Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-05-08
ECLI:NL:RBMNE:2026:2705
Civiel recht
Beschikking
7,240 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2705 text/xml public 2026-05-19T14:06:30 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-08 12081691 \ ME VERZ 26-16 BW 31650 Uitspraak Beschikking NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2705 text/html public 2026-05-19T14:05:46 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2705 Rechtbank Midden-Nederland , 08-05-2026 / 12081691 \ ME VERZ 26-16 BW 31650 werkgever moet meewerken aan einde slapend dienstverband onder toekenning van de transitievergoeding RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer / rekestnummer: 12081691 \ ME VERZ 26-16 BW 31650 Beschikking van 8 mei 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonend in [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. B.C. Bender (DAS Rechtbijstand), tegen [verweerder] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] , vertegenwoordigd door haar CEO de heer [gemachtigde] . 1 De procedure 1.1 De kantonrechter beschikt over de volgende stukken: - de dagvaarding met 7 producties van 23 december 2025, - het verwijzingsvonnis van 4 februari 2026, - de akte houdende wijziging van het verzoek met producties 8 en 9 van 17 maart 2026, -de producties 1 tot en met 3 van [verweerder] (overhandigd tijdens de mondelinge behandeling). 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 april 2026. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. Bender. Namens [verweerder] is de heer [gemachtigde] (CEO) verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen is besproken. 1.3 De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De kern van de zaak 2.1 [verzoeker] is sinds 15 februari 2021 in dienst bij [verweerder] . Vanaf 23 oktober 2023 is [verzoeker] arbeidsongeschikt. Vanaf 26 maart 2025 ontvangt [verzoeker] een vervroegde IVA-uitkering. De loondoorbetalingsverplichting van [verweerder] is per 21 oktober 2025 geëindigd. [verzoeker] kan zijn werkzaamheden niet meer verrichten en heeft [verweerder] gevraagd om mee te werken aan een einde van de arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft op 20 januari 2026 aan [verzoeker] laten weten dat zij er vanuit gaat dat de arbeidsovereenkomst al per 21 oktober 2025 is geëindigd. 2.2 In deze procedure vraagt [verzoeker] primair om toekenning van een billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en een transitievergoeding, omdat [verweerder] op 20 januari 2026 de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd. Subsidiair vraagt [verzoeker] om [verweerder] te veroordelen in te stemmen met het voorstel ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst zoals opgenomen in een door hem opgestelde vaststellingsovereenkomst en om betaling van de transitievergoeding, openstaande vakantiedagen en vergoeding van zijn buitengerechtelijke kosten. Meer subsidiair vraagt [verzoeker] om aan hem een schadevergoeding toe te kennen die gelijk is aan de transitievergoeding, betaling van openstaande vakantiedagen en vergoeding van zijn buitengerechtelijke kosten. 2.3 De kantonrechter wijst de subsidiaire verzoeken toe en legt dat hierna uit. 3 De beoordeling [verweerder] heeft de arbeidsovereenkomst niet opgezegd 3.1 De eerste vraag die voorligt is of [verweerder] in haar e-mail van 20 januari 2026 de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] (onregelmatig) heeft opgezegd. Om de inhoud van deze e-mail te kunnen uitleggen is de context van belang. De e-mail van [verweerder] is een reactie op een e-mail van [verzoeker] aan [verweerder] waarin [verzoeker] de vraag voorlegt of hij vanaf 21 januari 2026 vakantie-uren kan opnemen. In reactie daarop laat [verweerder] weten: “ Beste heer [verzoeker] , Volgens onze administratie heeft u op 23 augustus 2025 de maximale termijn van twee jaar ziekte bereikt. Sinds die datum bent u niet langer meer bij ons in dienst. (…)” 3.2 [verzoeker] vat deze e-mail van de CEO van [verweerder] op als een onregelmatige opzegging van zijn arbeidsovereenkomst en meent dat hij daarom aanspraak heeft op de transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding. De CEO van [verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat hij in de veronderstelling was dat de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd op het moment dat ook de loondoorbetalingsverplichting is geëindigd. De