Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-13
ECLI:NL:RBMNE:2026:381
RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: C/16/599452 / HA RK 25-157 Beschikking van 13 januari 2026 in de zaak van [verzoekster] , te [plaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoekster] , advocaat: mr. W. Oudijk en mr. S.M.P. van Reedt Dortland, tegen ASR SCHADEVERZEKERING N.V. , te Utrecht, verwerende partij, hierna te noemen: ASR, advocaat: mr. F.W. Vergonet. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het (gewijzigde) verzoekschrift met producties 1 t/m 18 van 24 september 2025, - het verweerschrift met producties 1 t/m 3 van 5 november 2025, - aanvullende producties 19 t/m 21 van 27 november 2025 van [verzoekster] , - spreekaantekeningen van [verzoekster] , - spreekaantekeningen van ASR, - de mondelinge behandeling van 2 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechter partijen meegedeeld dat op 13 januari 2026 uitspraak wordt gedaan. 2 De kern van de zaak 2.1. Tussen de heer [A] (hierna: [A] ), verzekerde van ASR, en mevrouw [verzoekster] (hierna: [verzoekster] ) heeft een aanrijding plaatsgevonden. [A] reed op dat moment op een snorscooter met blauw kenteken en [verzoekster] op een elektrische bakfiets. ASR heeft op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW) aansprakelijkheid voor 50% erkend. [verzoekster] verzoekt voor recht te verklaren dat ASR haar schade volledig moet vergoeden. De rechtbank wijst het verzoek van [verzoekster] af, omdat het oordeel van de rechtbank over de causale verdeling en over de toepassing van de billijkheidscorrectie niet resulteert in een hoger vergoedingspercentage dan 50%. De verzoeken van [verzoekster] over betaling van de buitengerechtelijke kosten en de kosten in deze deelgeschilprocedure wijst de rechtbank gedeeltelijk toe. 3 De achtergrond van de zaak 3.1.Op 5 april 2023 rond 15.55 uur heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen [A] en [verzoekster] . Hierbij reed [A] op een snorscooter met blauw kenteken en [verzoekster] op een elektrische bakfiets. [verzoekster] was op dat moment zwanger van haar tweede kind. Haar nog jonge eerste kind zat voorin de bakfiets. Als gevolg van dit ongeval heeft [verzoekster] letsel opgelopen. [verzoekster] voert op dit punt aan dat zij kampt met niet aangeboren hersenletsel waar zij tot op de dag van vandaag klachten van ondervindt. [verzoekster] lijdt hierdoor naar eigen zeggen forse schade die onder meer uit verlies van arbeidsvermogen bestaat. [verzoekster] is zelfstandige en runt een eigen drogisterij en parfumerie. Zij zou ook bezig zijn geweest met de overname van een tweede drogisterij. Volgens [verzoekster] gaat de overname van de tweede drogisterij door de gevolgen van het ongeval niet door en is zij zelfs genoodzaakt om haar drogisterij en parfumerie te verkopen. 3.2. Op 5 mei 2023 heeft ASR als WAM-verzekeraar van [A] aansprakelijkheid voor het ongeval op basis van artikel 185 WVW erkend. ASR doet wel een beroep op eigen schuld aan de zijde van [verzoekster] en stelt dat haar vergoedingsplicht op basis daarvan niet hoger is dan de 50%. Daarop heeft [verzoekster] op basis van artikel 185 WVW recht. Ook het beroep van [verzoekster] op toepassing van de billijkheidscorrectie wijzigt het standpunt van ASR niet. [verzoekster] is het hier niet mee eens en meent dat zij recht heeft op een volledige vergoeding van haar schade. Partijen hebben deze discussie niet buiten rechte kunnen oplossen. Daarom is [verzoekster] deze deelgeschilprocedure gestart. 