Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-05-15
ECLI:NL:RBMNE:2026:2494
Civiel recht
Kort geding
7,977 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2494 text/xml public 2026-05-19T13:19:21 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-15 C/16/610412 / KG ZA 26-224 Uitspraak Kort geding NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2494 text/html public 2026-05-18T12:35:03 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2494 Rechtbank Midden-Nederland , 15-05-2026 / C/16/610412 / KG ZA 26-224 Kort geding. Vordering tegen de Staat tot opheffing van strafvorderlijk anderbeslag (artikel 94a Sv). De vordering wordt afgewezen. RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/610412 / KG ZA 26-224 Vonnis in kort geding van 15 mei 2026 in de zaak van [eisende partij] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , advocaat: mr. W.G. Jonker, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) , zetelende in 's Gravenhage, gedaagde partij, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. M. Beekes, en [geëxecuteerde] , zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland, geëxecuteerde, hierna te noemen: [geëxecuteerde] , advocaat: mr. J de Koning, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 23 april 2026 met producties 1 tot en met 10, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 9, - de akte van [eisende partij] met producties 11 tot en met 14, - de brief van mr. J. de Koning namens haar cliënt [geëxecuteerde] , - de mondelinge behandeling van 30 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt, - de pleitnota van [eisende partij] , - de pleitnota van de Staat. 1.2. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter laten weten dat vandaag een vonnis wordt gewezen in deze procedure. 2 De kern van de zaak 2.1. De Staat heeft executoriaal anderbeslag (in de zin van artikel 94a, lid 4, Wetboek van Strafvordering, hierna: Sv) gelegd op verschillende onroerende zaken van [eisende partij] . Dit beslag heeft de Staat gelegd om verhaal veilig te stellen van een ontnemingsmaatregel die is opgelegd aan de voormalige aandeelhouder van [eisende partij] . [eisende partij] vindt dat dit beslag ten onrechte is gelegd en vordert daarom dat de voorzieningenrechter het opheft. De voorzieningenrechter is het niet met [eisende partij] eens en wijst haar vorderingen af. 3 De achtergrond van de zaak 3.1. [eisende partij] is een vennootschap die onroerende goederen bezit aan de [adres 1] en [adres 2] , en de [adres 3] en [adres 4] in [plaats] . Alle aandelen in [eisende partij] waren tot 26 september 2022 in het bezit van [geëxecuteerde] , waarna ze zijn overgedragen aan zijn toenmalige partner [A] (hierna: [A] ). [A] kocht deze aandelen voor een bedrag van € 1,- en nam daarbij tegenover [geëxecuteerde] en [eisende partij] op zich de nog openstaande hypotheekschuld van [eisende partij] af te lossen tot een bedrag van € 5.200.000,-. De waarde van de aandelen van [eisende partij] , waarin geen andere activiteiten plaatsvinden dan het houden van het genoemde onroerend goed, komt nagenoeg overeen met de waarde van dat onroerend goed na aftrek van de daarop rustende hypotheekschuld. Bij de genoemde transactie kwam [A] met de hypotheekhouder (RNHB) overeen dat na de betaling van € 5.200.000,- het restant van de toen openstaande schuld (die in totaal € 7.114.108,11 bedroeg) aan [eisende partij] werd kwijtgescholden. Om de aandelenoverdracht mogelijk te maken is de Staat akkoord gegaan met de opheffing van het beslag dat zij ten laste van [eisende partij] en daarmee ten laste van [geëxecuteerde] had gelegd op [adres 3] . Dit beslag had de Staat gelegd tot verhaal van een onherroepelijk vaststaande schuld van [geëxecuteerde] aan de Staat, omdat de strafrechter heeft bepaald dat [geëxecuteerde] € 24.498.121,78 aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. [geëxecuteerde] voldoet die schuld niet vrijwillig en daarom verhaalt de Staat zich op zijn vermogensbestanddelen. Ten tijde van dit geding staat van die schuld nog € 13.688.695,02 open. 3.2. Omdat de Staat [geëxecuteerde] ervan verdenkt dat hij vermogen achterhoudt, is de Staat op 26 september 2024 gestart met een strafrechtelijk executieonderzoek. Als gevolg van dit onderzoek heeft de Staat op 3 oktober 2025 anderbeslag op alle onroerende zaken van [eisende partij] gelegd (artikel 94a lid 4 Sv). Maar volgens [eisende partij] is er niet aan de vereisten voor een anderbeslag voldaan. Hierom vraagt zij aan de voorzieningenrechter om het beslag op al haar onroerende zaken op te heffen. Subsidiair verzoekt [eisende partij] om alleen het anderbeslag op [adres 4] op te heffen. De reden hiervoor is dat zij voor [adres 4] een koopovereenkomst heeft gesloten, waarbij de levering aan de nieuwe eigenaar al op 1 mei 2026 had moeten plaatsvinden. 4 De beoordeling [eisende partij] hoeft [geëxecuteerde] niet alsnog te dagvaarden 4.1. Als verweer op de vorderingen van [eisende partij] heeft de Staat allereerst aangevoerd dat [eisende partij] niet-ontvankelijk is. Dit komt doordat een derde die opkomt tegen de executie van het onder haar gelegde beslag ( [eisende partij] ), ook de geëxecuteerde ( [geëxecuteerde] ) moet dagvaarden, wat hier niet is gebeurd. Toch is de voorzieningenrechter van oordeel dat dat niet alsnog hoeft te gebeuren. 4.2. De ratio van de bepaling van artikel 438 lid 6 Rv is dat de geëxecuteerde langs formele weg op de hoogte wordt gesteld van het executiegeschil tussen de beslaglegger en de derde, van de vorderingen die in dat geschil zijn ingesteld en van de mogelijkheid om in dat geding als partij een eigen standpunt in te nemen. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de rechtbank een brief ontvangen van de advocaat van [geëxecuteerde] , mr. De Koning. Hierin schrijft zij dat [geëxecuteerde] kennis heeft genomen van het onderhavige kort geding tussen [eisende partij] en de Staat, van de daarbij door [eisende partij] ingestelde vorderingen en van de mogelijkheid om zich op de voet van artikel 438 lid 6 Rv in dit geschil te mengen en daarin een eigen standpunt in te nemen. Ook schrijft zij dat [geëxecuteerde] geen reden ziet om zich in het geschil te mengen en daarin een zelfstandig standpunt in te nemen, zodat hij daar van afziet. Gelet daarop is aan de ratio van artikel 438 lid 6 Rv geheel voldaan en is het zinloos [eisende partij] te verplichten om [geëxecuteerde] alsnog in dit geding te dagvaarden. De voorzieningenrechter vindt in het voorgaande grond om [geëxecuteerde] als geëxecuteerde te noemen in de aanhef van dit vonnis. De toetsingsmaatstaf in dit kort geding 4.3. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een bodemprocedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in die bodemprocedure wordt toegewezen. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. [eisende partij] heeft een spoedeisend belang 4.4. De bodemprocedure over een strafvorderlijk beslag is een beklagprocedure op grond van artikel 552a Sv dan wel een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 Rv. In dit kort geding kan [eisende partij] daarom alleen in haar vordering worden ontvangen als zij aannemelijk maakt dat zij een dergelijke procedure niet kan afwachten. 4.5. [eisende partij] heeft voldoende aangetoond dat zij een dergelijk spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Dit komt doordat zij [adres 4] heeft verkocht en zij deze woning op 1 mei 2026 had moeten leveren aan de koper. Maar vanwege het gelegde anderbeslag is dit dus niet mogelijk. De voorzieningenrechter heft het beslag niet op 4.6. In dit kort geding moet dus worden getoetst of met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten valt dat de rechter in de bedoelde bodemprocedure het anderbeslag van de Staat zal opheffen.