Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-05-01
ECLI:NL:RBMNE:2026:2432
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
18,608 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2432 text/xml public 2026-05-18T12:03:18 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-01 16/243438-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Lelystad Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2432 text/html public 2026-05-18T12:02:40 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2432 Rechtbank Midden-Nederland , 01-05-2026 / 16/243438-25 De verdachte is veroordeeld voor poging doodslag op zijn partner door haar te wurgen (feit 1) en voor poging zware mishandeling door haar tegen het hoofd te slaan en te schoppen (feit 2). Bij de beoordeling heeft de rechtbank onder meer een forensisch-medische letselbeschrijving van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO gebruikt. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16/243438-25 (P) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 1 mei 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats] , verblijvende op het adres [verblijfplaats] , [postcode] in [plaats] , gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [plaats] , (hierna: de verdachte). 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 17 april 2026. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. E.C.A. Bakker; de advocaat van de verdachte: mr. M.E. de Kok, waarnemend voor mr. N.C.E.C. Luns (hierna: de advocaat); de benadeelde partij: [slachtoffer] ; de advocaat van de benadeelde partij: mr. D.W. Roos. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: feit 1 op 16 september 2025 te Lelystad de hals van [slachtoffer] (met kracht) heeft dichtgeknepen; dit is primair tenlastegelegd als een poging tot doodslag, subsidiair als een poging zware mishandeling; feit 2 op 16 september 2025 te Lelystad [slachtoffer] meerdere keren met de vuist en de voet tegen het gezicht en het lichaam heeft geslagen en/of geschopt. dit is primair tenlastegelegd als een poging tot doodslag, subsidiair als een poging zware mishandeling; De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 primair heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 2 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde. Het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde acht de officier van justitie wel bewezen. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Gedeeltelijke vrijspraak De rechtbank oordeelt dat het onder feit 2 primair tenlastegelegde (poging tot doodslag), niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. 3.3.2. Bewijsmiddelen feiten 1 en 2 De rechtbank oordeelt dat feit 1 primair (poging tot doodslag) en feit 2 subsidiair (poging tot zware mishandeling) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan: Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan. 3.3.3. Bewijsoverwegingen Inleiding Vaststaat dat de verdachte op 16 september 2025 in de nacht onenigheid heeft gehad met zijn toenmalige partner [slachtoffer] in zijn woning in Lelystad. [slachtoffer] (verder: de aangeefster) heeft onder andere verklaard dat de verdachte haar keel met kracht heeft dichtgeknepen, waardoor zij geen adem meer kon halen. Zij heeft ook verklaard dat de verdachte haar meerdere keren heeft geslagen en geschopt tegen haar hoofd en haar lichaam. De verdachte stelt dat hij zich niets van het voorval kan herinneren, waarschijnlijk doordat hij veel alcohol had gedronken. Hij herinnert zich weld at hij de aangeefster na het voorval naar haar auto heeft zien rennen, maar herinnert zich delen van wat er daarna gebeurd is ook niet meer. Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van aangeefster consistent en wordt deze verklaring op dragende en essentiële onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals de forensisch-medische letselbeschrijving en de letselrapportage van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (hierna: LOEF). Daaruit volgt dat onder ander sprake was van puntbloedingen in het onderste ooglid van beide ogen, meerdere onderhuidse bloeduitstortingen en krasverwondingen in de hals. Feit 1 Poging tot doodslag door middel van wurging Aan de verdachte is primair tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag door middel van wurging. Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, moet worden bewezen dat de verdachte het opzet had, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van de aangeefster. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte als doel had om aangeefster te doden. Van vol opzet is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard. Uit de forensisch-medische letselbeschrijving van het LOEF blijkt dat de forensisch arts binnen 24 uur na het geweld bij de aangeefster onder andere puntbloedingen (petechiën) in het slijmvlies van het onderooglid van beide ogen heeft geconstateerd. Ook zijn bloeduitstortingen aan de voorzijde van de hals gezien. In de forensisch letselrapportage beschrijft de forensisch arts dat het voornoemde geconstateerde letsel kan worden verklaard door een samendrukkende kracht op de hals. Het ontstaan van puntbloedingen ten gevolge van een samendrukkende kracht op de hals vergt enige kracht en tijd, aldus de forensisch arts. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte met enige kracht en gedurende enige tijd de keel van de aangeefster heeft dichtgeknepen. Dit sluit ook aan bij de verklaring van de aangeefster dat verdachte met beide handen haar hals greep, dat zij geen lucht meer kreeg en dat zij bang was dat de verdachte haar zou doden. De forensisch arts duidt de gevaarzetting van het handelen dat ten grondslag heeft gelegen aan het bij aangeefster geconstateerde letsel als acuut levensbedreigend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het met kracht dichtknijpen van de keel van de aangeefster de aanmerkelijke kans met zich bracht dat de aangeefster als gevolg daarvan zou komen te overlijden. Door zijn handelen heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de aangeefster zou doden. De rechtbank acht op grond van het voorgaande de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. Feit 2 Vrijspraak poging tot doodslag door middel van slaan en/of schoppen Onder feit 2 is aan de verdachte primair tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag door aangeefster te schoppen tegen het lichaam en/of het gezicht. De rechtbank is van oordeel dat er ook in dit geval geen sprake is geweest van vol opzet op de dood van aangeefster. De rechtbank ziet zich daarom ook hier voor de vraag gesteld of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. De forensisch arts heeft bij aangeefster diverse bloeduitstortingen in het gezicht, de hals de linker oorschelp en de strekzijde van beide onderarmen, en krasletsel aan de voorzijde links in de hals geconstateerd. Ook is er bij aangeefster een gebroken neus vastgesteld.