CEO van [verweerder] heeft ook uitgelegd dat het niet zijn bedoeling was om in de e-mail van 20 januari 2026 de arbeidsovereenkomst op te zeggen, maar dat deze mededeling is voortgekomen uit zijn onwetendheid en dat hij nu inziet dat dit niet juist is. 3.3 De kantonrechter is het onder de gegeven omstandigheden met [verweerder] eens dat de e-mail van 20 januari 2026 niet is aan te merken als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Naar de kantonrechter begrijpt heeft [verweerder] in haar e-mail willen zeggen dat het opnemen van vakantiedagen niet aan de orde is, omdat er geen dienstverband meer zou bestaan en heeft [verweerder] met deze mededeling niet bedoeld een bestaande arbeidsovereenkomst op te zeggen. Te meer nu [verweerder] een kleine organisatie betreft, zonder HR-functionaris of andere professionals op dit gebied, merkt de kantonrechter deze mededeling die is voortgekomen uit onwetendheid hier niet aan als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. 3.4 Dat betekent dat de primaire verzoeken van [verzoeker] worden afgewezen en dat tussen partijen nog een arbeidsovereenkomst bestaat. De kantonrechter zal daarom de subsidiaire verzoeken beoordelen. [verweerder] moet meewerken aan het beëindigen van de arbeidsovereenkomst 3.5 Subsidiair vraagt [verzoeker] om [verweerder] te veroordelen om de vaststellingsovereenkomst zoals deze door de gemachtigde van [verzoeker] is opgesteld te ondertekenen. Dit verzoek komt voort uit de eerdere weigering van [verweerder] om mee te werken aan een einde van de arbeidsovereenkomst door middel van het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Op grond van die weigering zou een ontbindingsverzoek op grond van artikel 7:671c BW toewijsbaar zijn, omdat [verweerder] niet is ingegaan op het verzoek van [verzoeker] om mee te werken aan een beëindiging van het slapende dienstverband onder toekenning van de transitievergoeding. [verzoeker] vraagt echter niet om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar vraagt om een veroordeling van [verweerder] om tot ondertekening van de vaststellingsovereenkomst over te gaan. De kantonrechter wijst dat verzoek toe. Hoewel een veroordeling tot het ondertekenen van een vaststellingsovereenkomst in de meeste gevallen niet zonder meer toewijsbaar is gelet op het beginsel van contractsvrijheid, geldt hier dat [verweerder] ook wil dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, dat zij het ook eens is met de voorwaarden die in de vaststellingsovereenkomst staan en dat die voorwaarden beperkt zijn tot verplichtingen die reeds uit de wet voortvloeien. [verweerder] heeft erkend dat zij bij het einde van de arbeidsovereenkomst de transitievergoeding en de openstaande vakantiedagen moet betalen. Desondanks hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling geen overstemming kunnen bereiken, omdat [verweerder] erop heeft gewezen dat zij in juli 2026 pas in staat is om tot betaling over te gaan. [verzoeker] heeft aangegeven dat niet te willen afwachten. 3.6 De kantonrechter stelt vast dat er geen gerechtvaardigd belang bestaat om de arbeidsovereenkomst in stand te laten. Er is sprake van langdurige arbeidsongeschiktheid, de 104-weken loondoorbetalingsperiode is al ruimschoots verstreken en partijen zijn het erover eens dat [verzoeker] zijn werkzaamheden voor [verweerder] niet meer kan verrichten. Dat [verweerder] in financieel zware omstandigheden verkeert, is betreurenswaardig, maar die omstandigheid komt voor rekening en risico van [verweerder] . Gelet op de erkenning van [verweerder] dat de arbeidsovereenkomst tot een einde moet komen en daarbij betaling moet plaatsvinden van een transitievergoeding zal de kantonrechter de subsidiaire verzoeken toewijzen.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2705 text/xml public 2026-05-19T14:06:30 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-08 12081691 \ ME VERZ 26-16 BW 31650 Uitspraak Beschikking NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2705 text/html public 2026-05-19T14:05:46 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2705 Rechtbank Midden-Nederland , 08-05-2026 / 12081691 \ ME VERZ 26-16 BW 31650 werkgever moet meewerken aan einde slapend dienstverband onder toekenning van de transitievergoeding RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer / rekestnummer: 12081691 \ ME VERZ 26-16 BW 31650 Beschikking van 8 mei 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonend in [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. B.C. Bender (DAS Rechtbijstand), tegen [verweerder] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] , vertegenwoordigd door haar CEO de heer [gemachtigde] . 