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2494 text/xml public 2026-05-19T13:19:21 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-15 C/16/610412 / KG ZA 26-224 Uitspraak Kort geding NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2494 text/html public 2026-05-18T12:35:03 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2494 Rechtbank Midden-Nederland , 15-05-2026 / C/16/610412 / KG ZA 26-224 Kort geding. Vordering tegen de Staat tot opheffing van strafvorderlijk anderbeslag (artikel 94a Sv). De vordering wordt afgewezen. RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/610412 / KG ZA 26-224 Vonnis in kort geding van 15 mei 2026 in de zaak van [eisende partij] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , advocaat: mr. W.G. Jonker, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) , zetelende in 's Gravenhage, gedaagde partij, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. M. Beekes, en [geëxecuteerde] , zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland, geëxecuteerde, hierna te noemen: [geëxecuteerde] , advocaat: mr. J de Koning, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 23 april 2026 met producties 1 tot en met 10, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 9, - de akte van [eisende partij] met producties 11 tot en met 14, - de brief van mr. J. de Koning namens haar cliënt [geëxecuteerde] , - de mondelinge behandeling van 30 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt, - de pleitnota van [eisende partij] , - de pleitnota van de Staat. 1.2. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter laten weten dat vandaag een vonnis wordt gewezen in deze procedure. 2 De kern van de zaak 2.1. De Staat heeft executoriaal anderbeslag (in de zin van artikel 94a, lid 4, Wetboek van Strafvordering, hierna: Sv) gelegd op verschillende onroerende zaken van [eisende partij] . Dit beslag heeft de Staat gelegd om verhaal veilig te stellen van een ontnemingsmaatregel die is opgelegd aan de voormalige aandeelhouder van [eisende partij] . [eisende partij] vindt dat dit beslag ten onrechte is gelegd en vordert daarom dat de voorzieningenrechter het opheft. De voorzieningenrechter is het niet met [eisende partij] eens en wijst haar vorderingen af. 3 De achtergrond van de zaak 3.1. [eisende partij] is een vennootschap die onroerende goederen bezit aan de [adres 1] en [adres 2] , en de [adres 3] en [adres 4] in [plaats] . Alle aandelen in [eisende partij] waren tot 26 september 2022 in het bezit van [geëxecuteerde] , waarna ze zijn overgedragen aan zijn toenmalige partner [A] (hierna: [A] ). [A] kocht deze aandelen voor een bedrag van € 1,- en nam daarbij tegenover [geëxecuteerde] en [eisende partij] op zich de nog openstaande hypotheekschuld van [eisende partij] af te lossen tot een bedrag van € 5.200.000,-. De waarde van de aandelen van [eisende partij] , waarin geen andere activiteiten plaatsvinden dan het houden van het genoemde onroerend goed, komt nagenoeg overeen met de waarde van dat onroerend goed na aftrek van de daarop rustende hypotheekschuld. Bij de genoemde transactie kwam [A] met de hypotheekhouder (RNHB) overeen dat na de betaling van € 5.200.000,- het restant van de toen openstaande schuld (die in totaal € 7.114.108,11 bedroeg) aan [eisende partij] werd kwijtgescholden. Om de aandelenoverdracht mogelijk te maken is de Staat akkoord gegaan met de opheffing van het beslag dat zij ten laste van [eisende partij] en daarmee ten laste van [geëxecuteerde] had gelegd op [adres 3] . Dit beslag had de Staat gelegd tot verhaal van een onherroepelijk vaststaande schuld van [geëxecuteerde] aan de Staat, omdat de strafrechter heeft bepaald dat [geëxecuteerde] € 24.498.121,78 aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. [geëxecuteerde] voldoet die schuld