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2432 text/xml public 2026-05-18T12:03:18 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-01 16/243438-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Lelystad Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2432 text/html public 2026-05-18T12:02:40 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2432 Rechtbank Midden-Nederland , 01-05-2026 / 16/243438-25 De verdachte is veroordeeld voor poging doodslag op zijn partner door haar te wurgen (feit 1) en voor poging zware mishandeling door haar tegen het hoofd te slaan en te schoppen (feit 2). Bij de beoordeling heeft de rechtbank onder meer een forensisch-medische letselbeschrijving van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO gebruikt. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16/243438-25 (P) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 1 mei 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats] , verblijvende op het adres [verblijfplaats] , [postcode] in [plaats] , gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [plaats] , (hierna: de verdachte). 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 17 april 2026. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. E.C.A. Bakker; de advocaat van de verdachte: mr. M.E. de Kok, waarnemend voor mr. N.C.E.C. Luns (hierna: de advocaat); de benadeelde partij: [slachtoffer] ; de advocaat van de benadeelde partij: mr. D.W. Roos. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: feit 1 op 16 september 2025 te Lelystad de hals van [slachtoffer] (met kracht) heeft dichtgeknepen; dit is primair tenlastegelegd als een poging tot doodslag, subsidiair als een poging zware mishandeling; feit 2 op 16 september 2025 te Lelystad [slachtoffer] meerdere keren met de vuist en de voet tegen het gezicht en het lichaam heeft geslagen en/of geschopt. dit is primair tenlastegelegd als een poging tot doodslag, subsidiair als een poging zware mishandeling; De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 primair heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 2 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde. Het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde acht de officier van justitie wel bewezen. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Gedeeltelijke vrijspraak De rechtbank oordeelt dat het onder feit 2 primair tenlastegelegde (poging tot doodslag), niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. 3.3.2. Bewijsmiddelen feiten 1 en 2 De rechtbank oordeelt dat feit 1 primair (poging tot doodslag) en feit 2 subsidiair (poging tot zware mishandeling) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan: Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan. 3.3.3. Bewijsoverwegingen Inleiding Vaststaat dat de verdachte op 16 september 2025 in de nacht onenigheid heeft gehad met zijn toenmalige partner [slachtoffer] in zijn woning in Lelystad. [slachtoffer] (verder: de aangeefster) heeft onder andere verklaard dat de verdachte haar keel met kracht heeft dichtgeknepen, waardoor zij geen adem meer kon halen. Zij heeft ook verklaard dat de verdachte haar meerdere keren heeft geslagen en geschopt tegen haar hoofd en haar lichaam. De verdachte stelt dat hij zich niets van het voorval kan herinneren, waarschijnlijk doordat hij veel alcohol had gedronken. Hij herinnert zich weld at hij de aangeefster na het voorval naar haar auto heeft zien rennen, maar herinnert zich delen van wat er daarna gebeurd is ook niet meer. Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van aangeefster consistent en wordt deze verklaring op dragende en essentiële onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals de forensisch-medische letselbeschrijving en de letselrapportage van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (hierna: LOEF). Daaruit volgt dat onder ander sprake was van puntbloedingen in het onderste ooglid van beide ogen, meerdere onderhuidse bloeduitstortingen en krasverwondingen in de hals. Feit 1 Poging tot doodslag door middel van wurging Aan de verdachte is primair tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag door middel van wurging. Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, moet worden bewezen dat de verdachte het opzet had, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van de aangeefster. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte als doel had om aangeefster te doden. Van vol opzet is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard. Uit de forensisch-medische letselbeschrijving van het LOEF blijkt dat de forensisch arts binnen 24 uur na het geweld bij de aangeefster onder andere puntbloedingen (petechiën) in het slijmvlies van het onderooglid van beide ogen heeft geconstateerd. Ook zijn bloeduitstortingen aan de voorzijde van de hals gezien. In de forensisch letselrapportage beschrijft de forensisch arts dat het voornoemde geconstateerde letsel kan worden verklaard door een samendrukkende kracht op de hals. Het ontstaan van puntbloedingen ten gevolge van een samendrukkende kracht op de hals vergt enige kracht en tijd, aldus de forensisch arts. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte met enige kracht en gedurende enige tijd de keel van de aangeefster heeft dichtgeknepen. Dit sluit ook aan bij de verklaring van de aangeefster dat verdachte met beide handen haar hals greep, dat zij geen lucht meer kreeg en dat zij bang was dat de verdachte haar zou doden. De forensisch arts duidt de gevaarzetting van het handelen dat ten grondslag heeft gelegen aan het bij aangeefster geconstateerde letsel als acuut levensbedreigend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het met kracht dichtknijpen van de keel van de aangeefster de aanmerkelijke kans met zich bracht dat de aangeefster als gevolg daarvan zou komen te overlijden. Door zijn handelen heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de aangeefster zou doden. De rechtbank acht op grond van het voorgaande de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. Feit 2 Vrijspraak poging tot doodslag door middel van slaan en/of schoppen Onder feit 2 is aan de verdachte primair tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag door aangeefster te schoppen tegen het lichaam en/of het gezicht. De rechtbank is van oordeel dat er ook in dit geval geen sprake is geweest van vol opzet op de dood van aangeefster. De rechtbank ziet zich daarom ook hier voor de vraag gesteld of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. De forensisch arts heeft bij aangeefster diverse bloeduitstortingen in het gezicht, de hals de linker oorschelp en de strekzijde van beide onderarmen, en krasletsel aan de voorzijde links in de hals geconstateerd. Ook is er bij aangeefster een gebroken neus vastgesteld.
