Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-05-06
ECLI:NL:RBMNE:2026:2441
Civiel recht
Beschikking
6,276 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2441 text/xml public 2026-05-19T13:29:46 2026-05-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-06 12104459 \ UE VERZ 26-71 Uitspraak Beschikking NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2441 text/html public 2026-05-19T13:29:19 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2441 Rechtbank Midden-Nederland , 06-05-2026 / 12104459 \ UE VERZ 26-71 Geschil of partijen tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd bestaat RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: 12104459 \ UE VERZ 26-71 Beschikking van 6 mei 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonende in [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. F.H.J.W.M. Janssens, tegen [verweerder] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. M. Westhoeve. 1 De procedure 1.1 De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen: - het verzoekschrift van 13 februari 2026, - het verweerschrift van 27 maart 2026. 1.2 Op 8 april 2026 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij was [verzoeker] aanwezig met zijn gemachtigde, mr. F.H.J.W.M. Janssens, en mr. S. Corbeij. Namens [verweerder] waren de heer [A] (hierna: [A] ), mevrouw [B] en de gemachtigde van [verweerder] , mr. M. Westhoeve aanwezig. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar gereageerd. Mr. Janssens heeft een pleitnotitie voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. 1.3 De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De kern van de zaak 2.1 [verzoeker] is op 1 januari 2025 in dienst getreden bij [verweerder] als ‘Director’. Volgens [verzoeker] was dit op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [verweerder] is het hier niet mee eens en stelt dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan, namelijk voor één jaar. Op 26 november 2025 heeft [verweerder] aangezegd dat zij de arbeidsovereenkomst niet wil verlengen en dat deze op 31 december 2025 eindigt. [verzoeker] verzoekt in deze procedure een verklaring voor recht dat zij bij [verweerder] in dienst is getreden op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ook wil hij dat [verweerder] wordt veroordeeld om [verzoeker] weer toe te laten in zijn werkzaamheden en daar loon vooruit te betalen. Voor het geval de kantonrechter deze verzoeken afwijst, verzoekt hij vernietiging van het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter geeft [verweerder] gelijk en wijst de verklaring voor recht en de vorderingen wat betreft de wedertewerkstelling en loon af. Het concurrentiebeding is nietig. 3 De beoordeling [verzoeker] is bij [verweerder] in dienst getreden voor bepaalde tijd 3.1 Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd zijn overeengekomen. Wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, zou [verzoeker] namelijk nog in dienst zijn bij [verweerder] . Naar het oordeel van de kantonrechter zijn partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd overeengekomen, en wel om de volgende redenen. 3.2 [verweerder] heeft haar stelling dat partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zijn overeengekomen, onderbouwd met de door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst. Hier staat duidelijk in dat de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor één jaar vanaf 1 januari 2025. Deze arbeidsovereenkomst geldt als een onderhandse akte. Uit de wet volgt dat een onderhandse akte dwingend bewijs oplevert ter onderbouwing van de waarheid van de verklaring die in de akte staat. Tegen dit dwingende bewijs staat wel tegenbewijs open. Dat betekent dat [verzoeker] nog steeds kan aantonen dat er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is overeengekomen. [verzoeker] stelt dat duidelijk uit de gedragingen van [verweerder] vóór en tijdens de arbeidsovereenkomst, maar zelfs ook na de aanzegging van het eindigen van de arbeidsovereenkomst volgt dat [verweerder] wilde dat [verzoeker] voor onbepaalde tijd bij haar in dienst zou komen. 3.3 Tijdens de onderhandelingen voorafgaand aan het tekenen van de arbeidsovereenkomst zou [A] van [verweerder] namelijk tegen [verzoeker] gezegd hebben dat hij voor onbepaalde tijd in dienst zou komen. [verzoeker] onderbouwt dit met de concept arbeidsovereenkomst die naar hem is opgestuurd. Dit is inderdaad een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, maar hier blijkt niet uit dat [verweerder] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met [verzoeker] wilde aangaan. [verweerder] heeft aangegeven dit concept opgestuurd te hebben zodat [verzoeker] kon kennisnemen van de arbeidsvoorwaarden bij [verweerder] . Volgens [verweerder] is het lichaam van haar arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ook niet anders dan een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, waardoor het concept precies deed waar het voor bedoeld was: [verzoeker] op de hoogte stellen van de arbeidsvoorwaarden zonder al een aanbod voor een arbeidsovereenkomst te doen aan [verzoeker] . Dit blijkt ook uit het feit dat in het concept alle essentialia niet zijn ingevuld: de aard van de werkzaamheden, functie, ingangsdatum, arbeidsduur, salaris, namen etc. missen. 