niet vrijwillig en daarom verhaalt de Staat zich op zijn vermogensbestanddelen. Ten tijde van dit geding staat van die schuld nog € 13.688.695,02 open. 3.2. Omdat de Staat [geëxecuteerde] ervan verdenkt dat hij vermogen achterhoudt, is de Staat op 26 september 2024 gestart met een strafrechtelijk executieonderzoek. Als gevolg van dit onderzoek heeft de Staat op 3 oktober 2025 anderbeslag op alle onroerende zaken van [eisende partij] gelegd (artikel 94a lid 4 Sv). Maar volgens [eisende partij] is er niet aan de vereisten voor een anderbeslag voldaan. Hierom vraagt zij aan de voorzieningenrechter om het beslag op al haar onroerende zaken op te heffen. Subsidiair verzoekt [eisende partij] om alleen het anderbeslag op [adres 4] op te heffen. De reden hiervoor is dat zij voor [adres 4] een koopovereenkomst heeft gesloten, waarbij de levering aan de nieuwe eigenaar al op 1 mei 2026 had moeten plaatsvinden. 4 De beoordeling [eisende partij] hoeft [geëxecuteerde] niet alsnog te dagvaarden 4.1. Als verweer op de vorderingen van [eisende partij] heeft de Staat allereerst aangevoerd dat [eisende partij] niet-ontvankelijk is. Dit komt doordat een derde die opkomt tegen de executie van het onder haar gelegde beslag ( [eisende partij] ), ook de geëxecuteerde ( [geëxecuteerde] ) moet dagvaarden, wat hier niet is gebeurd. Toch is de voorzieningenrechter van oordeel dat dat niet alsnog hoeft te gebeuren. 4.2. De ratio van de bepaling van artikel 438 lid 6 Rv is dat de geëxecuteerde langs formele weg op de hoogte wordt gesteld van het executiegeschil tussen de beslaglegger en de derde, van de vorderingen die in dat geschil zijn ingesteld en van de mogelijkheid om in dat geding als partij een eigen standpunt in te nemen. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de rechtbank een brief ontvangen van de advocaat van [geëxecuteerde] , mr. De Koning. Hierin schrijft zij dat [geëxecuteerde] kennis heeft genomen van het onderhavige kort geding tussen [eisende partij] en de Staat, van de daarbij door [eisende partij] ingestelde vorderingen en van de mogelijkheid om zich op de voet van artikel 438 lid 6 Rv in dit geschil te mengen en daarin een eigen standpunt in te nemen. Ook schrijft zij dat [geëxecuteerde] geen reden ziet om zich in het geschil te mengen en daarin een zelfstandig standpunt in te nemen, zodat hij daar van afziet. Gelet daarop is aan de ratio van artikel 438 lid 6 Rv geheel voldaan en is het zinloos [eisende partij] te verplichten om [geëxecuteerde] alsnog in dit geding te dagvaarden. De voorzieningenrechter vindt in het voorgaande grond om [geëxecuteerde] als geëxecuteerde te noemen in de aanhef van dit vonnis. De toetsingsmaatstaf in dit kort geding 4.3. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een bodemprocedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in die bodemprocedure wordt toegewezen. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. [eisende partij] heeft een spoedeisend belang 4.4. De bodemprocedure over een strafvorderlijk beslag is een beklagprocedure op grond van artikel 552a Sv dan wel een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 Rv. In dit kort geding kan [eisende partij] daarom alleen in haar vordering worden ontvangen als zij aannemelijk maakt dat zij een dergelijke procedure niet kan afwachten. 4.5. [eisende partij] heeft voldoende aangetoond dat zij een dergelijk spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Dit komt doordat zij [adres 4] heeft verkocht en zij deze woning op 1 mei 2026 had moeten leveren aan de koper. Maar vanwege het gelegde anderbeslag is dit dus niet mogelijk. De voorzieningenrechter heft het beslag niet op 4.6. In dit kort geding moet dus worden getoetst of met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten valt dat de rechter in de bedoelde bodemprocedure het anderbeslag van de Staat zal opheffen.