Volledig
In het licht van de verklaring van aangeefster stelt de rechtbank vast dat dit letsel het gevolg is van de vuistslagen en het schoppen door de verdachte. Met de officier van justitie en de verdediging kan de rechtbank niet vaststellen dat het schoppen en het slaan met de vuist zo hard is geweest dat dit naar algemene ervaringsregels een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid meebracht dat het slachtoffer zou komen te overlijden. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde (poging tot doodslag). Poging tot zware mishandeling Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat ook hier geen sprake is van vol opzet op zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster. De rechtbank moet daarom opnieuw beoordelen of er door de beschreven handelingen van de verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat schoppen en vuistslagen tegen het aangezicht of de slaap door een krachtige geweldsinwerking, ernstig letsel kan veroorzaken. De verdachte heeft aangeefster zo hard geschopt en geslagen dat zij onder andere een gebroken neus heeft opgelopen. De verdachte riep met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven dat de aangeefster daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Uit de aard en de uitvoering van de door de verdachte verrichte handelingen leidt de rechtbank af dat hij die aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard. Daarmee is voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel naar het oordeel van de rechtbank bewezen. De rechtbank acht op grond van het voorgaande de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: feit 1 primair op 16 september 2025 te Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, - met kracht de hals van die [slachtoffer] met zijn handen heeft vastgepakt en - gedurende enige tijd met kracht de hals van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en die [slachtoffer] heeft gewurgd en aldus gedurende enige tijd die [slachtoffer] de ademhaling heeft belemmerd terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 2 subsidiair op 16 september 2025 te Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten zijn levensgezel [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meerdere malen met de vuist en de voet tegen het gezicht en het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: feit 1 primair poging tot doodslag; feit 2 subsidiair poging tot zware mishandeling. 4.2. Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5 Straf en maatregel 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot: - een gevangenisstraf van drie jaar, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd: - een contactverbod met aangeefster als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van vijf jaar, te vervangen door twee weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is). 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt bij een eventuele strafoplegging te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het eerder ondergane voorarrest. De advocaat verzoekt om daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen als stok achter de deur. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte heeft ernstig geweld gebruikt tegen zijn toenmalige partner. In dronken toestand heeft hij haar in de nacht aangevallen toen zij in zijn huis lag te slapen. Het slachtoffer had het gevoel dat zij dood zou gaan toen de verdachte haar probeerde te wurgen. Nadat het slachtoffer aan de wurging was ontkomen, heeft hij haar met de vuist geslagen en meerdere keren geschopt, onder andere in het gezicht. Dit alles terwijl het slachtoffer zich juist veilig zou moeten voelen bij haar partner en hij wist dat ze eerder ook al was mishandeld binnen een relatie. Het geweld heeft niet enkel lichamelijk letsel veroorzaakt, maar het heeft ook het vertrouwen en gevoel van veiligheid van het slachtoffer diep aangetast. Dat het een zeer ingrijpende gebeurtenis is geweest, blijkt ook uit de toelichting op de vordering benadeelde partij en de slachtofferverklaring die het slachtoffer ter zitting heeft voorgelezen. Het slachtoffer krijgt traumatherapie en kan vanwege haar klachten niet werken. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. De verdachte heeft geen enkele verklaring gegeven voor de explosie van het door hem gebruikte geweld en wijst alleen op alcoholintoxicatie in combinatie met de invloed van anabolen steroïden. De rechtbank oordeelt dat verdachte zo onvoldoende verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Alcohol heeft ontegenzeggelijk een rol gespeeld bij de gepleegde feiten, maar het komt enkel en alleen door de verdachte dat het in de bewuste nacht zo ontzettend mis is gegaan. De persoonlijke omstandigheden De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte kennis genomen van: - het strafblad van 13 april 2026; - een rapport van Reclassering Nederland van 3 oktober 2025; - een rapport van Reclassering Nederland van 14 april 2026; - een Pro Justitia-rapport van 18 februari 2026. Uit het Pro Justitia-rapport van 18 februari 2026 blijkt dat de psycholoog geen stoornis bij de verdachte heeft geconstateerd en dat tijdens het feit enkel sprake was van intoxicatie door alcohol. De verdachte zou daarom volledig toerekeningsvatbaar zijn. De rechtbank neemt deze conclusies over. Uit het reclasseringsrapport van 14 april 2026 blijkt dat de reclassering het recidiverisico laag acht. De reclassering vindt het niet nodig om bijzondere voorwaarden op te leggen bij een eventuele voorwaardelijke straf. De op te leggen straf Gezien de aard en ernst van de strafbare feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank vindt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur passend en geboden is en ziet geen aanleiding om af te wijken van de strafeis van de officier van justitie. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 3 jaar, met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. . Het voorwaardelijk strafdeel dient als stok achter de deur om herhaling te voorkomen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten door verdachte voor de duur van vijf jaren passend en geboden is. De rechtbank vindt het van belang dat verdachte gedurende de komende vijf jaar op geen enkele wijze contact opneemt met aangeefster. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact mag opnemen met aangeefster.