4 De beoordeling Deze zaak is geschikt voor deelgeschil 4.1. [verzoekster] heeft haar verzoek gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure, zoals opgenomen in de artikelen 1019w tot en met 1019cc Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming [A] reed door een groen stoplicht. [verzoekster] reed op de [straat] en sloeg rechtsaf het fietspad op waar [A] reed, in figuur 1 met geel weergegeven. [verzoekster] was van plan direct daarna linksaf te slaan om de [straat] over te steken. De blauwe cirkel is de plek waar [verzoekster] en [A] elkaar raakten. Figuur 2: afbeelding [bedrijf] Rapport, productie 11 verzoekschrift, p. 9) Op het moment van het ongeval stonden een aantal auto’s te wachten voor het rode stoplicht dat te zien is in figuur 2. [verzoekster] is met haar bakfiets links langs de wachtende auto’s gereden en vervolgens rechtsaf geslagen, het fietspad op. Zij mocht het rode verkeerslicht negeren vanwege het verkeersbord “rechtsaf voor fietsers vrij” dat naast het stoplicht hangt. Figuur 3: afbeelding [bedrijf] Rapport, productie 11 verzoekschrift, p. 10) Deze foto in figuur 3 geeft het perspectief van [A] weer. [A] reed hier door een groen stoplicht. [verzoekster] kwam van rechts het fietspad oprijden. 4.7. Allereerst is het belangrijk de verkeerssituatie te duiden. Beide partijen hebben immers niet (ongeoorloofd) een rood stoplicht genegeerd. Op basis van de geldende verkeersregels had [A] voorrang op [verzoekster] . Het groene verkeerslicht van [A] gaat namelijk voor op het bordje “rechtsaf voor fietsers vrij”. Dit volgt uit artikel 68 lid 5 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV): “Indien onder of bij een driekleurig verkeerslicht een bord is geplaatst met de tekst «Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij» respectievelijk« Rechtsaf voor fietsers vrij» gelden het gele en het rode licht niet voor rechts afslaande fietsers, bromfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig respectievelijk voor fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. Zij dienen alsdan het overige verkeer ter plaatse voor te laten gaan.” 4.8. Daarnaast is van belang vast te stellen wat “voorrang verlenen” inhoudt. De definitie van voorrang verlenen staat in artikel 1 RVV: “voorrang verlenen: het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen” Hieruit volgt dat niet zomaar de conclusie getrokken kan worden dat de ene verkeersdeelnemer aan de andere voorrang heeft verleend als ze elkaar bij het kruisen niet hebben geraakt. Er is meer voor nodig, namelijk dat degene die voorrang heeft, ongehinderd zijn of haar weg kan vervolgen. ASR heeft voldoende onderbouwd dat het handelen van [verzoekster] hier niet aan heeft voldaan. 4.9. Zo hebben [A] en [verzoekster] elkaar slechts enkele meters na het kruisingsvlak van de [straat] met het fietspad (hierna: het kruisingsvlak) geraakt. [verzoekster] voert zelf aan dat dit vier à vijf meter voorbij het kruispunt is geweest. Dit staat in het [bedrijf] rapport en [B] zou deze conclusie gebaseerd hebben op bevindingen van de politie: Figuur 4: afbeelding [bedrijf] Rapport, productie 11 verzoekschrift, p. 11, met daaronder de tekst: “De aanrijding vond enkele meters voorbij het kruispunt plaats; de politie volgend was dat zo'n 4 á 5 meter voorbij het kruispunt.”) [verzoekster] doet voorkomen alsof dit een grote afstand is. Althans, voldoende om haar standpunt, dat de voorrangssituatie voorbij was op het moment van het ongeval, te onderbouwen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de verkeerssituatie, niet het geval. Nog los van de vraag of de door [verzoekster] genoemde afstand van vier à vijf meter correct is – dit wordt namelijk door ASR betwist – of in werkelijkheid korter is. Vier à vijf meter is namelijk helemaal geen grote afstand als gekeken wordt naar de grootte van de voertuigen. Uitgaande van het aanvullende [bedrijf] rapport (productie 19 [verzoekster] , p. 1) is de bromfiets 1,76 meter lang en de bakfiets maar liefst 2,63 meter lang. De botsing heeft dus plaatsgevonden op een afstand