Volledig
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eisende partij] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit het geval zal zijn. 4.7. Op grond van artikel 94a lid 4 Sv kan de Staat voorwerpen in beslag nemen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie een ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd. Dat kan als er voldoende aanwijzingen bestaan dat die voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen (het vereiste van verhaalsfrustratie), en de ander dit wist of dit redelijkerwijs kon vermoeden (het wetenschapsvereiste). Op grond van dit artikel kan dus beslag worden gelegd onder een ander dan degene die de ontnemingsvordering moet voldoen, om die vordering langs die weg voldaan te krijgen. a) Toetsing van de overdracht van de aandelen in [eisende partij] aan artikel 94a lid 4 Sv 4.8. In dit geval gaat het erom of de overdracht door [geëxecuteerde] van de [eisende partij] -aandelen aan [A] in 2022 zo’n schijnconstructie is geweest. Hierbij moet dus eerst worden gekeken of [geëxecuteerde] de [eisende partij] -aandelen heeft overgedragen met het kennelijke doel uitwinning door de Staat te bemoeilijken of te verhinderen. Volgens de Staat is aan dit vereiste voldaan omdat de overdracht aan [A] geen zakelijke transactie is geweest, daar [A] voor de aandelen een veel te lage prijs heeft betaald. 4.9. [eisende partij] is het daar niet mee eens en wijst hierbij vooral op een taxatierapport uit 2019. Daarin is de waarde van [adres 3] vastgesteld op € 6.450.000,- en die van [adres 1] en [adres 4] op € 760.000,-. Volgens [eisende partij] komt dit goeddeels overeen met de koopprijs die [A] in 2022 voor haar aandelen heeft betaald, van € 5.200.001,- (€ 1 + € 5.200.000,-). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is alleen dit rapport onvoldoende om op voorhand aan te kunnen nemen dat het om een zakelijke transactie ging. 4.10. De onroerende zaken van [eisende partij] werden, blijkens de antwoorden van [eisende partij] ter zitting aan de voorzieningenrechter, in of omstreeks 2016 namelijk nog getaxeerd op ongeveer 12 miljoen. Dit bedrag komt in hoge mate overeen met de totale boekwaarde van € 11.720.201,- die tot 2021 door [eisende partij] voor het onroerend goed werd gehanteerd. De discrepantie van 5 miljoen euro tussen de toenmalige taxatie- en boekwaarde enerzijds en de taxatiewaarde uit 2019 is door [eisende partij] onvoldoende verklaard. Bij een dergelijk verschil mocht van [eisende partij] meer worden verwacht dan haar enkele verwijzing naar hoge onderhoudskosten. Dit geldt te meer omdat, naar onvoldoende weersproken vaststaat, [geëxecuteerde] in 2024 (dus na de overdracht aan [A] ) nota bene zelf contact heeft gehad met een makelaar over de verkoop van het kasteel op [adres 3] voor een vraagprijs van liefst 15 miljoen euro. Volgens [A] was zij (en dus [eisende partij] ) hier niet van op de hoogte en had [geëxecuteerde] helemaal geen zeggenschap meer na de overdracht in 2022. Maar dit vindt de voorzieningenrechter niet geloofwaardig. Uit overgelegde correspondentie blijkt namelijk dat [A] met dezelfde makelaar als [geëxecuteerde] (en nog iemand anders) toentertijd over een bod op het kasteel heeft gesproken. Daarnaast heeft deze makelaar in april 2025 tegen de Staat verklaard dat het kasteel in de stille verkoop stond voor een bedrag van 14 miljoen euro. 4.11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat door deze aanzienlijke waarderingsverschillen niet zomaar uit kan worden gegaan van de juistheid van de taxatie uit 2019. Bovendien bedroeg de totale waarde volgens die taxatie nog altijd circa 2 miljoen euro meer dan wat [A] in 2022 heeft betaald. Een andere (meer recente) taxatie waaruit kan blijken wat op de hier relevante datum de waarde van het onroerend goed was, heeft [eisende partij] niet overgelegd. Bij dit alles speelt mee dat [geëxecuteerde] en [A] in aanloop naar de aandelentransactie niet aan RNHB (de hypotheekhouder) en ook niet aan de Staat hebben gemeld dat zij een relatie hadden. Tegenover de makelaar die in verband met die transactie optrad noemde [geëxecuteerde] [A] ‘een mevrouw uit [plaats] ’ en vroeg hij of zij al een tegenbod had gedaan. Ook blijkt uit correspondentie dat [A] door de makelaar in 2021 is rondgeleid op het kasteel op [adres 3] . Dit terwijl [geëxecuteerde] en [A] destijds al meerdere jaren samen waren, en [A] regelmatig langere tijd in het kasteel verbleef omdat [geëxecuteerde] daar woonde. Via diezelfde makelaar heeft [A] vlak voor de overdracht nog laten weten dat de vermoedens van RNHB over (zakelijke) banden tussen haarzelf en [geëxecuteerde] onterecht waren. Ook speelt hier mee dat, zoals de Staat met overgelegde gerechtelijke uitspraken heeft aangetoond, [geëxecuteerde] zijn ex-echtgenote en zijn zoon heeft ingezet om door onrechtmatig geachte transacties verhaalsmogelijkheden aan de Staat te onttrekken. Dat feit levert weliswaar geen zelfstandige grond op waarop het oordeel in dit geding berust, maar het verzwaart wel de betekenis van de andere, hiervoor genoemde argumenten waarom [eisende partij] ongelijk krijgt. Vanwege al het voorgaande ziet de voorzieningenrechter op dit moment onvoldoende aanwijzingen dat [eisende partij] is gaan toebehoren aan [A] met een ander doel dan uitwinning te bemoeilijken of te verhinderen. Daarbij is van belang dat, als wordt uitgegaan van een beduidend hogere waarde van het onroerend goed (en daarmee van de aandelen in [eisende partij] ) dan de transactiewaarde van 2022, de aandelen van [eisende partij] door [A] voor een veel te lage waarde zijn verkregen. Zij heeft in dat geval namelijk door haar investering van € 5.200.001,- aandelen in handen gekregen van een vennootschap waarin zich onbelast onroerend goed bevindt dat vele miljoenen euro’s meer waard is dan die investering. Aan de Staat zijn daardoor verhaalsmogelijkheden ontnomen. Dat laatste is ook het geval indien in 2022 de toenmalige hypotheekschuld niet gedeeltelijk zou zijn kwijtgescholden. 4.12. Verder is op voorhand ook niet onaannemelijk dat [A] wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het om een schijnconstructie ging. Daarbij telt dat [A] , als nieuwe eigenaar van [eisende partij] , voorafgaand aan de transactie de boeken van [eisende partij] erop zal hebben nageslagen en daarbij de genoemde veel hogere taxatiewaarde uit 2016 zal hebben waargenomen. Hier komt verder betekenis toe aan haar voornoemde betrokkenheid bij de transactie uit 2022 en in het kader van de toenmalige makelaarsactiviteiten, naast het feit dat zij toentertijd een relatie met [geëxecuteerde] had en RNHB en de Staat daar niet over heeft geïnformeerd, zoals wel van haar verwacht mocht worden. Verder telt hier dat [geëxecuteerde] na de transactie in 2022 in het kasteel is blijven wonen. Hij deed dat met goedvinden van [A] als ‘bewaarder’ en voerde daarbij beheers- en onderhoudswerkzaamheden uit alsof hij nog eigenaar was. Ook weegt mee dat [A] zich na 2022 met [geëxecuteerde] heeft beziggehouden met de verkoop van de onroerende zaken voor veel hogere vraagprijzen dan waarvoor ze in het kader van de aandelentransactie in 2022 zijn getaxeerd. b) Geen misbruik van recht of rechtsverwerking 4.13. [eisende partij] voert ook aan dat er sprake is van misbruik van recht door de Staat omdat met het anderbeslag geen reëel verhaalsdoel kan zijn gediend. Volgens [eisende partij] komt dit doordat [A] de aankoopsom van € 5.200.001 heeft geleend en in verband daarmee een nieuwe hypotheek op het onroerend goed is gevestigd (met een hypothecaire inschrijving van maximaal 7,5 miljoen euro), terwijl er geen aanknopingspunten zijn dat een gedwongen verkoop door de Staat meer zal opleveren dan de hypotheekschuld. Maar de voorzieningenrechter volgt [eisende partij] hier niet in.