3.4 Vlak vóór het tekenen van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd door [verzoeker] , stelt [verzoeker] met [A] te hebben gebeld. In dit telefoongesprek op 19 december 2024 zou [A] hebben gezegd dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ‘per ongeluk’ zou zijn opgestuurd en dat [verzoeker] voor onbepaalde tijd in dienst zou komen bij [verweerder] . Het kan niet vast komen te staan dat [A] dit daadwerkelijk heeft gezegd, omdat [verzoeker] haar stelling op geen enkele manier heeft onderbouwd. [verweerder] heeft wel aangegeven dat het zo kan zijn dat [A] heeft gezegd dat [verzoeker] voor onbepaalde tijd in dienst zou komen, maar dat hij daarmee bedoelde dat [verzoeker] na het goed doorlopen van het eerste jaar bij [verweerder] , een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangeboden zou kunnen krijgen. De kantonrechter merkt op dat [verzoeker] dit mogelijk verkeerd heeft begrepen. Dat maakt nog niet dat [verzoeker] ervan uit mocht gaan dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die hij uiteindelijk heeft getekend, eigenlijk een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was. 3.5 Tijdens de arbeidsovereenkomst, stelt [verzoeker] , liet [verweerder] ook blijken dat zij ervanuit ging dat [verzoeker] voor onbepaalde tijd in dienst was. In het personeelssysteem ADP stond namelijk tot 28 november 2025 geen einddatum voor de arbeidsovereenkomst. Dit heeft hij onderbouwd met uittreksels uit ADP. Dit verweer gaat niet op, omdat [verweerder] heeft uitgelegd dat ook bij bepaalde tijd contracten geen einddatum wordt opgenomen in ADP. De arbeidsovereenkomst kan mogelijk namelijk worden verlengd voor bepaalde of zelfs onbepaalde tijd. Dat er in eerste instantie geen einddatum in ADP stond, maakt dan ook niet dat [verzoeker] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou hebben. 3.6 Ook de stelling van [verzoeker] dat hij is uitgenodigd om deel te nemen aan de bonusregeling met ‘Stock Appreciation Rights’ (ook wel SAR) van [verweerder] , maakt niet dat hij voor onbepaalde tijd in dienst zou zijn. Het is inderdaad zo, zo zegt [verweerder] , dat alleen medewerkers die voor onbepaalde tijd in dienst zijn een deel van de waardestijging van het bedrijf via de SAR uitbetaald krijgen. Maar, alle medewerkers krijgen een uitnodiging om deel te nemen aan deze bonusregeling. Ook medewerkers met een bepaalde tijd arbeidsovereenkomst, omdat deze mogelijk later verlengd wordt voor onbepaalde tijd. Dat [verzoeker] deelneemt aan dit plan, is in tegenstelling tot wat hij beweert, dan ook geen aanwijzing voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. 3.7 Als laatste zegt [verzoeker] dat hij is meegenomen in de plannen van [verweerder] voor 2026, zelfs na de aanzegging van het einde van de arbeidsovereenkomst op 27 november 2025.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2441 text/xml public 2026-05-19T13:29:46 2026-05-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-06 12104459 \ UE VERZ 26-71 Uitspraak Beschikking NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2441 text/html public 2026-05-19T13:29:19 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2441 Rechtbank Midden-Nederland , 06-05-2026 / 12104459 \ UE VERZ 26-71 Geschil of partijen tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd bestaat RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: 12104459 \ UE VERZ 26-71 Beschikking van 6 mei 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonende in [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. F.H.J.W.M. Janssens, tegen [verweerder] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. M. Westhoeve. 1 De procedure 1.1 De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen: - het verzoekschrift van 13 februari 2026, - het verweerschrift van 27 maart 2026. 1.2 Op 8 april 2026 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij was [verzoeker] aanwezig met zijn gemachtigde, mr. F.H.J.W.M. Janssens, en mr. S. Corbeij. Namens [verweerder] waren de heer [A] (hierna: [A] ), mevrouw [B] en de gemachtigde van [verweerder] , mr. M. Westhoeve aanwezig. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar gereageerd. Mr. Janssens heeft een pleitnotitie voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. 