Volledig
In het licht van de verklaring van aangeefster stelt de rechtbank vast dat dit letsel het gevolg is van de vuistslagen en het schoppen door de verdachte. Met de officier van justitie en de verdediging kan de rechtbank niet vaststellen dat het schoppen en het slaan met de vuist zo hard is geweest dat dit naar algemene ervaringsregels een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid meebracht dat het slachtoffer zou komen te overlijden. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde (poging tot doodslag). Poging tot zware mishandeling Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat ook hier geen sprake is van vol opzet op zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster. De rechtbank moet daarom opnieuw beoordelen of er door de beschreven handelingen van de verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat schoppen en vuistslagen tegen het aangezicht of de slaap door een krachtige geweldsinwerking, ernstig letsel kan veroorzaken. De verdachte heeft aangeefster zo hard geschopt en geslagen dat zij onder andere een gebroken neus heeft opgelopen. De verdachte riep met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven dat de aangeefster daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Uit de aard en de uitvoering van de door de verdachte verrichte handelingen leidt de rechtbank af dat hij die aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard. Daarmee is voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel naar het oordeel van de rechtbank bewezen. De rechtbank acht op grond van het voorgaande de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: feit 1 primair op 16 september 2025 te Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, - met kracht de hals van die [slachtoffer] met zijn handen heeft vastgepakt en - gedurende enige tijd met kracht de hals van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en die [slachtoffer] heeft gewurgd en aldus gedurende enige tijd die [slachtoffer] de ademhaling heeft belemmerd terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 2 subsidiair op 16 september 2025 te Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten zijn levensgezel [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meerdere malen met de vuist en de voet tegen het gezicht en het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: feit 1 primair poging tot doodslag; feit 2 subsidiair poging tot zware mishandeling. 4.2. Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5 Straf en maatregel 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot: - een gevangenisstraf van drie jaar, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd: - een contactverbod met aangeefster als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van vijf jaar, te vervangen door twee weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is). 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt bij een eventuele strafoplegging te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het eerder ondergane voorarrest. De advocaat verzoekt om daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen als stok achter de deur. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte heeft ernstig geweld gebruikt tegen zijn toenmalige partner. In dronken toestand heeft hij haar in de nacht aangevallen toen zij in zijn huis lag te slapen. Het slachtoffer had het gevoel dat zij dood zou gaan toen de verdachte haar probeerde te wurgen. Nadat het slachtoffer aan de wurging was ontkomen, heeft hij haar met de vuist geslagen en meerdere keren geschopt, onder andere in het gezicht. Dit alles terwijl het slachtoffer zich juist veilig zou moeten voelen bij haar partner en hij wist dat ze eerder ook al was mishandeld binnen een relatie. Het geweld heeft niet enkel lichamelijk letsel veroorzaakt, maar het heeft ook het vertrouwen en gevoel van veiligheid van het slachtoffer diep aangetast. Dat het een zeer ingrijpende gebeurtenis is geweest, blijkt ook uit de toelichting op de vordering benadeelde partij en de slachtofferverklaring die het slachtoffer ter zitting heeft voorgelezen. Het slachtoffer krijgt traumatherapie en kan vanwege haar klachten niet werken. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. De verdachte heeft geen enkele verklaring gegeven voor de explosie van het door hem gebruikte geweld en wijst alleen op alcoholintoxicatie in combinatie met de invloed van anabolen steroïden. De rechtbank oordeelt dat verdachte zo onvoldoende verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Alcohol heeft ontegenzeggelijk een rol gespeeld bij de gepleegde feiten, maar het komt enkel en alleen door de verdachte dat het in de bewuste nacht zo ontzettend mis is gegaan. De persoonlijke omstandigheden De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte kennis genomen van: - het strafblad van 13 april 2026; - een rapport van Reclassering Nederland van 3 oktober 2025; - een rapport van Reclassering Nederland van 14 april 2026; - een Pro Justitia-rapport van 18 februari 2026. Uit het Pro Justitia-rapport van 18 februari 2026 blijkt dat de psycholoog geen stoornis bij de verdachte heeft geconstateerd en dat tijdens het feit enkel sprake was van intoxicatie door alcohol. De verdachte zou daarom volledig toerekeningsvatbaar zijn. De rechtbank neemt deze conclusies over. Uit het reclasseringsrapport van 14 april 2026 blijkt dat de reclassering het recidiverisico laag acht. De reclassering vindt het niet nodig om bijzondere voorwaarden op te leggen bij een eventuele voorwaardelijke straf. De op te leggen straf Gezien de aard en ernst van de strafbare feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank vindt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur passend en geboden is en ziet geen aanleiding om af te wijken van de strafeis van de officier van justitie. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 3 jaar, met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. . Het voorwaardelijk strafdeel dient als stok achter de deur om herhaling te voorkomen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten door verdachte voor de duur van vijf jaren passend en geboden is. De rechtbank vindt het van belang dat verdachte gedurende de komende vijf jaar op geen enkele wijze contact opneemt met aangeefster. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact mag opnemen met aangeefster.