van minder dan twee keer de lengte van de bakfiets gerekend vanaf het eind van het kruisingsvlak. Deze situatie is in het aanvullende [bedrijf] rapport ook op schaal ingetekend: Figuur 5: afbeelding aanvull 15) staat hierover: “De fietsster gaf tijdens het gesprek op locatie aan dat zij de scooter niet had zien naderen. Op de foto hierboven kunnen wij zien dat de stopstreep vrij ver voor het kruisend fietspad ligt. In de tijd dat deze afstand al fietsen werd afgelegd moet er voldoende tijd c.q. gelegenheid zijn geweest om zich ervan te overtuigen of er (van links) over het fietspad verkeer nadert. In dat geval had de fietsster de naderende scooter kunnen zien.” Ook deze omstandigheid legt de rechtbank in het nadeel van [verzoekster] uit. Had [verzoekster] [A] namelijk wel gezien, dan had ze een andere afweging kunnen maken en kunnen wachten met rechtsaf slaan tot [A] was gepasseerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] weliswaar verteld dat zij [A] wel in de verte heeft gezien toen ze de bocht omging, maar dit acht de rechtbank niet aannemelijk. Dit komt niet alleen omdat zij dit pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd, maar ook omdat onder 4.11 is geconcludeerd dat er maar weinig afstand moet hebben gezeten tussen [A] en [verzoekster] op het moment dat [verzoekster] rechtsaf sloeg. 4.14. De twee kijkmomenten van [verzoekster] die in het aanvullende [bedrijf] Rapport (p. 3 en 4) zijn gesimuleerd, waarbij de situatie is geschetst dat bij het eerste kijkmoment een afstand van 14,44 meter en bij het tweede kijkmoment een afstand van 10,51 meter zou bestaan tussen [A] en [verzoekster] , maakt het oordeel in overweging 4.10 en 4.11 niet anders. Nog los van de vraag of deze gegevens in het rapport juist zijn, volgt uit hetzelfde rapport dat [A] en [verzoekster] elkaar enkele meters na het kruisingsvlak geraakt hebben en [A] niet te hard heeft gereden (zie overweging 4.9 en 4.10). Deze omstandigheden, gecombineerd met de omstandigheid dat [verzoekster] [A] niet heeft zien aankomen, maakt dat de informatie over de kijkmomenten niets afdoet aan het oordeel dat [verzoekster] ten onrechte geen voorrang heeft verleend aan [A] . 4.15. Naast het oordeel van de rechtbank over het handelen van [verzoekster] , oordeelt de rechtbank dat ook het handelen van [A] heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, zij het in mindere mate dan het handelen van [verzoekster] . Zoals [verzoekster] verweten kan worden dat zij [A] niet heeft zien rijden, zo kan het [A] verweten worden dat hij [verzoekster] wel heeft zien fietsen, maar daar onvoldoende op heeft geanticipeerd. Gelet op de verkeerssituatie die weergegeven is in de figuren 1 t/m 5, werd het zicht van [A] op [verzoekster] niet gehinderd door obstakels. Dit is ook niet door ASR aangevoerd. [A] had dus kunnen anticiperen op de verkeersfout van [verzoekster] , maar heeft dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gedaan. Het lijkt er namelijk op dat [A] op de situatie heeft proberen te anticiperen door [verzoekster] links te willen passeren, omdat [verzoekster] voor hem het fietspad op reed en daardoor zijn vrije doorgang blokkeerde met haar bakfiets. Dat dit een bewuste inhaalactie zou zijn geweest van [A] in plaats van een uitwijkpoging, zoals door [verzoekster] gesteld wordt, en [A] daarbij te weinig ruimte heeft gelaten tussen hem en [verzoekster] is, gelet op de betwisting door ASR, onvoldoende onderbouwd. Wel oordeelt de rechtbank dat [A] (eerder) vaart had kunnen minderen. 