1 De procedure 1.1 De kantonrechter beschikt over de volgende stukken: - de dagvaarding met 7 producties van 23 december 2025, - het verwijzingsvonnis van 4 februari 2026, - de akte houdende wijziging van het verzoek met producties 8 en 9 van 17 maart 2026, -de producties 1 tot en met 3 van [verweerder] (overhandigd tijdens de mondelinge behandeling). 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 april 2026. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. Bender. Namens [verweerder] is de heer [gemachtigde] (CEO) verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen is besproken. 1.3 De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De kern van de zaak 2.1 [verzoeker] is sinds 15 februari 2021 in dienst bij [verweerder] . Vanaf 23 oktober 2023 is [verzoeker] arbeidsongeschikt. Vanaf 26 maart 2025 ontvangt [verzoeker] een vervroegde IVA-uitkering. De loondoorbetalingsverplichting van [verweerder] is per 21 oktober 2025 geëindigd. [verzoeker] kan zijn werkzaamheden niet meer verrichten en heeft [verweerder] gevraagd om mee te werken aan een einde van de arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft op 20 januari 2026 aan [verzoeker] laten weten dat zij er vanuit gaat dat de arbeidsovereenkomst al per 21 oktober 2025 is geëindigd. 2.2 In deze procedure vraagt [verzoeker] primair om toekenning van een billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en een transitievergoeding, omdat [verweerder] op 20 januari 2026 de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd. Subsidiair vraagt [verzoeker] om [verweerder] te veroordelen in te stemmen met het voorstel ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst zoals opgenomen in een door hem opgestelde vaststellingsovereenkomst en om betaling van de transitievergoeding, openstaande vakantiedagen en vergoeding van zijn buitengerechtelijke kosten. Meer subsidiair vraagt [verzoeker] om aan hem een schadevergoeding toe te kennen die gelijk is aan de transitievergoeding, betaling van openstaande vakantiedagen en vergoeding van zijn buitengerechtelijke kosten. 2.3 De kantonrechter wijst de subsidiaire verzoeken toe en legt dat hierna uit. 3 De beoordeling [verweerder] heeft de arbeidsovereenkomst niet opgezegd 3.1 De eerste vraag die voorligt is of [verweerder] in haar e-mail van 20 januari 2026 de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] (onregelmatig) heeft opgezegd. Om de inhoud van deze e-mail te kunnen uitleggen is de context van belang. De e-mail van [verweerder] is een reactie op een e-mail van [verzoeker] aan [verweerder] waarin [verzoeker] de vraag voorlegt of hij vanaf 21 januari 2026 vakantie-uren kan opnemen. In reactie daarop laat [verweerder] weten: “ Beste heer [verzoeker] , Volgens onze administratie heeft u op 23 augustus 2025 de maximale termijn van twee jaar ziekte bereikt. Sinds die datum bent u niet langer meer bij ons in dienst. (…)” 3.2 [verzoeker] vat deze e-mail van de CEO van [verweerder] op als een onregelmatige opzegging van zijn arbeidsovereenkomst en meent dat hij daarom aanspraak heeft op de transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding. De CEO van [verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat hij in de veronderstelling was dat de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd op het moment dat ook de loondoorbetalingsverplichting is geëindigd. De CEO van [verweerder] heeft ook uitgelegd dat het niet zijn bedoeling was om in de e-mail van 20 januari 2026 de arbeidsovereenkomst op te zeggen, maar dat deze mededeling is voortgekomen uit zijn onwetendheid en dat hij nu inziet dat dit niet juist is. 3.3 De kantonrechter is het onder de gegeven omstandigheden met [verweerder] eens dat de e-mail van 20 januari 2026 niet is aan te merken als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Naar de kantonrechter begrijpt heeft [verweerder] in haar e-mail willen zeggen dat het opnemen van vakantiedagen niet aan de orde is, omdat er geen dienstverband meer zou bestaan en heeft [verweerder] met deze mededeling niet bedoeld een bestaande arbeidsovereenkomst op te zeggen. Te meer nu [verweerder] een kleine organisatie betreft, zonder HR-functionaris of andere professionals op dit gebied, merkt de kantonrechter deze mededeling die is voortgekomen uit onwetendheid hier niet aan als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. 