Volledig
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eisende partij] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit het geval zal zijn. 4.7. Op grond van artikel 94a lid 4 Sv kan de Staat voorwerpen in beslag nemen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie een ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd. Dat kan als er voldoende aanwijzingen bestaan dat die voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen (het vereiste van verhaalsfrustratie), en de ander dit wist of dit redelijkerwijs kon vermoeden (het wetenschapsvereiste). Op grond van dit artikel kan dus beslag worden gelegd onder een ander dan degene die de ontnemingsvordering moet voldoen, om die vordering langs die weg voldaan te krijgen. a) Toetsing van de overdracht van de aandelen in [eisende partij] aan artikel 94a lid 4 Sv 4.8. In dit geval gaat het erom of de overdracht door [geëxecuteerde] van de [eisende partij] -aandelen aan [A] in 2022 zo’n schijnconstructie is geweest. Hierbij moet dus eerst worden gekeken of [geëxecuteerde] de [eisende partij] -aandelen heeft overgedragen met het kennelijke doel uitwinning door de Staat te bemoeilijken of te verhinderen. Volgens de Staat is aan dit vereiste voldaan omdat de overdracht aan [A] geen zakelijke transactie is geweest, daar [A] voor de aandelen een veel te lage prijs heeft betaald. 4.9. [eisende partij] is het daar niet mee eens en wijst hierbij vooral op een taxatierapport uit 2019. Daarin is de waarde van [adres 3] vastgesteld op € 6.450.000,- en die van [adres 1] en [adres 4] op € 760.000,-. Volgens [eisende partij] komt dit goeddeels overeen met de koopprijs die [A] in 2022 voor haar aandelen heeft betaald, van € 5.200.001,- (€ 1 + € 5.200.000,-). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is alleen dit rapport onvoldoende om op voorhand aan te kunnen nemen dat het om een zakelijke transactie ging. 4.10. De onroerende zaken van [eisende partij] werden, blijkens de antwoorden van [eisende partij] ter zitting aan de voorzieningenrechter, in of omstreeks 2016 namelijk nog getaxeerd op ongeveer 12 miljoen. Dit bedrag komt in hoge mate overeen met de totale boekwaarde van € 11.720.201,- die tot 2021 door [eisende partij] voor het onroerend goed werd gehanteerd. De discrepantie van 5 miljoen euro tussen de toenmalige taxatie- en boekwaarde enerzijds en de taxatiewaarde uit 2019 is door [eisende partij] onvoldoende verklaard. Bij een dergelijk verschil mocht van [eisende partij] meer worden verwacht dan haar enkele verwijzing naar hoge onderhoudskosten. Dit geldt te meer omdat, naar onvoldoende weersproken vaststaat, [geëxecuteerde] in 2024 (dus na de overdracht aan [A] ) nota bene zelf contact heeft gehad met een makelaar over de verkoop van het kasteel op [adres 3] voor een vraagprijs van liefst 15 miljoen euro. Volgens [A] was zij (en dus [eisende partij] ) hier niet van op de hoogte en had [geëxecuteerde] helemaal geen zeggenschap meer na de overdracht in 2022. Maar dit vindt de voorzieningenrechter niet geloofwaardig. Uit overgelegde correspondentie blijkt namelijk dat [A] met dezelfde makelaar als [geëxecuteerde] (en nog iemand anders) toentertijd over een bod op het kasteel heeft gesproken. Daarnaast heeft deze makelaar in april 2025 tegen de Staat verklaard dat het kasteel in de stille verkoop stond voor een bedrag van 14 miljoen euro. 4.11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat door deze aanzienlijke waarderingsverschillen niet zomaar uit kan worden gegaan van de juistheid van de taxatie uit 2019. Bovendien bedroeg de totale waarde volgens die taxatie nog altijd circa 2 miljoen euro meer dan wat [A] in 2022 heeft betaald. Een andere (meer recente) taxatie waaruit kan blijken wat op de hier relevante datum de waarde van het onroerend goed was, heeft [eisende partij] niet overgelegd. Bij dit alles speelt mee dat [geëxecuteerde] en [A] in aanloop naar de aandelentransactie niet aan RNHB (de hypotheekhouder) en ook niet aan de Staat hebben gemeld dat zij een relatie hadden. Tegenover de makelaar die in verband met die transactie optrad noemde [geëxecuteerde] [A] ‘een mevrouw uit [plaats] ’ en vroeg hij of zij al een tegenbod had gedaan. Ook blijkt uit correspondentie dat [A] door de makelaar in 2021 is rondgeleid op het kasteel op [adres 3] . Dit terwijl [geëxecuteerde] en [A] destijds al meerdere jaren samen waren, en [A] regelmatig langere tijd in het kasteel verbleef omdat [geëxecuteerde] daar woonde. Via diezelfde makelaar heeft [A] vlak voor de overdracht nog laten weten dat de vermoedens van RNHB over (zakelijke) banden tussen haarzelf en [geëxecuteerde] onterecht waren. Ook speelt hier mee dat, zoals de Staat met overgelegde gerechtelijke uitspraken heeft aangetoond, [geëxecuteerde] zijn ex-echtgenote en zijn zoon heeft ingezet om door onrechtmatig geachte transacties verhaalsmogelijkheden aan de Staat te onttrekken. Dat feit levert weliswaar geen zelfstandige grond op waarop het oordeel in dit geding berust, maar het verzwaart wel de betekenis van de andere, hiervoor genoemde argumenten waarom [eisende partij] ongelijk krijgt. Vanwege al het voorgaande ziet de voorzieningenrechter op dit moment onvoldoende aanwijzingen dat [eisende partij] is gaan toebehoren aan [A] met een ander doel dan uitwinning te bemoeilijken of te verhinderen. Daarbij is van belang dat, als wordt uitgegaan van een beduidend hogere waarde van het onroerend goed (en daarmee van de aandelen in [eisende partij] ) dan de transactiewaarde van 2022, de aandelen van [eisende partij] door [A] voor een veel te lage waarde zijn verkregen. Zij heeft in dat geval namelijk door haar investering van € 5.200.001,- aandelen in handen gekregen van een vennootschap waarin zich onbelast onroerend goed bevindt dat vele miljoenen euro’s meer waard is dan die investering. Aan de Staat zijn daardoor verhaalsmogelijkheden ontnomen. Dat laatste is ook het geval indien in 2022 de toenmalige hypotheekschuld niet gedeeltelijk zou zijn kwijtgescholden. 4.12. Verder is op voorhand ook niet onaannemelijk dat [A] wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het om een schijnconstructie ging. Daarbij telt dat [A] , als nieuwe eigenaar van [eisende partij] , voorafgaand aan de transactie de boeken van [eisende partij] erop zal hebben nageslagen en daarbij de genoemde veel hogere taxatiewaarde uit 2016 zal hebben waargenomen. Hier komt verder betekenis toe aan haar voornoemde betrokkenheid bij de transactie uit 2022 en in het kader van de toenmalige makelaarsactiviteiten, naast het feit dat zij toentertijd een relatie met [geëxecuteerde] had en RNHB en de Staat daar niet over heeft geïnformeerd, zoals wel van haar verwacht mocht worden. Verder telt hier dat [geëxecuteerde] na de transactie in 2022 in het kasteel is blijven wonen. Hij deed dat met goedvinden van [A] als ‘bewaarder’ en voerde daarbij beheers- en onderhoudswerkzaamheden uit alsof hij nog eigenaar was. Ook weegt mee dat [A] zich na 2022 met [geëxecuteerde] heeft beziggehouden met de verkoop van de onroerende zaken voor veel hogere vraagprijzen dan waarvoor ze in het kader van de aandelentransactie in 2022 zijn getaxeerd. b) Geen misbruik van recht of rechtsverwerking 4.13. [eisende partij] voert ook aan dat er sprake is van misbruik van recht door de Staat omdat met het anderbeslag geen reëel verhaalsdoel kan zijn gediend. Volgens [eisende partij] komt dit doordat [A] de aankoopsom van € 5.200.001 heeft geleend en in verband daarmee een nieuwe hypotheek op het onroerend goed is gevestigd (met een hypothecaire inschrijving van maximaal 7,5 miljoen euro), terwijl er geen aanknopingspunten zijn dat een gedwongen verkoop door de Staat meer zal opleveren dan de hypotheekschuld. Maar de voorzieningenrechter volgt [eisende partij] hier niet in.