4.16. Wanneer de rechtbank de hiervoor beschreven gedragingen van [verzoekster] en [A] tegen elkaar afweegt en beoordeelt in welke mate de gedragingen hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, komt de rechtbank tot het oordeel dat de gedragingen van [verzoekster] voor 75% en de gedragingen van [A] voor 25% aan het ontstaan van het ongeval hebben bijgedragen. De causale verdeling is dan dus 75% - 25% in het nadeel van [verzoekster] . Na de causale verdeling moet beoordeeld worden of een billijkheidscorrectie moet worden toegepast in het voordeel van [verzoekster] en zo ja, in welke mate. Billijkheidscorrectie 4.17. Naar het oordeel van de rechtbank is er gee Bovendien worden de kosten voor het procesadvies voor het eerst pas in deze procedure aan ASR voorgelegd. Voor die tijd waren deze kosten dus geen onderwerp van dit geschil, aldus ASR. 4.22. De rechtbank oordeelt dat ASR wel de kosten voor de sommatiebrief van € 900,00 excl. btw aan [verzoekster] moet betalen. Deze brief is geschreven in het kader van de discussie tussen partijen over de vergoedingsplicht van ASR en valt (daarom) onder artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Met deze brief heeft [verzoekster] namelijk in een laatste poging geprobeerd om buiten rechte met ASR de discussie over de aansprakelijkheid te beslechten. Gelet op de inhoud en omvang van de brief zijn deze kosten daarom, hoewel aan de hoge kant, in redelijkheid gemaakt. 4.23. Dit geldt niet voor de kosten van het procesadvies ter hoogte van € 4.000,00 excl. btw. De rechtbank ziet geen grondslag voor de vergoeding van deze kosten. [verzoekster] schrijft zelf in haar verzoekschrift over deze kosten: “Daarnaast is op verzoek van DAS een procesadvies uitgebracht (…).” Ook uit de urenspecificatie die volgens [verzoekster] bij dit procesadvies hoort (productie 16 verzoekschrift), valt op te maken dat voornamelijk tijd is besteed aan het bestuderen van het dossier en aan het contact van de advocaten met DAS en met de andere belangenbehartiger van [verzoekster] , mr. B. Meilink. 4.24. De rechtbank oordeelt dat deze kosten niet gezien kunnen worden als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Dat [verzoekster] aanvoert dat de kosten van het procesadvies zijn gemaakt vanwege de discussie over de vergoedingsplicht en daarmee onderdeel zijn van het geschil, is naar het oordeel van de rechtbank te kort door de bocht. De kosten zijn misschien wel gemaakt vanwege de discussie tussen partijen over de vergoedingsplicht, maar zien niet op het voeren van de discussie zelf. Het is immers een advies aan DAS. De kosten van deze deelgeschilprocedure 4.25. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake. 4.26. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. 4.27. [verzoekster] maakt aanspraak op € 10.843,42 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. Waarbij is gerekend met een uurtarief van € 310,00 voor mr. Van Reedt Dortland en € 230,00 voor mr. Oudijk. ASR voert primair aan dat zij in het geheel niet gehouden is deze kosten te betalen, omdat deze kosten kunnen worden geclaimd bij DAS als rechtsbijstandsverzekering. Subsidiair voert ASR aan dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief bovenmatig is. 4.28. De rechtbank is van oordeel dat ASR moet worden veroordeeld in de kosten van deze deelgeschilprocedure. Het feit dat [verzoekster] een rechtsbijstandsverzekering bij DAS heeft brengt niet automatisch mee dat zij geen aanspraak kan maken op een kostenveroordeling. [verzoekster] heeft aangetoond dat de proceskosten verzekerd zijn, tenzij deze kosten op een ander verhaald kunnen worden. De dekking is dus voorwaardelijk en daarom zijn de proceskosten aan te merken als schade van [verzoekster] . 4.29. Wel zal de rechtbank de kosten matigen, omdat het aantal bestede uren en het uurtarief van mr. Van Reedt Dortland bovenmatig is gelet op de mate van complexiteit van deze zaak. Een uurtarief van € 310,00 is zelfs voor juridisch complexe zaken fors te noemen. De zaak is mogelijk feitelijk complex, omdat het de vraag is hoe het ongeval preci