Volledig
De rechtbank zal bepalen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van maximaal twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen door de opgelegde maatregel niet op. Aangeefster heeft aangegeven geen contact meer te willen met de verdachte. Aan de verdachte is destijds ook een gedragsaanwijzing opgelegd door de officier van justitie. Na het aflopen van de gedragsaanwijzing heeft de verdachte direct contact gezocht met de aangeefster. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich belastend zal gedragen jegens aangeefster. Daarom zal zij bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. 6 In beslag genomen voorwerpen 6.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de onder de verdachte in beslag genomen oorbel en ring terug te geven aan de rechthebbenden. 6.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen. 6.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank zal gelasten dat de in het dictum gespecificeerde voorwerpen worden teruggegeven aan de rechthebbenden. Uit het dossier blijkt dat de oorbel toebehoort aan het aangeefster. Op zitting is gebleken dat de ring toebehoort aan de verdachte. 7 Vordering benadeelde partij 7.1. Vordering van de benadeelde partij Aangeefster heeft zich als benadeelde partij in de zaak gevoegd en vordert een bedrag van € 34.732,50. Dit bedrag bestaat uit € 21.732,50 aan materiële schade en € 13.000,- aan immateriële schade, ten gevolge van het aan de verdachte ten laste gelegde. 7.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering ten aanzien van de immateriële schade toegewezen dient te worden tot een bedrag van € 10.725,-. Ten aanzien van de materiële schade concludeert de officier van justitie dat de vordering dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 5.805,36, dus met uitzondering van de toekomstige gederfde inkomsten. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om de benadeelde partij voor het niet toegewezen materiële gedeelte niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Het toegewezen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en daarbij moet de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd. 7.3. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte heeft verzocht om het gevorderde bedrag ten aanzien van de materiële schade te matigen. De advocaat van de verdachte heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in het materiële gedeelte van de vordering, dat ziet op de huidige en toekomstige gederfde inkomsten 7.4. Oordeel van de rechtbank Immateriële schade Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanhef en sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. Gelet op het feit dat de benadeelde partij in de onderhavige zaak verschillende soorten letsel heeft opgelopen, maakt de rechtbank een onderscheid tussen primair en secundair letsel. Voor wat betreft het primaire letsel, het voornaamste (zwaarste) letsel, neemt de rechtbank het volledige bedrag (of de bandbreedte) van de toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal tot uitgangspunt. Voor wat betreft het secundaire letsel (het overige letsel), neemt de rechtbank de helft van het bedrag (of van de bandbreedte) van de toepasselijke categorie tot uitgangspunt. Deze bedragen worden bij elkaar opgeteld. In deze zaak gaat de rechtbank ervan uit dat het primaire letsel bestaat uit de bij de benadeelde partij vastgestelde geestelijke letsel en dat het secundaire letsel bestaat uit lichamelijk letsel. Het primaire letsel valt naar het oordeel van de rechtbank gelet op de onderbouwing onder de categorie 14.1 onder C van de Rotterdamse schaal (geestelijk letsel algemeen – middelzwaar). De rechtbank overweegt hierbij dat uit de stukken niet blijkt dat PTSS is vastgesteld bij de benadeelde partij. De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 4.000,- tot € 13.000,- tot uitgangspunt. De rechtbank plaatst de ernst van het letsel ongeveer in het midden van de bandbreedte en komt uit op een bedrag van € 8.000,- ten aanzien van het geestelijke letsel. Het secundaire letsel valt naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie 13 van de Rotterdamse schaal (licht letsel – herstelperiode van twee tot vier maanden). De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 725,- tot € 2.175,- tot uitgangspunt, en plaatst de ernst van het letsel aan de bovenkant daarvan. De rechtbank acht voor het secundaire letsel daarom een bedrag van (50% van € 2.000 =) € 1.000,- passend. Dit leidt tot de slotsom dat de rechtbank een bedrag van € 9.000,- aan immateriële schadevergoeding zal toewijzen, en de vordering voor het overige aan immateriële schade zal afwijzen. Materiële schade Gederfde inkomsten, eigen risico en reiskosten Het gedeelte van de vordering dat ziet op de gederfde inkomsten, het eigen risico en de reiskosten voor de behandelingen is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe. Toekomstige gederfde inkomsten De benadeelde partij wordt ten aanzien van de toekomstige gederfde inkomsten niet-ontvankelijk verklaard. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de materiële schade daarom toe tot een bedrag van € 3.775,48. De rechtbank acht de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Wettelijke rente De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van doorlopende schade over een langere periode tussen de pleegdatum en de datum van de zitting. De rechtbank zal voor de ingang van de wettelijke rente uit praktisch oogpunt uitgaan van het midden van de periode gelegen tussen 16 september 2025 (pleegdatum) en 17 april 2025 (datum zitting). De vergoeding van de materiële schade wordt daarom vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2026, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2026, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Volledig
De rechtbank zal bepalen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van maximaal twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen door de opgelegde maatregel niet op. Aangeefster heeft aangegeven geen contact meer te willen met de verdachte. Aan de verdachte is destijds ook een gedragsaanwijzing opgelegd door de officier van justitie. Na het aflopen van de gedragsaanwijzing heeft de verdachte direct contact gezocht met de aangeefster. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich belastend zal gedragen jegens aangeefster. Daarom zal zij bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. 6 In beslag genomen voorwerpen 6.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de onder de verdachte in beslag genomen oorbel en ring terug te geven aan de rechthebbenden. 6.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen. 6.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank zal gelasten dat de in het dictum gespecificeerde voorwerpen worden teruggegeven aan de rechthebbenden. Uit het dossier blijkt dat de oorbel toebehoort aan het aangeefster. Op zitting is gebleken dat de ring toebehoort aan de verdachte. 7 Vordering benadeelde partij 7.1. Vordering van de benadeelde partij Aangeefster heeft zich als benadeelde partij in de zaak gevoegd en vordert een bedrag van € 34.732,50. Dit bedrag bestaat uit € 21.732,50 aan materiële schade en € 13.000,- aan immateriële schade, ten gevolge van het aan de verdachte ten laste gelegde. 7.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering ten aanzien van de immateriële schade toegewezen dient te worden tot een bedrag van € 10.725,-. Ten aanzien van de materiële schade concludeert de officier van justitie dat de vordering dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 5.805,36, dus met uitzondering van de toekomstige gederfde inkomsten. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om de benadeelde partij voor het niet toegewezen materiële gedeelte niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Het toegewezen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en daarbij moet de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd. 7.3. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte heeft verzocht om het gevorderde bedrag ten aanzien van de materiële schade te matigen. De advocaat van de verdachte heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in het materiële gedeelte van de vordering, dat ziet op de huidige en toekomstige gederfde inkomsten 7.4. Oordeel van de rechtbank Immateriële schade Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanhef en sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. Gelet op het feit dat de benadeelde partij in de onderhavige zaak verschillende soorten letsel heeft opgelopen, maakt de rechtbank een onderscheid tussen primair en secundair letsel. Voor wat betreft het primaire letsel, het voornaamste (zwaarste) letsel, neemt de rechtbank het volledige bedrag (of de bandbreedte) van de toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal tot uitgangspunt. Voor wat betreft het secundaire letsel (het overige letsel), neemt de rechtbank de helft van het bedrag (of van de bandbreedte) van de toepasselijke categorie tot uitgangspunt. Deze bedragen worden bij elkaar opgeteld. In deze zaak gaat de rechtbank ervan uit dat het primaire letsel bestaat uit de bij de benadeelde partij vastgestelde geestelijke letsel en dat het secundaire letsel bestaat uit lichamelijk letsel. Het primaire letsel valt naar het oordeel van de rechtbank gelet op de onderbouwing onder de categorie 14.1 onder C van de Rotterdamse schaal (geestelijk letsel algemeen – middelzwaar). De rechtbank overweegt hierbij dat uit de stukken niet blijkt dat PTSS is vastgesteld bij de benadeelde partij. De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 4.000,- tot € 13.000,- tot uitgangspunt. De rechtbank plaatst de ernst van het letsel ongeveer in het midden van de bandbreedte en komt uit op een bedrag van € 8.000,- ten aanzien van het geestelijke letsel. Het secundaire letsel valt naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie 13 van de Rotterdamse schaal (licht letsel – herstelperiode van twee tot vier maanden). De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 725,- tot € 2.175,- tot uitgangspunt, en plaatst de ernst van het letsel aan de bovenkant daarvan. De rechtbank acht voor het secundaire letsel daarom een bedrag van (50% van € 2.000 =) € 1.000,- passend. Dit leidt tot de slotsom dat de rechtbank een bedrag van € 9.000,- aan immateriële schadevergoeding zal toewijzen, en de vordering voor het overige aan immateriële schade zal afwijzen. Materiële schade Gederfde inkomsten, eigen risico en reiskosten Het gedeelte van de vordering dat ziet op de gederfde inkomsten, het eigen risico en de reiskosten voor de behandelingen is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe. Toekomstige gederfde inkomsten De benadeelde partij wordt ten aanzien van de toekomstige gederfde inkomsten niet-ontvankelijk verklaard. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de materiële schade daarom toe tot een bedrag van € 3.775,48. De rechtbank acht de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Wettelijke rente De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van doorlopende schade over een langere periode tussen de pleegdatum en de datum van de zitting. De rechtbank zal voor de ingang van de wettelijke rente uit praktisch oogpunt uitgaan van het midden van de periode gelegen tussen 16 september 2025 (pleegdatum) en 17 april 2025 (datum zitting). De vergoeding van de materiële schade wordt daarom vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2026, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2026, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Volledig
Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van €12.775,48 aan de Staat moet betalen. De vergoeding van de materiële schade (€ 3.775,48 ) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2026 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De vergoeding van de immateriële schade (€ 9.000,-) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 88 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen. Proceskosten Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil. 8 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf en maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: - artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 287, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. 9 De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - verklaart feit 2 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring - verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 subsidiair heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; - verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; Strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) jaren ; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 1 (één) jaar , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast; - als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; Oplegging maatregel - legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 (vijf) jaren ; - beveelt dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1975; - beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt maximaal 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 (zes) maanden ; - bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft; - beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is; Beslag - gelast de teruggave aan verdachte van het volgende voorwerp: o 1 ring (omschrijving PL0900-2025314899-G3589412 tekst: "free spirit", zilverkleurig); - gelast de teruggave aan de rechthebbende van het volgende voorwerp: o 1 oorbel (omschrijving: PL0900-2025314899-G3589423, zilverkleurig); Benadeelde partij [slachtoffer] - wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 12.775,48, bestaande uit € 9.000,- aan immateriële schade en € 3.775,48 aan materiële schade; - veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente: o over een bedrag van € 9.000,- met ingang van 16 september 2025 tot de dag van volledige betaling; o over een bedrag van € 3.775,48 met ingang van 16 januari 2026 tot de dag van volledige betaling; - verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - wijst de vordering van [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde ten aanzien van de immateriële schade af; - veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 12.775,48 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente o over een bedrag van € 9.000,- met ingang van 16 september 2025 tot de dag van volledige betaling, o over een bedrag van € 3.775,48 met ingang van 16 januari 2026 tot de dag van volledige betaling; indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 88 dagen gijzeling; - bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mr. H.C. Piet en mr. S.M. van Meer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Brenker als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026. De voorzitter, de oudste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Volledig
Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van €12.775,48 aan de Staat moet betalen. De vergoeding van de materiële schade (€ 3.775,48 ) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2026 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De vergoeding van de immateriële schade (€ 9.000,-) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 88 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen. Proceskosten Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil. 8 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf en maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: - artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 287, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. 9 De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - verklaart feit 2 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring - verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 subsidiair heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; - verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; Strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) jaren ; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 1 (één) jaar , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast; - als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; Oplegging maatregel - legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 (vijf) jaren ; - beveelt dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1975; - beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt maximaal 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 (zes) maanden ; - bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft; - beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is; Beslag - gelast de teruggave aan verdachte van het volgende voorwerp: o 1 ring (omschrijving PL0900-2025314899-G3589412 tekst: "free spirit", zilverkleurig); - gelast de teruggave aan de rechthebbende van het volgende voorwerp: o 1 oorbel (omschrijving: PL0900-2025314899-G3589423, zilverkleurig); Benadeelde partij [slachtoffer] - wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 12.775,48, bestaande uit € 9.000,- aan immateriële schade en € 3.775,48 aan materiële schade; - veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente: o over een bedrag van € 9.000,- met ingang van 16 september 2025 tot de dag van volledige betaling; o over een bedrag van € 3.775,48 met ingang van 16 januari 2026 tot de dag van volledige betaling; - verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - wijst de vordering van [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde ten aanzien van de immateriële schade af; - veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 12.775,48 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente o over een bedrag van € 9.000,- met ingang van 16 september 2025 tot de dag van volledige betaling, o over een bedrag van € 3.775,48 met ingang van 16 januari 2026 tot de dag van volledige betaling; indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 88 dagen gijzeling; - bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mr. H.C. Piet en mr. S.M. van Meer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Brenker als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026. De voorzitter, de oudste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Volledig
Bijlage I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1 hij op of omstreeks 16 september 2025 te Lelystad, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, - ( met kracht) de hals van die [slachtoffer] met zijn handen heeft vastgepakt en/of - gedurende enige tijd (met kracht) de hals van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of die [slachtoffer] heeft gewurgd en aldus gedurende enige tijd die [slachtoffer] de ademhaling heeft belet en/of belemmerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 16 september 2025 te Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten zijn levensgezel [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - ( met kracht) de hals van die [slachtoffer] met zijn handen heeft vastgepakt en/of - gedurende enige tijd (met kracht) de hals van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of die [slachtoffer] heeft gewurgd en aldus gedurende enige tijd die [slachtoffer] de ademhaling heeft belet en/of belemmerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2 Hij op of omstreeks 16 september 2025 te Lelystad, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, een of meerdere malen met de vuist en/of de voet tegen het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 16 september 2025 te Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten zijn levensgezel [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meerdere malen met de vuist en/of de voet tegen het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Bijlage II: Bewijsmiddelen De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 17 april 2026, zakelijk weergegeven: Ik was in de nacht van 15/16 september 2025 thuis in Lelystad met [slachtoffer] . Zij ging slapen. Ik kan mij daarna alleen herinneren dat [slachtoffer] naar haar auto toe rende. Uit het proces-verbaal aangifte van 16 september 2025 blijkt dat [slachtoffer] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard: Op 15 september 2025 was ik naar [verdachte] toegegaan naar zijn woning in Lelystad. Ik ben gaan slapen en werd ’s nachts opeens wakker, omdat [verdachte] tegen mij ging schreeuwen. Hij pakte mij met beide handen in mijn hals en probeerde mij te wurgen. Ik kon niks terugzeggen, omdat ik geen lucht meer kreeg. Ik voelde dat hij mij losliet en ik snakte naar adem. Ik zag dat [verdachte] met zijn rechtervuist mij vol op mijn linkeroog sloeg. Vervolgens kwam ik op de grond terecht en schopte hij mij in mijn gezicht. Ik voelde ontzettend harde steken in mijn gezicht, hals en schouders. Ik weet niet hoe vaak hij mij precies heeft geschopt, maar zeker wel twintig keer. Uit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een forensisch-medische letselrapportage van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO met benoeming als gerechtelijk deskundige van 27 februari 2026 , volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven: Op 22-09-2025 werd betrokkene onderzocht door de KNO-arts. Er werd een CT-scan gemaakt waarop enkele breuklijntjes van het neusbot werden gezien (= een gebroken neus). Uitwendig was er sprake van het volgende letsel: Een oppervlakkige huidbeschadiging op het voorhoofd. Bloeduitstortingen rondom beide ogen. Puntbloedingen in het slijmvlies van het onderste ooglid van beide ogen. Een bloeduitstorting en zwelling van de linker oorschelp. Een bloeduitstorting op de buiten- en binnenzijde van de gehele bovenlip. Een bloeduitstorting aan de linkerzijde van de onderlip. Bloeduitstortingen aan de voorzijde van de hals. Krasletsel aan de voorzijde van de hals links Bloeduitstortingen op de strekzijde van beide onderarmen. De bloeduitstortingen passen bij een stomp botsende krachtsinwerking (zoals vallen, schoppen of slaan), en in geval van de bloeduitstortingen in de hals ook bij een samendrukkende kracht op de hals. Eveneens had betrokkene enkele puntbloedingen (petechiën) in beide oogleden; puntbloedingen ontstaan door druk verhogende momenten, waaronder een samendrukkende krachtsinwerking op de hals, waarbij deze kracht “enige tijd” moet aanhouden. De gevaarzetting van het handelen dat ten grondslag heeft gelegen aan het bij betrokkene geconstateerde letsel (bloeduitstortingen, krasletsel en puntbloedingen (petechiën)) kan met in achtneming van de beperkingen van de Plattnerclassificatie worden geduid als een klasse 3. Klasse 3 is acuut levensbedreigend. De bloeduitstortingen rondom de ogen kunnen verklaard worden door zowel slaan als schoppen. De bloeduitstortingen in de hals kunnen verklaard worden door wurgen, maar ook door schoppen. De puntbloedingen kunnen worden verklaard door een samendrukkende kracht (bijvoorbeeld wurgen) waarbij de halsaderen zowel links als rechts tenminste 10 seconde ononderbroken zijn dichtgehouden. De bevindingen bij het forensisch medische onderzoek kunnen (voor een deel) verklaard worden door de handelingen zoals beschreven in de verklaring van betrokkene. Het schoppen tegen het hoofd kan met een grote kracht gepaard gaan waarbij er ook breuken van het aangezicht kunnen optreden, zoals de gebroken neus bij betrokkene. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025314899, doorgenummerd pagina 1 tot en met 90. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Pagina 7. Pagina 8. Pagina 6. Pagina 7. Pagina 20. Pagina 22. Pagina 24.