1.3 De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De kern van de zaak 2.1 [verzoeker] is op 1 januari 2025 in dienst getreden bij [verweerder] als ‘Director’. Volgens [verzoeker] was dit op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [verweerder] is het hier niet mee eens en stelt dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan, namelijk voor één jaar. Op 26 november 2025 heeft [verweerder] aangezegd dat zij de arbeidsovereenkomst niet wil verlengen en dat deze op 31 december 2025 eindigt. [verzoeker] verzoekt in deze procedure een verklaring voor recht dat zij bij [verweerder] in dienst is getreden op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ook wil hij dat [verweerder] wordt veroordeeld om [verzoeker] weer toe te laten in zijn werkzaamheden en daar loon vooruit te betalen. Voor het geval de kantonrechter deze verzoeken afwijst, verzoekt hij vernietiging van het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter geeft [verweerder] gelijk en wijst de verklaring voor recht en de vorderingen wat betreft de wedertewerkstelling en loon af. Het concurrentiebeding is nietig. 3 De beoordeling [verzoeker] is bij [verweerder] in dienst getreden voor bepaalde tijd 3.1 Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd zijn overeengekomen. Wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, zou [verzoeker] namelijk nog in dienst zijn bij [verweerder] . Naar het oordeel van de kantonrechter zijn partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd overeengekomen, en wel om de volgende redenen. 3.2 [verweerder] heeft haar stelling dat partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zijn overeengekomen, onderbouwd met de door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst. Hier staat duidelijk in dat de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor één jaar vanaf 1 januari 2025. Deze arbeidsovereenkomst geldt als een onderhandse akte. Uit de wet volgt dat een onderhandse akte dwingend bewijs oplevert ter onderbouwing van de waarheid van de verklaring die in de akte staat. Tegen dit dwingende bewijs staat wel tegenbewijs open. Dat betekent dat [verzoeker] nog steeds kan aantonen dat er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is overeengekomen. [verzoeker] stelt dat duidelijk uit de gedragingen van [verweerder] vóór en tijdens de arbeidsovereenkomst, maar zelfs ook na de aanzegging van het eindigen van de arbeidsovereenkomst volgt dat [verweerder] wilde dat [verzoeker] voor onbepaalde tijd bij haar in dienst zou komen. 3.3 Tijdens de onderhandelingen voorafgaand aan het tekenen van de arbeidsovereenkomst zou [A] van [verweerder] namelijk tegen [verzoeker] gezegd hebben dat hij voor onbepaalde tijd in dienst zou komen. [verzoeker] onderbouwt dit met de concept arbeidsovereenkomst die naar hem is opgestuurd. Dit is inderdaad een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, maar hier blijkt niet uit dat [verweerder] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met [verzoeker] wilde aangaan. [verweerder] heeft aangegeven dit concept opgestuurd te hebben zodat [verzoeker] kon kennisnemen van de arbeidsvoorwaarden bij [verweerder] . Volgens [verweerder] is het lichaam van haar arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ook niet anders dan een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, waardoor het concept precies deed waar het voor bedoeld was: [verzoeker] op de hoogte stellen van de arbeidsvoorwaarden zonder al een aanbod voor een arbeidsovereenkomst te doen aan [verzoeker] . Dit blijkt ook uit het feit dat in het concept alle essentialia niet zijn ingevuld: de aard van de werkzaamheden, functie, ingangsdatum, arbeidsduur, salaris, namen etc. missen. 3.4 Vlak vóór het tekenen van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd door [verzoeker] , stelt [verzoeker] met [A] te hebben gebeld. In dit telefoongesprek op 19 december 2024 zou [A] hebben gezegd dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ‘per ongeluk’ zou zijn opgestuurd en dat [verzoeker] voor onbepaalde tijd in dienst zou komen bij [verweerder] . Het kan niet vast komen te staan dat [A] dit daadwerkelijk heeft gezegd, omdat [verzoeker] haar stelling op geen enkele manier heeft onderbouwd. [verweerder] heeft wel aangegeven dat het zo kan zijn dat [A] heeft gezegd dat [verzoeker] voor onbepaalde tijd in dienst zou komen, maar dat hij daarmee bedoelde dat [verzoeker] na het goed doorlopen van het eerste jaar bij [verweerder] , een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangeboden zou kunnen krijgen. De kantonrechter merkt op dat [verzoeker] dit mogelijk verkeerd heeft begrepen. Dat maakt nog niet dat [verzoeker] ervan uit mocht gaan dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die hij uiteindelijk heeft getekend, eigenlijk een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was. 3.5 Tijdens de arbeidsovereenkomst, stelt [verzoeker] , liet [verweerder] ook blijken dat zij ervanuit ging dat [verzoeker] voor onbepaalde tijd in dienst was. In het personeelssysteem ADP stond namelijk tot 28 november 2025 geen einddatum voor de arbeidsovereenkomst. Dit heeft hij onderbouwd met uittreksels uit ADP. Dit verweer gaat niet op, omdat [verweerder] heeft uitgelegd dat ook bij bepaalde tijd contracten geen einddatum wordt opgenomen in ADP. De arbeidsovereenkomst kan mogelijk namelijk worden verlengd voor bepaalde of zelfs onbepaalde tijd. Dat er in eerste instantie geen einddatum in ADP stond, maakt dan ook niet dat [verzoeker] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou hebben. 