrechter geeft Ohra gelijk. [gedaagde] moet beide bedragen, in totaal € 409,94, en de proceskosten aan Ohra betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom 3 De beoordeling Het eigen risico en de eigen bijdrage Waarom is [gedaagde] het eigen risico van het jaar 2024 verschuldigd? 3.1. Op grond van de verzekeringsovereenkomst geldt een verplicht eigen risico van € 385,00. [gedaagde] erkent ook dat zij dit moet betalen. Het staat dan ook vast dat [gedaagde] het verplichte eigen risico van het jaar 2024 aan Ohra verschuldigd is. Waarom is [gedaagde] de eigen bijdrage voor haar minderjarige zoon verschuldigd? 3.2. De minderjarige zoon van [gedaagde] is meeverzekerd onder de ziektekostenverzekering van [gedaagde] . Voor minderjarigen geldt dat zij een eigen bijdrage verschuldigd zijn voor bepaalde zorg uit het basispakket. Leeftijd speelt daarbij geen rol. Dit blijkt uit de informatie over de eigen bijdrage op de website van Ohra (zie productie 4 van Ohra). 3.3. [gedaagde] beroept zich op artikel 2.17 lid 2 van de Zorgverzekeringswet (de kantonrechter begrijpt: artikel 2.17 lid 2 van het Besluit Zorgverzekering, hierna BZv). Op grond van dat artikel geldt volgens [gedaagde] voor minderjarigen geen eigen bijdrage voor zorg uit het basispakket. Dit verweer van [gedaagde] slaagt niet. Artikel 2.17 lid 2 BZv gaat niet over de eigen bijdrage maar over het verplicht eigen risico. Dat is niet hetzelfde. Uit dit artikel volgt dus niet dat minderjarigen geen eigen bijdrage hoeven te betalen voor verleende zorg uit het basispakket. 3.4. [gedaagde] heeft niet weersproken dat de zorg waarover de eigen bijdrage is berekend, aan haar minderjarige zoon is verleend. 3.5. De conclusie is dat [gedaagde] de eigen bijdrage voor de minderjarige zoon van [gedaagde] aan Ohra verschuldigd is. Waarom moet [gedaagde] deze bedragen aan Ohra betalen? 3.6. [gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek drie betaalbewijzen overgelegd. De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagde] meent dat deze betalingen van de vordering tot betaling van het verplichte eigen risico van het jaar 2024 en de eigen bijdrage voor haar minderjarige zoon moeten worden afgetrokken. De betalingen op de betaalbewijzen worden hierop niet in mindering gebracht. 3.7. De betalingen van € 159,95 van 29 januari 2025 en 24 februari 2025 zijn premiebetalingen voor de maanden januari en maart 2025. De betaling van € 35,00 van 29 januari 2025 is een termijnbetaling van een eerdere betalingsregeling, die Ohra met [gedaagde] had afgesproken (zie productie 5a van Ohra). Die betaling is al verwerkt en weggestreept tegen de oudste openstaande achterstand van die regeling. De betalingen zien niet op de betaling van het eigen risico of eigen bijdragen en zullen daarom niet van het gevorderde bedrag worden afgetrokken. Slotsom ten aanzien van de hoofdsom 3.8. De vordering tot betaling van het verplichte eigen risico van het jaar 2024 en de eigen bijdrage voor de minderjarige zoon wordt toegewezen. [gedaagde] moet € 409,94 (€ 385,00 + € 24,94) aan Ohra betalen. Proceskosten Waarom moet [gedaagde] de proceskosten betalen? 3.9. Het uitgangspunt is dat de partij die ongelijk krijgt, wordt veroordeeld in de proceskosten. Dit houdt in dat diegene de proceskosten van de andere partij moet vergoeden en geen vergoeding krijgt voor de eigen proceskosten. [gedaagde] krijgt in deze zaak ongelijk. [gedaagde] voert verschillende redenen aan waarom van dit uitgangspunt moet worden afgeweken en de proceskosten voor rekening van Ohra moeten komen of moeten worden gematigd. De kantonrechter volgt [gedaagde] daarin niet. [gedaagde] moet de proceskosten betalen. Hierna wordt dit uitgelegd. 3.10. [gedaagde] voert aan dat Ohra onterecht heeft gedagvaard omdat sprake was van een lopende betalingsregeling. Dit verweer slaagt niet. Het staat vast dat partijen eerder een betalingsregeling hebben afgesproken. [gedaagde] is de betalingsregeling niet correct nagekomen. [gedaagde] heeft op 17 januari 2025 een brief van Ohra ontvangen, waarin staat dat [gedaagde] een gemiste termijnbetaling vóór 31 januari 2025 moet betalen, omdat anders de betalingsregeling zou worden beëindigd. [gedaagde] heeft op 29 januari 2025 de gemiste termijn betaald, maar daarna heeft zij geen termijnbetalingen meer gedaan. De betalingsregeling is daarom alsnog definitief komen te vervallen. In de brief van 7 maart 2025 heeft Ohra [gedaagde] daarover bericht. Ohra kan dan het volledige openstaande bedrag ineens bij [gedaagde] opeisen. Omdat betaling uitbleef, heeft Ohra de vordering ter incasso aan Flanderijn overgedragen. Ook na aanmaning van Flanderijn heeft [gedaagde] de vordering niet betaald en/of op de vordering gereageerd. Ohra is op 18 augustus 2025 dan ook terecht tot dagvaarding van [gedaagde] overgegaan. 3.11. [gedaagde] voert ook aan dat zij Ohra/Flanderijn meerdere keren om een betalingsregeling heeft verzocht omdat zij een bijstandsuitkering en een beperkte aflossingscapaciteit heeft, maar dat Ohra/Flanderijn hierop niet heeft gereageerd. Ook dit verweer van [gedaagde] slaagt niet. De verzoeken om een betalingsregeling die [gedaagde] heeft gedaan en waarvan zij schermprints laat zien, dateren uit 2023. De vordering waar het in deze zaak over gaat bestond toen nog niet. De verzoeken gaan over iets anders, namelijk de vordering tot betaling van het verplicht eigen risico van het jaar 2022 (bij Flanderijn bekend onder dossiernummer [nummer] ). Bovendien geldt dat Ohra op grond van artikel 6:29 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) niet verplicht is een betalingsregeling af te spreken. Ohra mag namelijk zelf kiezen of zij akkoord gaat met een voorstel tot afbetaling in termijnen. 3.12. [gedaagde] doet daarnaast een beroep op de redelijkheid en billijkheid voor matiging van de proceskosten. Volgens [gedaagde] zou een volledige proceskostenveroordeling haar onevenredig zwaar treffen en staat die niet in verhouding tot de aard en omvang van het geschil. De kantonrechter gaat niet mee in het verzoek tot matiging van de proceskosten.