Volledig
Bijlage I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1 hij op of omstreeks 16 september 2025 te Lelystad, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, - ( met kracht) de hals van die [slachtoffer] met zijn handen heeft vastgepakt en/of - gedurende enige tijd (met kracht) de hals van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of die [slachtoffer] heeft gewurgd en aldus gedurende enige tijd die [slachtoffer] de ademhaling heeft belet en/of belemmerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 16 september 2025 te Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten zijn levensgezel [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - ( met kracht) de hals van die [slachtoffer] met zijn handen heeft vastgepakt en/of - gedurende enige tijd (met kracht) de hals van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of die [slachtoffer] heeft gewurgd en aldus gedurende enige tijd die [slachtoffer] de ademhaling heeft belet en/of belemmerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2 Hij op of omstreeks 16 september 2025 te Lelystad, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, een of meerdere malen met de vuist en/of de voet tegen het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 16 september 2025 te Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten zijn levensgezel [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meerdere malen met de vuist en/of de voet tegen het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Bijlage II: Bewijsmiddelen De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 17 april 2026, zakelijk weergegeven: Ik was in de nacht van 15/16 september 2025 thuis in Lelystad met [slachtoffer] . Zij ging slapen. Ik kan mij daarna alleen herinneren dat [slachtoffer] naar haar auto toe rende. Uit het proces-verbaal aangifte van 16 september 2025 blijkt dat [slachtoffer] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard: Op 15 september 2025 was ik naar [verdachte] toegegaan naar zijn woning in Lelystad. Ik ben gaan slapen en werd ’s nachts opeens wakker, omdat [verdachte] tegen mij ging schreeuwen. Hij pakte mij met beide handen in mijn hals en probeerde mij te wurgen. Ik kon niks terugzeggen, omdat ik geen lucht meer kreeg. Ik voelde dat hij mij losliet en ik snakte naar adem. Ik zag dat [verdachte] met zijn rechtervuist mij vol op mijn linkeroog sloeg. Vervolgens kwam ik op de grond terecht en schopte hij mij in mijn gezicht. Ik voelde ontzettend harde steken in mijn gezicht, hals en schouders. Ik weet niet hoe vaak hij mij precies heeft geschopt, maar zeker wel twintig keer. Uit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een forensisch-medische letselrapportage van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO met benoeming als gerechtelijk deskundige van 27 februari 2026 , volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven: Op 22-09-2025 werd betrokkene onderzocht door de KNO-arts. Er werd een CT-scan gemaakt waarop enkele breuklijntjes van het neusbot werden gezien (= een gebroken neus). Uitwendig was er sprake van het volgende letsel: Een oppervlakkige huidbeschadiging op het voorhoofd. Bloeduitstortingen rondom beide ogen. Puntbloedingen in het slijmvlies van het onderste ooglid van beide ogen. Een bloeduitstorting en zwelling van de linker oorschelp. Een bloeduitstorting op de buiten- en binnenzijde van de gehele bovenlip. Een bloeduitstorting aan de linkerzijde van de onderlip. Bloeduitstortingen aan de voorzijde van de hals. Krasletsel aan de voorzijde van de hals links Bloeduitstortingen op de strekzijde van beide onderarmen. De bloeduitstortingen passen bij een stomp botsende krachtsinwerking (zoals vallen, schoppen of slaan), en in geval van de bloeduitstortingen in de hals ook bij een samendrukkende kracht op de hals. Eveneens had betrokkene enkele puntbloedingen (petechiën) in beide oogleden; puntbloedingen ontstaan door druk verhogende momenten, waaronder een samendrukkende krachtsinwerking op de hals, waarbij deze kracht “enige tijd” moet aanhouden. De gevaarzetting van het handelen dat ten grondslag heeft gelegen aan het bij betrokkene geconstateerde letsel (bloeduitstortingen, krasletsel en puntbloedingen (petechiën)) kan met in achtneming van de beperkingen van de Plattnerclassificatie worden geduid als een klasse 3. Klasse 3 is acuut levensbedreigend. De bloeduitstortingen rondom de ogen kunnen verklaard worden door zowel slaan als schoppen. De bloeduitstortingen in de hals kunnen verklaard worden door wurgen, maar ook door schoppen. De puntbloedingen kunnen worden verklaard door een samendrukkende kracht (bijvoorbeeld wurgen) waarbij de halsaderen zowel links als rechts tenminste 10 seconde ononderbroken zijn dichtgehouden. De bevindingen bij het forensisch medische onderzoek kunnen (voor een deel) verklaard worden door de handelingen zoals beschreven in de verklaring van betrokkene. Het schoppen tegen het hoofd kan met een grote kracht gepaard gaan waarbij er ook breuken van het aangezicht kunnen optreden, zoals de gebroken neus bij betrokkene. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025314899, doorgenummerd pagina 1 tot en met 90. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Pagina 7. Pagina 8. Pagina 6. Pagina 7. Pagina 20. Pagina 22. Pagina 24.