3.6 Ook de stelling van [verzoeker] dat hij is uitgenodigd om deel te nemen aan de bonusregeling met ‘Stock Appreciation Rights’ (ook wel SAR) van [verweerder] , maakt niet dat hij voor onbepaalde tijd in dienst zou zijn. Het is inderdaad zo, zo zegt [verweerder] , dat alleen medewerkers die voor onbepaalde tijd in dienst zijn een deel van de waardestijging van het bedrijf via de SAR uitbetaald krijgen. Maar, alle medewerkers krijgen een uitnodiging om deel te nemen aan deze bonusregeling. Ook medewerkers met een bepaalde tijd arbeidsovereenkomst, omdat deze mogelijk later verlengd wordt voor onbepaalde tijd. Dat [verzoeker] deelneemt aan dit plan, is in tegenstelling tot wat hij beweert, dan ook geen aanwijzing voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. 3.7 Als laatste zegt [verzoeker] dat hij is meegenomen in de plannen van [verweerder] voor 2026, zelfs na de aanzegging van het einde van de arbeidsovereenkomst op 27 november 2025.
Volledig
Dit toont volgens hem aan dat [verweerder] er ook vanuit ging dat [verzoeker] voor onbepaalde tijd in dienst was. Ook hier volgt de kantonrechter [verzoeker] niet. Het is niet gek dat [verweerder] [verzoeker] nog inplant voor ná het eindigen van de arbeidsovereenkomst. Vóór de aanzegging stond namelijk nog niet vast dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd en ook ná de aanzegging waren mogelijk niet alle medewerkers van [verweerder] op de hoogte van het aankomende vertrek van [verzoeker] . 3.8 Alle stellingen van [verzoeker] waarmee hij heeft getracht tegenbewijs te leveren tegen de onderhandse akte van [verweerder] , slagen niet. De kantonrechter gaat daarom uit van de verklaringen van partijen in de akte, namelijk dat er een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is overeengekomen. Dat betekent de mededeling van [verweerder] op 27 november 2025 geen opzegging was, zoals [verzoeker] stelt, maar een aanzegging van het einde van de arbeidsovereenkomst, die op 31 december 2025 is geëindigd. Omdat de arbeidsovereenkomst is beëindigd, hoeft [verweerder] [verzoeker] niet toe te laten tot het werk en ook geen loon te betalen. Alle primaire verzoeken van [verzoeker] worden dus afgewezen. 3.9 Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat [verweerder] nog meer argumenten heeft gegeven waaruit blijkt dat er een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is overeengekomen en dat [verzoeker] dit ook wist. [verweerder] stelt onder andere dat [verzoeker] niet bij haar aan de bel heeft getrokken toen bij hem een gesprek werd ingepland met de titel ‘evaluatie jaarcontract’. Als [verzoeker] ervan overtuigd was dat hij voor onbepaalde tijd in dienst was, dan had hij zich op dat moment al bij [verweerder] kunnen melden. Ook na dit gesprek heeft [verzoeker] in een e-mail van 26 november 2025 in eerste instantie alleen bezwaar aangetekend tegen de beslissing van [verweerder] om niet te verlengen, omdat hij vond dat hij zijn werkzaamheden goed had verricht. Hij zegt in deze eerste e-mail van 26 november niets over het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Als laatste staat ook op alle loonstroken die [verweerder] aan [verzoeker] heeft gestuurd vermeld dat [verzoeker] niet voor onbepaalde tijd in dienst is en is dit terug te vinden in het medewerkersprofiel van [verzoeker] op ADP. [verzoeker] heeft onvoldoende tegen deze stellingen in gebracht. Het concurrentiebeding is nietig 3.10 [verzoeker] heeft verzocht om het concurrentie-/ relatiebeding van artikel 11 uit de arbeidsovereenkomst te vernietigen. IG&H begrijpt dat [verzoeker] heeft bedoeld te zeggen dat het beding nietig moet worden verklaard. IG&H berust daarin (zie overweging 55 in het verweerschrift). De kantonrechter zal dat volgen. [verzoeker] moet de proceskosten betalen 3.11 De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] B.V. worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. De beslissing wordt deels uitvoerbaar bij voorraad verklaard 3.12 De kantonrechter zal de beslissing wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door [verweerder] . Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 verklaart voor recht dat het tussen [verzoeker] en [verweerder] overeengekomen concurrentie-/ en relatiebeding zoals neergelegd in artikel 11 van de arbeidsovereenkomst, nietig is, 4.2 veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, 4.3 verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, 4.4 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026. 62938 Productie 9 [verzoeker] . Zie artikel 157 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) Artikel 151 lid 2 Rv.