3.4 Dat betekent dat de primaire verzoeken van [verzoeker] worden afgewezen en dat tussen partijen nog een arbeidsovereenkomst bestaat. De kantonrechter zal daarom de subsidiaire verzoeken beoordelen. [verweerder] moet meewerken aan het beëindigen van de arbeidsovereenkomst 3.5 Subsidiair vraagt [verzoeker] om [verweerder] te veroordelen om de vaststellingsovereenkomst zoals deze door de gemachtigde van [verzoeker] is opgesteld te ondertekenen. Dit verzoek komt voort uit de eerdere weigering van [verweerder] om mee te werken aan een einde van de arbeidsovereenkomst door middel van het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Op grond van die weigering zou een ontbindingsverzoek op grond van artikel 7:671c BW toewijsbaar zijn, omdat [verweerder] niet is ingegaan op het verzoek van [verzoeker] om mee te werken aan een beëindiging van het slapende dienstverband onder toekenning van de transitievergoeding. [verzoeker] vraagt echter niet om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar vraagt om een veroordeling van [verweerder] om tot ondertekening van de vaststellingsovereenkomst over te gaan. De kantonrechter wijst dat verzoek toe. Hoewel een veroordeling tot het ondertekenen van een vaststellingsovereenkomst in de meeste gevallen niet zonder meer toewijsbaar is gelet op het beginsel van contractsvrijheid, geldt hier dat [verweerder] ook wil dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, dat zij het ook eens is met de voorwaarden die in de vaststellingsovereenkomst staan en dat die voorwaarden beperkt zijn tot verplichtingen die reeds uit de wet voortvloeien. [verweerder] heeft erkend dat zij bij het einde van de arbeidsovereenkomst de transitievergoeding en de openstaande vakantiedagen moet betalen. Desondanks hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling geen overstemming kunnen bereiken, omdat [verweerder] erop heeft gewezen dat zij in juli 2026 pas in staat is om tot betaling over te gaan. [verzoeker] heeft aangegeven dat niet te willen afwachten. 3.6 De kantonrechter stelt vast dat er geen gerechtvaardigd belang bestaat om de arbeidsovereenkomst in stand te laten. Er is sprake van langdurige arbeidsongeschiktheid, de 104-weken loondoorbetalingsperiode is al ruimschoots verstreken en partijen zijn het erover eens dat [verzoeker] zijn werkzaamheden voor [verweerder] niet meer kan verrichten. Dat [verweerder] in financieel zware omstandigheden verkeert, is betreurenswaardig, maar die omstandigheid komt voor rekening en risico van [verweerder] . Gelet op de erkenning van [verweerder] dat de arbeidsovereenkomst tot een einde moet komen en daarbij betaling moet plaatsvinden van een transitievergoeding zal de kantonrechter de subsidiaire verzoeken toewijzen.
Volledig
[verweerder] moet dus meewerken aan de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst en overgaan tot een correcte eindafrekening van het dienstverband. De termijn waar binnen [verweerder] tot ondertekening van de vaststellingsovereenkomst moet overgaan zal de kantonrechter op 7 dagen stellen. De einddatum van de arbeidsovereenkomst zal, overeenkomstig het in de vaststellingsovereenkomst bepaalde, gelijk zijn aan de datum van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst. De dwangsommen (voor het geval [verweerder] in gebreke blijft mee te werken aan de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst) zijn ook toewijsbaar, maar deze zullen worden gematigd tot een bedrag van € 100,00 per dag en tot een maximum van € 10.000,00. [verweerder] moet de transitievergoeding betalen 3.7 Volgens [verzoeker] betreft de hoogte van de transitievergoeding € 5.057,75 bruto. Daarbij is [verzoeker] uitgegaan van een einddatum van 21 oktober 2025 en dat sluit aan bij het bepaalde in het Xella-arrest. Door [verweerder] is de hoogte van de transitievergoeding ook niet betwist. Het bedrag van € 5.057,75 bruto zal dus worden toegewezen. [verzoeker] heeft gevraagd [verweerder] te veroordelen binnen zeven dagen over te gaan tot betaling van de transitievergoeding. In de vaststellingsovereenkomst staat echter dat de transitievergoeding binnen 14 dagen na het einde van het dienstverband moet worden betaald. Daar sluit de kantonrechter dan ook bij aan. Als de transitievergoeding door [verweerder] niet binnen veertien dagen na het einde van het dienstverband is betaald, is [verweerder] de wettelijke rente daarover verschuldigd. [verweerder] moet de openstaande vakantiedagen uitbetalen 3.8 Wat betreft het openstaande vakantiedagensaldo heeft [verzoeker] tijdens de zitting toegelicht dat dit verzoek ook onder de subsidiaire verzoeken behoort. Hoewel niet als zodanig ook onder de subsidiaire vordering in het petitum opgenomen, meent de kantonrechter dat dit ook onder het subsidiaire verzoek moet worden verstaan nu het ook onder het primaire en meer subsidiaire is opgenomen. Het saldo is door [verzoeker] berekend tot het moment dat de 104-weken periode is geëindigd, zodat hier geen discussie bestaat over de vraag of na die 104-weken periode nog vakantiedagen worden opgebouwd. De hoogte van het openstaande vakantiedagensaldo heeft [verweerder] niet betwist, zodat het bedrag van € 10.562,56 bruto zal worden toegewezen. De wettelijke rente over het vakantiedagensaldo zal eveneens worden toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. 3.9 Omdat de subsidiaire verzoeken worden toegewezen, komt de kantonrechter niet meer toe aan de beoordeling van de meer subsidiaire verzoeken. [verweerder] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen 3.10 De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn ook toewijsbaar. [verzoeker] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 759,74 inclusief btw is in overeenstemming met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal, bij gebrek aan een ander aanknopingspunt, worden toegewezen vanaf de dag van betekening van de dagvaarding (23 december 2025). [verweerder] moet een correcte specificatie verstrekken 3.11 Ook het verzoek tot het verstrekken van een correcte bruto/netto specificatie van de uit te betalen bedragen, is toewijsbaar. Deze specificatie moet [verweerder] binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst verstrekken. De dwangsommen (voor het geval [verweerder] in gebreke blijft de specificatie te verstrekken) zijn ook toewijsbaar, maar deze zullen worden gematigd tot een bedrag van € 25,00 per dag en tot een maximum van € 2.000,00. [verweerder] moet de proceskosten betalen 3.12 Omdat [verweerder] in het ongelijk is gesteld, moet zij de proceskosten van [verzoeker] betalen. De proceskosten worden begroot op een bedrag van € 986,00, bestaande uit € 265,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Bij de vaststelling van het griffierecht sluit de kantonrechter aan bij het tarief voor de toegewezen subsidiaire verzoeken. Het eventuele hogere in rekening gebrachte griffierecht (wat berekend is op basis van de primaire verzoeken) en de extra kosten door het onjuist inleiden van de procedure komen voor rekening van [verzoeker] . 4 De beslissing De kantonrechter: 4.1 veroordeelt [verweerder] om binnen zeven dagen na dagtekening van deze beschikking in te stemmen met het voorstel ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst als verwoord in productie 5, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [verweerder] in gebreke blijft om in te stemmen, tot een maximum van € 10.000,00, 4.2 veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] binnen veertien dagen na het einde van de arbeidsovereenkomst te betalen de transitievergoeding van € 5.057,75 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf de vijftiende dag na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, 4.3 veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst te betalen een bedrag van € 10.562,56 bruto aan vakantie uren, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, 4.4 veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van € 759,74 inclusief 21% BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf 23 december 2025 tot de dag van volledige betaling, 4.5 veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van [verzoeker] , begroot op € 986,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 4.6 veroordeelt [verweerder] om binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst een behoorlijke bruto/netto specificatie te verstrekken aan [verzoeker] van hetgeen zij uit deze procedure zal voldoen, op straffe van een dwangsom van € 25,00 per dag dat [verweerder] in gebreke blijft om in te stemmen, tot een maximum van € 2.000,00, 4.7 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, 4.8 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.