Volledig
Dit toont volgens hem aan dat [verweerder] er ook vanuit ging dat [verzoeker] voor onbepaalde tijd in dienst was. Ook hier volgt de kantonrechter [verzoeker] niet. Het is niet gek dat [verweerder] [verzoeker] nog inplant voor ná het eindigen van de arbeidsovereenkomst. Vóór de aanzegging stond namelijk nog niet vast dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd en ook ná de aanzegging waren mogelijk niet alle medewerkers van [verweerder] op de hoogte van het aankomende vertrek van [verzoeker] . 3.8 Alle stellingen van [verzoeker] waarmee hij heeft getracht tegenbewijs te leveren tegen de onderhandse akte van [verweerder] , slagen niet. De kantonrechter gaat daarom uit van de verklaringen van partijen in de akte, namelijk dat er een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is overeengekomen. Dat betekent de mededeling van [verweerder] op 27 november 2025 geen opzegging was, zoals [verzoeker] stelt, maar een aanzegging van het einde van de arbeidsovereenkomst, die op 31 december 2025 is geëindigd. Omdat de arbeidsovereenkomst is beëindigd, hoeft [verweerder] [verzoeker] niet toe te laten tot het werk en ook geen loon te betalen. Alle primaire verzoeken van [verzoeker] worden dus afgewezen. 3.9 Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat [verweerder] nog meer argumenten heeft gegeven waaruit blijkt dat er een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is overeengekomen en dat [verzoeker] dit ook wist. [verweerder] stelt onder andere dat [verzoeker] niet bij haar aan de bel heeft getrokken toen bij hem een gesprek werd ingepland met de titel ‘evaluatie jaarcontract’. Als [verzoeker] ervan overtuigd was dat hij voor onbepaalde tijd in dienst was, dan had hij zich op dat moment al bij [verweerder] kunnen melden. Ook na dit gesprek heeft [verzoeker] in een e-mail van 26 november 2025 in eerste instantie alleen bezwaar aangetekend tegen de beslissing van [verweerder] om niet te verlengen, omdat hij vond dat hij zijn werkzaamheden goed had verricht. Hij zegt in deze eerste e-mail van 26 november niets over het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Als laatste staat ook op alle loonstroken die [verweerder] aan [verzoeker] heeft gestuurd vermeld dat [verzoeker] niet voor onbepaalde tijd in dienst is en is dit terug te vinden in het medewerkersprofiel van [verzoeker] op ADP. [verzoeker] heeft onvoldoende tegen deze stellingen in gebracht. Het concurrentiebeding is nietig 3.10 [verzoeker] heeft verzocht om het concurrentie-/ relatiebeding van artikel 11 uit de arbeidsovereenkomst te vernietigen. IG&H begrijpt dat [verzoeker] heeft bedoeld te zeggen dat het beding nietig moet worden verklaard. IG&H berust daarin (zie overweging 55 in het verweerschrift). De kantonrechter zal dat volgen. [verzoeker] moet de proceskosten betalen 3.11 De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] B.V. worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. De beslissing wordt deels uitvoerbaar bij voorraad verklaard 3.12 De kantonrechter zal de beslissing wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door [verweerder] . Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 verklaart voor recht dat het tussen [verzoeker] en [verweerder] overeengekomen concurrentie-/ en relatiebeding zoals neergelegd in artikel 11 van de arbeidsovereenkomst, nietig is, 4.2 veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, 4.3 verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, 4.4 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026. 62938 Productie 9 [verzoeker] . Zie artikel 157 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) Artikel 151 lid 2 Rv.