Volledig
[verweerder] moet dus meewerken aan de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst en overgaan tot een correcte eindafrekening van het dienstverband. De termijn waar binnen [verweerder] tot ondertekening van de vaststellingsovereenkomst moet overgaan zal de kantonrechter op 7 dagen stellen. De einddatum van de arbeidsovereenkomst zal, overeenkomstig het in de vaststellingsovereenkomst bepaalde, gelijk zijn aan de datum van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst. De dwangsommen (voor het geval [verweerder] in gebreke blijft mee te werken aan de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst) zijn ook toewijsbaar, maar deze zullen worden gematigd tot een bedrag van € 100,00 per dag en tot een maximum van € 10.000,00. [verweerder] moet de transitievergoeding betalen 3.7 Volgens [verzoeker] betreft de hoogte van de transitievergoeding € 5.057,75 bruto. Daarbij is [verzoeker] uitgegaan van een einddatum van 21 oktober 2025 en dat sluit aan bij het bepaalde in het Xella-arrest. Door [verweerder] is de hoogte van de transitievergoeding ook niet betwist. Het bedrag van € 5.057,75 bruto zal dus worden toegewezen. [verzoeker] heeft gevraagd [verweerder] te veroordelen binnen zeven dagen over te gaan tot betaling van de transitievergoeding. In de vaststellingsovereenkomst staat echter dat de transitievergoeding binnen 14 dagen na het einde van het dienstverband moet worden betaald. Daar sluit de kantonrechter dan ook bij aan. Als de transitievergoeding door [verweerder] niet binnen veertien dagen na het einde van het dienstverband is betaald, is [verweerder] de wettelijke rente daarover verschuldigd. [verweerder] moet de openstaande vakantiedagen uitbetalen 3.8 Wat betreft het openstaande vakantiedagensaldo heeft [verzoeker] tijdens de zitting toegelicht dat dit verzoek ook onder de subsidiaire verzoeken behoort. Hoewel niet als zodanig ook onder de subsidiaire vordering in het petitum opgenomen, meent de kantonrechter dat dit ook onder het subsidiaire verzoek moet worden verstaan nu het ook onder het primaire en meer subsidiaire is opgenomen. Het saldo is door [verzoeker] berekend tot het moment dat de 104-weken periode is geëindigd, zodat hier geen discussie bestaat over de vraag of na die 104-weken periode nog vakantiedagen worden opgebouwd. De hoogte van het openstaande vakantiedagensaldo heeft [verweerder] niet betwist, zodat het bedrag van € 10.562,56 bruto zal worden toegewezen. De wettelijke rente over het vakantiedagensaldo zal eveneens worden toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. 3.9 Omdat de subsidiaire verzoeken worden toegewezen, komt de kantonrechter niet meer toe aan de beoordeling van de meer subsidiaire verzoeken. [verweerder] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen 3.10 De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn ook toewijsbaar. [verzoeker] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 759,74 inclusief btw is in overeenstemming met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal, bij gebrek aan een ander aanknopingspunt, worden toegewezen vanaf de dag van betekening van de dagvaarding (23 december 2025). [verweerder] moet een correcte specificatie verstrekken 3.11 Ook het verzoek tot het verstrekken van een correcte bruto/netto specificatie van de uit te betalen bedragen, is toewijsbaar. Deze specificatie moet [verweerder] binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst verstrekken. De dwangsommen (voor het geval [verweerder] in gebreke blijft de specificatie te verstrekken) zijn ook toewijsbaar, maar deze zullen worden gematigd tot een bedrag van € 25,00 per dag en tot een maximum van € 2.000,00. [verweerder] moet de proceskosten betalen 3.12 Omdat [verweerder] in het ongelijk is gesteld, moet zij de proceskosten van [verzoeker] betalen. De proceskosten worden begroot op een bedrag van € 986,00, bestaande uit € 265,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Bij de vaststelling van het griffierecht sluit de kantonrechter aan bij het tarief voor de toegewezen subsidiaire verzoeken. Het eventuele hogere in rekening gebrachte griffierecht (wat berekend is op basis van de primaire verzoeken) en de extra kosten door het onjuist inleiden van de procedure komen voor rekening van [verzoeker] . 4 De beslissing De kantonrechter: 4.1 veroordeelt [verweerder] om binnen zeven dagen na dagtekening van deze beschikking in te stemmen met het voorstel ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst als verwoord in productie 5, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [verweerder] in gebreke blijft om in te stemmen, tot een maximum van € 10.000,00, 4.2 veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] binnen veertien dagen na het einde van de arbeidsovereenkomst te betalen de transitievergoeding van € 5.057,75 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf de vijftiende dag na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, 4.3 veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst te betalen een bedrag van € 10.562,56 bruto aan vakantie uren, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, 4.4 veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van € 759,74 inclusief 21% BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf 23 december 2025 tot de dag van volledige betaling, 4.5 veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van [verzoeker] , begroot op € 986,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 4.6 veroordeelt [verweerder] om binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst een behoorlijke bruto/netto specificatie te verstrekken aan [verzoeker] van hetgeen zij uit deze procedure zal voldoen, op straffe van een dwangsom van € 25,00 per dag dat [verweerder] in gebreke blijft om in te stemmen, tot een maximum van € 2.000,00, 4.7 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, 4.8 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.